Schrijver Joris van Casteren is coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Onregelmatig schrijft hij over zijn wederwaardigheden bij dat werk.
Enkele dagen voor de uitvaart van meneer S., een 69-jarige kluizenaar zonder nog levende familieleden, zoek ik in de straat waar hij sinds 2017 een benedenwoning huurde naar een hoogzwangere mevrouw.
Ze had de schichtige bewoner, een morsige man die zich zelden buiten waagde, Rotterdammer van geboorte, al maanden niet meer gezien. De bruine gordijnen van het huis in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt bleven gesloten, in de vensterbank lagen vliegen. Vrijdag 4 april belde ze de politie.
De hoogzwangere mevrouw was de enige die naar hem omkeek, misschien weet ze meer van hem. Ze woont ook ergens in de De Wittenstraat, maar waar?
Agenten belden aan en bonsden op de ramen. Ze keken door de brievenbus: ongeopende post en een oude fiets versperden de hal.
De voordeur zat niet op slot, hij ging eenvoudig open. In de woonkamer troffen ze verhuisdozen aan, gevuld met spullen die nooit waren uitgepakt. Er lag niets op de vloer, de agenten liepen op het kale beton.
Meubilair ontbrak, dat was ook al zo gek. Geen tafels, stoelen of banken, geen televisie of stereoset. Slechts twee oude kasten, midden in de kamer, gevuld met oude rommel.
Vergeelde muren en plafonds. Sigarenstompjes op de grond: de kale vloer was één grote asbak. Ergens stond een vrij nieuwe prullenbak, er zat geen afval in, dat lag ernaast.
In de keuken stond een bureau met een computer die het niet meer deed. Op het fornuis een zwarte pan met de restanten van een nooit geconsumeerde maaltijd.
Het lichaam lag in wat je de slaapkamer zou kunnen noemen, op een veel te klein matrasje. Ook hier onuitgepakte verhuisdozen en sigarenstompjes op het beton.
De technische recherche kwam. Het lichaam lag er al geruime tijd, toch konden de specialisten ten slotte, mede dankzij de volle witgele baard, vaststellen dat het inderdaad meneer S. betrof.
De schouwarts vermoedde hartfalen, van doodslag of moord was geen sprake. Netjes werd het overschot in een zak gedaan. Een reinigingsdienst van de woningbouwvereniging strooide een kalkachtige substantie op de afdruk die meneer S. had achtergelaten.
Ik bel aan bij het huis links van de woning. Rechts bevindt zich de berging van een wooncomplex met acht adressen dat over het huis van meneer S. heen is gebouwd.
Een wat oudere mevrouw doet open. Ze spreekt met een Brabants accent en is duidelijk niet zwanger. Ze weet dat er pal naast haar iemand lange tijd dood heeft gelegen, de agenten die op 4 april toestroomden vertelden haar dat. ‘Het was die dag erg lastig met parkeren.’
Het nieuws over de dode verbaasde haar, want ze dacht dat het pand leegstond. Nooit heeft ze er iemand naar binnen zien gaan; zelf woont ze er al ruim vijf jaar.
Haar achtertuin is fatsoenlijk onderhouden, ik mag wel even komen kijken. Regelmatig zit ze hier op het bloemrijke terras. De tuin ernaast is een jungle, zoals ik kan zien. Tussen de brandnetels en bramenstruiken ligt onder meer een kapotte toiletbril.
Ze dacht dat de woning opgeknapt ging worden, al duurde dat dan inderdaad wel erg lang. Binnen hoorde ze ook nooit iets. ‘Geen hond, poes, kanarie of wat dan ook.’
Als ze had geweten dat er wel iemand woonde was ze zich niet zomaar gaan ‘opdringen’, tekent ze aan. ‘We zitten hier allemaal zo dicht op elkaar, je moet de privacy ook een beetje kunnen respecteren.’
Het is verschrikkelijk dat meneer S. zolang naast haar heeft gelegen. Maar misschien was het ook wel een beetje zijn eigen schuld. Hij had bijvoorbeeld best ‘bij een clubje’ kunnen gaan. ‘Ik doe bijvoorbeeld badmintonnen.’
Vorige week overleed een kennis van haar. Die wordt op dezelfde dag begraven, maar dan in Hilversum. Anders was ze misschien wel even gekomen. ‘Nu heb ik toch zoiets van: sorry, maar mijn kennis gaat voor.’
Een hoogzwangere mevrouw kent ze niet. Misschien is het iemand uit het wooncomplex.
De centrale voordeur van het wooncomplex staat open, ik kan zo naar binnen. Langs de bergingen ga ik de trap op en bel aan bij het huis dat zich boven de woning van meneer S. bevindt. Een vriendelijke jonge vrouw doet open, evenmin hoogzwanger.
Het is donker bij haar. ‘Ik heb een hersenschudding’, verklaart ze. Met Pasen zat ze in een stadsbus die plotseling hard remde. Haar hoofd sloeg tegen zo’n ijzeren staaf met een stop-knopje, een stukje van haar tand brak af.
Anders dan de Brabantse wist ze wel dat er iemand onder haar woonde. Nooit zei de man met z’n tamelijk omvangrijke gestalte iets, hooguit groette hij besmuikt. Soms zag ze hem het huis verlaten. Hij had een fiets die hij binnen stalde, maar de laatste jaren ging hij te voet.
Toen ze de woning betrok, een jaar of zes geleden, was er een probleem met een ventilatiebuis. De monteur moest ook bij meneer S. naar binnen. ‘Het stinkt daar enorm naar sigaren’, zei de monteur tegen haar. En overal stonden onuitgepakte verhuisdozen.
Het ventilatieprobleem was verholpen. Met als gevolg dat de sigarenlucht nu plotseling ook in haar huis ruikbaar was. Ze wilde meneer S. erop aanspreken maar durfde niet goed: misschien was het roken van sigaren z’n enige pleziertje.
Verder had ze op geen enkele manier last van hem. Hij leek een beetje op de kerstman. ‘Een kerstman met een scheefgezakt linkeroog’, zegt ze.
Altijd droeg hij dezelfde spijkerbroek, hetzelfde shirt dat ooit wit was geweest, dezelfde afgetrapte extra brede schoenen en dezelfde dikke grijze winterjas, zelfs bij zomerse temperaturen.
Een paar maanden geleden was de sigarengeur als bij toverslag verdwenen. Ze dacht dat hij gestopt was met roken. Na een poosje kwam er een andere lucht voor in de plaats. Ze dacht dat er iets met haar afvoer was en strooide een ontstoppingsmiddel in het doucheputje.
Vanwege de hersenschudding kan ze helaas niet naar de begrafenis gaan. Volgens haar is niemand in het complex zwanger. Misschien iemand aan de overkant?
Als ik de straat oversteek wenkt een magere man vanuit zijn portiek. Hij spreekt op fluistertoon, vanwege een gaatje in zijn keel.
De hoogzwangere mevrouw blijkt naast hem te wonen. ‘Ze is druk bezig met bevallen’, fluistert hij. Een raar idee dat de dood al die tijd zo nabij was terwijl zij leven schenkt.
De magere man weet zeker dat ze meneer S. niet kende, want niemand kende hem. Zelf woont hij hier al dertig jaar. Hij noemt meneer S. ‘die stinkerd’ en ontweek hem liefst een beetje.
Toevallig weet hij wel dat meneer S. vroeger naar buurthuis Ons Genoegen ging. Om er het bordspel go te spelen.
Ons Genoegen bevindt zich in de Jordaan. De go-spelers zijn er niet als ik het zaaltje betreed, maar ik kan wel even spreken met degene die verantwoordelijk is voor het ‘bordspelgebeuren’.
De verantwoordelijke, een man met vuurrood haar, kan zich meneer S. nog wel herinneren. Hij was een van de betere spelers, regelmatig nam hij deel aan toernooien.
Een oud overzicht komt tevoorschijn. Daar blijkt uit dat meneer S. in het voorjaar van 1991 negende werd op het Keizer Karel-toernooi in Nijmegen. In 2005 veroverde hij de vierde plek tijdens een internationale go-wedstrijd in Brussel, de heersend wereldkampioen speelde daar toen ook.
Al geruime tijd komt meneer S. niet meer bij Ons Genoegen. De bordspelverantwoordelijke weet niet precies waarom. Hij zal navraag doen bij twee oudere leden die meneer S. beter kenden.
Twee dagen later spreek ik de oudere leden. De één is klein, de ander juist opmerkelijk lang. Ze willen best wat over meneer S. vertellen maar eerst dienen de spelregels van go aan mij te worden uitgelegd.
Inmiddels weet ik dat de vader van meneer S. timmerman is geweest, zijn moeder was ‘huisvrouw’. Iemand van het Rotterdamse stadsarchief heeft dat voor me uitgezocht. Meneer S. had een oudere broer die later wiskundeleraar werd.
De broers, beiden zeer goed in rekenen, trouwden niet en kregen geen kinderen. Volgens de oudere leden was meneer S. niet geïnteresseerd in ‘het andere geslacht’.
‘Vanwege dat scheve oog en zijn flinke gewicht kwam hij waarschijnlijk niet erg aantrekkelijk op vrouwen over’, zegt de kleine. ‘Het was een betweter, niet iemand die je lang om je heen kon hebben’, zegt de lange.
Na een studie natuurkunde was meneer S. een tijdje sportvisser. In 1977 ving hij op Gran Canaria een geelvistonijn van 117 kilo, een Rotterdamse krant schreef er een stukje over.
Niet lang daarna kwam hij vreemd genoeg bij de promotieafdeling van de Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee terecht, waar men vermoedelijk geen weet had van zijn vroegere hobby.
De promotieafdeling wilde een voorlichtingscentrum laten bouwen, om het Nederlandse publiek bewust maken van het kwetsbare gebied. Het voorlichtingscentrum zou op een ponton in de Waddenzee geplaatst kunnen worden.
Het spectaculaire plan, gelanceerd in 1985, veroorzaakte zo veel ophef onder de eigen achterban, die meenden dat de bouw van een ponton en de toestroom van bezoekers niet bijdroegen aan behoud van de Waddenzee, dat de promotieafdeling per direct werd opgeheven.
Meneer S. ging de automatisering in. Hij kwam in dienst bij de Nederlandsche Instrumenten- en Electrische Apparatenfabriek (Nieaf), een elektrotechnisch bedrijf in Utrecht. Daar specialiseerde hij zich in de ontwikkeling van veilingklokken.
Deze klokken, onder meer in gebruik op de bloemenveiling in Aalsmeer, werden aangestuurd met speciale software. Met zijn team zorgde meneer S. ervoor dat ze ook op afstand konden worden bediend, een revolutionaire ontwikkeling die de ouderwetse manier van bieden – met z’n allen in een zaaltje – overbodig maakte.
In 2001 overleed de broer, terwijl hij een college aan het geven was. Datzelfde jaar werd Nieaf, al een poosje verlieslijdend, ingelijfd door Stukton Systems.
Strukton, dat opdrachten uitvoert voor ProRail, was niet geïnteresseerd in veilingklokken. De programmeurs moesten een programma ontwikkelen waarmee de vele wisselstoringen die het treinverkeer plaagden, beter konden worden voorspeld.
Meneer S. hield niet van veranderingen, de software voor wissels vond hij saai. Bij Strukton lag hij niet goed in de groep. Hij was een afwijkende verschijning met zijn ongekamde haar en slonzige kleding.
In 2004 vond een ontslagronde plaats, hij was een van de eersten die konden vertrekken. Woedend beet hij van zich af. Het afdelingshoofd, een zekere Wim, kreeg de volle laag.
Meneer S. was 49, hij solliciteerde nog wel maar werd nergens aangenomen. Hij stortte zich volledig op het spelen van go, werd zo fanatiek dat het bij Ons Genoegen spanningen teweegbracht. ‘Als iemand lang deed over een zet schoot hij uit z’n slof’, zegt de lange.
Na een incident waarbij hij een spelbord omver kieperde werd hem de toegang ontzegd. ‘Vanaf dat moment speelde hij alleen nog online’, zegt de kleine, die hem op internet nog een poosje volgde.
Intussen was meneer S., na een conflict met zijn vorige huurbaas, naar de woning in de De Wittenstraat verhuisd. Het liefst was hij nergens meer, de verhuisdozen bleven onuitgepakt.
Hij werd een soort pilaarheilige, maar dan zonder publiek. De woning veranderde in een sterfhuis, bij de artsenpraktijk waar hij stond ingeschreven kennen ze hem niet. Niemand kende hem, slechts administratief was hij nog in leven.
Begraafplaats St. Barbara, vrijdagochtend 9 mei. Met Tomas Lieske, dichter van dienst, wacht ik op de rouwauto. In de kapel zal ik onder meer Kol Nidrei van Max Bruch voor meneer S. laten spelen.
De go-spelers zijn niet gekomen, met het omver kieperen van het spelbord was hij veel te ver gegaan. Als de kist naar binnen is gedragen arriveert een man op een ov-fiets.
Het is een oud-collega van Nieaf, het bedrijf van de veilingklokken! Met meneer S. kwam hij bij Strukton Systems terecht, die door Team Uitvaarten van de gemeente Amsterdam van het overlijden op de hoogte zijn gebracht.
De oud-collega kende meneer S. niet zo goed maar zat een keertje bij hem in de auto, die niet lang daarna in de kreukels zou zijn gereden. Bij Woerden vond voor nieuwe medewerkers een excursie op het spoor plaats.
Er leek toen iets van een band te ontstaan, maar tijdens de ontslagronde beschuldigde meneer S. hem van verraad. Hij mocht alleen maar blijven omdat hij ‘aanpapte’ met Wim, het afdelingshoofd.
Die beschuldiging klopte eigenlijk wel, vertelt de oud-collega als we de kist naar het graf hebben gebracht. Inderdaad papte hij een beetje aan met Wim. Hij werkt nog steeds bij Strukton Systems, al die jaren zat het hem dwars.
Hij probeerde meneer S. nog eens op te sporen, om het uit te praten. Maar die leek van de aardbodem verdwenen.
Voor een 69-jarige eenzaam gestorven stapelkoning
Honing gelijk beklijven wij langzaam de aarde
honing glijdt van de dozen, de doeken, trekt draden
van goud langs gordijnen, rekt zich uit tot fotodunne gestalten
bij sepia ontij op zoek naar de muren waar ooit ons portret hing.
Wij zoeken ons lichaam onder het puin bedolven
altijd zijn er herinneringen die druipen van rekken
zich losrukken en verdwijnen in lucht
als geur vaag blijven hangen
En over alles de lichtende reclame van het toeval,
van de vondst, van de schok en het weten dat dit
de laatste stoel is, de laatste gedachte, het laatste
glas, de eerste verbaasde blik op de jachtvelden,
de gouden velden, de honing.
Tomas Lieske schreef dit gedicht speciaal voor de gestorvene en las het bij de uitvaart voor.
Schrijver Joris van Casteren doet in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant