Vandaag wordt Hans Wiegel begraven in het Friese dorp Oudega. De voormalige VVD-leider was vermaard om zijn scherpe, branieachtige politieke stijl, maar was privé onzeker en verlegen. Oud-burgemeester Pieter van Veen vertelt over die andere kant van zijn vriend.
recenseert voor de Volkskrant boeken over politiek en openbaar bestuur.
‘Zolang als ik hem gekend heb, en dat is meer dan zestig jaar, heeft Hans verlangd naar een leven op de bühne’, aldus Pieter van Veen. ‘Welnu, hij heeft dat leven gekregen, hij heeft het in een grote mate van perfectie uitgevoerd, hij heeft ervan genoten.’
Hans Wiegel was in het openbare leven een politicus vol bravoure. Van Veen kent als een van de weinigen de andere kant, de binnenkant. Hij zegt: ‘Je zou het inderdaad niet vermoeden als je niet beter wist, maar Hans was een verlegen man. Hij kon buitengewoon onzeker zijn.’
De laatste anderhalf jaar woonde Wiegel in een verzorgingshuis in Sint Nicolaasga, maar jarenlang, sinds 2010, leefde hij in een dijkhuis in het Friese dorp Oudega. Hij woonde daar alleen. De man die niet kon leven zonder de aandacht van de mensen in het land, kwam niet meer onder de mensen. Hij had overburen die hem hielpen in alles, schatten waren het. Maar behalve de buren, zijn kinderen en kleinkinderen kwamen niet zoveel bekenden nog aanwaaien. Op de oude vriendschappen uit de politiek was het moeilijk terugvallen. Van Veen: ‘Vanuit de Randstad is het een heel eind naar Oudega. Iedereen is op leeftijd. En niemand heeft nog een auto met chauffeur, zoals in betere tijden.’
Van Veen (1947) is een rustige man, met een enigszins weemoedige oogopslag. Hij bouwde een carrière op als burgemeester. Zijn vriend Hans Wiegel leerde hij kennen bij de JOVD, de aan de VVD gelieerde jongerenorganisatie. Wiegel werd in 1965 landelijk voorzitter, Van Veen was voorzitter van district Oost. Wiegel, toen 24 jaar, had een souterrain aan de Bloemgracht in Amsterdam. Van Veen was een jongen uit de provincie, Wiegel nam hem mee op kroegentocht door de stad. Het werd de basis voor een levenslange vriendschap.
Van Veen: ‘Hij is altijd in mijn leven gebleven. Ook toen hij tot grote hoogte steeg, was er hartelijkheid en wederzijdse verbondenheid. Hij was minister in 1980 toen zijn vrouw Jacqueline verongelukte. Hij deed meteen een beroep op mij.’
Wiegel hanteerde in zijn dijkhuis in Oudega een strakke regelmaat. Elke dag belde hij met de meneer van de Rabobank om de stand van zaken op de beurs door te nemen. Elke dag om half zes, vaste prik, vaste tijd. Gedurende de dag stond het televisiescherm aan op de teletekstpagina met de aandelenkoersen. Van Veen: ‘Hij begon om vier uur met zijn eerste, dagelijkse ‘commissarisje’, de ene helft jenever, de andere helft beerenburg. Ik vond dat een beetje vroeg. Tegen zes uur was het etenstijd. Met een glas wijn erbij. Dikwijls lag hij twee uur later al op bed, moe van de dag. De volgende ochtend stond hij om vijf uur op, want dan kwamen de kranten binnen.’
De zelfverkozen zijlijnpoliticus
Op maandag 20 mei 2025 overleed Hans Wiegel (83). Lees hier een uitgebreid postuum.
Zes kranten las Wiegel, elke dag. De Telegraaf, de Leeuwarder Courant, Het Parool, de Volkskrant, Trouw en NRC. Ze werden allemaal nauwgezet doorgenomen, natuurlijk vooral op het politieke nieuws. Maar de laatste tijd gebeurde dit niet meer zo intensief als toen hij tussen 2016 en 2022 een wekelijks commentaar had in De Telegraaf.
Van Veen: ‘Die stukken voor de krant waren een enorme drijfveer om het nieuws te blijven spellen, artikelen uit te scheuren, zinnen die opvielen met potlood te onderstrepen. De column was een levensader voor hem. Eerst was de beschouwing een fors stuk in de zaterdagkrant, nadien werd het een voetnoot, waarin hij vaak naar het verleden greep.
De teneur was meestal: wij losten dat probleem in onze tijd beter en sneller op. De oudere lezers van De Telegraaf zullen het mooi hebben gevonden, hij kreeg nog geregeld brieven waar hij trots op was. Maar het niveau van zijn columns werd minder, uiteindelijk was hij blij dat het niet meer hoefde. Zijn geestelijke en fysieke gesteldheid ging gaandeweg achteruit. Het kwam steeds vaker voor dat hij niet op namen kon komen. Dan vluchtte hij vooruit en zei hij bijvoorbeeld ‘die zwarte krullenbol’ als hij Jesse Klaver bedoelde.’
Wiegel had ook een praktische reden om met de column te stoppen: het naderend pensioen van mevrouw Dellepoort. Sinds zijn aantreden als commissaris van de koningin in Friesland in 1982 was zij zijn toeverlaat voor contact met de buitenwereld. Wiegel was onhandig, bijna uit overtuiging. De moderne communicatiemiddelen waren bij hem tot aan de fax gereikt, niet verder. Van zijn kinderen had hij ooit een prachtige laptop gekregen; het apparaat heeft de doos niet verlaten. Wiegel bewoog zich niet op het internet. Hij mailde niet. Hij wist hoe hij mevrouw Dellepoort moest bellen en hij kon faxen, dat was het.
Van Veen: ‘Elke dag belden ze met elkaar. Hans vertelde haar over duizend dingen. Zij deed alles voor hem. Had hij zijn column geschreven voor De Telegraaf, dan faxte hij deze naar mevrouw Dellepoort. Die tikte de tekst over en mailde zijn bijdrage vervolgens naar de krant. Aangezien hij zijn stukjes niet met de postduif kon verzenden, zou hij na de pensionering van mevrouw Dellepoort niet geweten hebben hoe hij zijn tekst bij de redactie had moeten krijgen.’
Wiegel sprak zijn stut en steun consequent aan in de u-vorm; het was altijd
‘mevrouw Dellepoort’, nooit de voornaam. Decennialang. Op haar beurt sprak zij consequent over ‘mijn patron’. Van Veen: ‘Hans was buitengewoon gesteld op Thea, dat wil zeggen: op mevrouw Dellepoort. Hij deelde alles met mevrouw Dellepoort. Niet met Thea.’
De man die met branie en bravoure zijn politieke opponenten voor volle zalen op de korrel nam, was privé met name tegenover vrouwen uitgesproken verlegen. Na de dood van zijn eerste vrouw Jacqueline, toen de weduwnaar Wiegel achterbleef met twee piepjonge kinderen, was haar zusje Marianne net aan het scheiden. Dat zij in Wiegels leven kwam, noemt Van Veen ‘een geschenk uit de hemel’. Ook Marianne kwam bij een auto-ongeluk om het leven, in 2005. Van Veen: ‘Toen was er geen partner meer. Hij zat alleen.’
‘Hans was terughoudend in kennismaken met een vrouw. Hij vond het moeilijk. Over vrouwen sprak hij weinig. Hij had de twee zusjes leren kennen via hun moeder. Die zat in het VVD-bestuur in Hoogeveen. Toen Hans daar een spreekbeurt zou houden, had ze gezegd: kom eerst een hapje eten. Zo is het gegaan. Hij kwam daar aan tafel en er zaten twee ongetrouwde dochters, allebei reuzeaardig voor hem. Als student had hij weinig vriendinnetjes. De politiek was zijn grote vriend.’
De politiek bood Wiegel houvast; het was de greep die hij daarbuiten
ontbeerde. Van Veen: ‘Als je alles op een rijtje zet, kom je inderdaad tot die
conclusie. Hans heeft altijd behoefte gehad aan zekerheid.’
Voor Van Veen verklaart het waarom Wiegel het bij een eenmalig ministerschap heeft gelaten, in het eerste kabinet-Van Agt, en waarom hij in 1982 koos voor de beschutting van het commissariaat in Friesland. Van Veen: ‘Hij had voor zichzelf het gevoel: dit ministerschap is goed gegaan, maar als ik langer blijf, heb ik niet de zekerheid dat het nog steeds goed gaat. Als zijn vriend heb ik toen de conclusie getrokken dat Hans om die reden wegging uit Den Haag.’
De buitenwacht maakte Wiegel mee als een uiterst behendig en zelfverzekerd politicus, bij gelegenheid zelfs hondsbrutaal. Was dan alles een pose? Van Veen:
‘Wie opkomt in driedelig grijs, met een horlogeketting, een dikke sigaar in de mond, die acht kennelijk bepaalde voorbeelden zeer hoog. Voor Hans waren dat Winston Churchill en Harm van Riel, zijn leermeester die jarenlang VVD-senator was in de Eerste Kamer. Churchill en Van Riel koesterden beiden de sigaar. Beiden hechtten aan het meer dan klassieke kostuum. Beiden waren acteurs.
‘Hans wilde ook acteur zijn. Omdat het zijn remedie was tegen de onzekerheid. En omdat hij erin uitblonk. Het voorkwam dat hij van het toneel zou verdwijnen. Hij wilde graag het prestige in stand houden dat hem in heel het land werd toegekend. Daarom die pose. Dat gespeelde heeft hij strak en sterk volgehouden, altijd. Als hij ergens binnenkwam, dan schreed hij, dan keek hij in het rond, in het volle besef dat alle ogen gericht waren op Kwatta. Dan werd hij aangesproken, ook door mensen die hij totaal niet kende. Dag meneer Wiegel dit, en dag meneer Wiegel dat. Dat vond hij helemaal niet erg, nooit niet. Dat vond hij prachtig. Hij genoot ervan. Hij was dé meneer Wiegel.’
‘Na zijn vertrek van het publieke toneel zag je hem niet anders dan in broek en trui. Maar voordien was zijn harnas het driedelige pak of de oversized blazer met de gouden knopen en de te grote, grijze broek. Het waren inderdaad zijn veilige combinaties. Het was als een uniform. Daar stond de staatsman.’
De vraag is natuurlijk waarom hij zijn gevoelsleven zo verstopte. Van Veen: ‘Om
zichzelf te beschermen. Hij wilde zich niet blootstellen aan risico’s, aan onvoorziene gevaren. Hij heeft zijn gevoelsleven nooit de kans gegeven tot wasdom te komen.’
Weet Van Veen waar hij bang voor was? ‘Hij was op zich heel sterk. Hij overleefde de dood van zijn twee vrouwen, overleefde menige strijd binnen de VVD, weerstond de spanningen die bij een ministerschap horen. Hij wist zich altijd uitstekend uit netelige situaties te redden. Hij had een grote controle en was bang voor het omgekeerde: dat er iets mis zou gaan, dat hij geen controle meer had. Ik denk dat dit zijn grootste angst was. Hij besefte dat hij zich moest beschermen tegen de buitenwereld. Die is namelijk potentieel gevaarlijk. De buitenwereld kan met jou alles doen en laten als je iets prijsgeeft. Geef je niets prijs, dan kun je voor jezelf een veilige situatie creëren.’
‘Hans had wel zelfvertrouwen, maar vaak genoeg ook niet. Voor optredens in de Kamer of in de zalen in het land was hij altijd onzeker. Als hij eenmaal op gang kwam, was hij fantastisch. Maar voor aanvang was hij gespannen. Die spanning verdween als sneeuw voor de zon als hij contact had met de zaal en plezier de boventoon ging voeren.
‘Ik weet nog goed, in Nijmegen, in de Vereeniging, bomvolle zaal met studenten. Vanaf het balkon schreeuwde een vrouw met schelle stem: ‘Hondenlul.’ En nog eens: ‘Hondenlul.’ Hans had geen tel nodig voor zijn reactie. ‘Aangenaam’, zei hij, ‘míjn naam is Wiegel.’ Op zo’n moment voelde hij zich heer en meester over de situatie. Maar in de aanloop waren er altijd spanningen, de onzekerheid van zal-het-wel-goed-gaan, de angst voor het ongewisse.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant