Home

Ze huilde op de rand van haar bed omdat ze dacht dat ze de begrafenis van haar moeder had gemist

schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis.

Het graf van mevrouw Lagerwaard is precies wat je verwacht op een begraafplaats in Zeist die Bosrust heet. Langs het pad staan hoge sparren en dennen, tussen de graven bloeien lelietjes-van-dalen en de roze en witte bloempjes van robertskruid en bosaardbei. Verderop schiet een eekhoorn over het pad.

Mevrouw Lagerwaard deelt het graf met haar man. Haar man was een verwend jongetje. Dat vertelde ze toen we op een bankje in de tuin achter het verpleeghuis zaten. ‘Ik hield van hem, hoor, maar hij was een verwend jongetje.’

Ze had alzheimer. Op een ochtend zat ze huilend op de rand van haar bed omdat ze dacht dat ze de begrafenis van haar moeder had gemist. Ze wist dat haar moeder allang overleden moest zijn, omdat ze zelf al oud was, maar ze kon zich van haar dood of de begrafenis niets herinneren.

‘Zoiets vergeet je niet’, zei ze.

Maar zoiets vergeet je dus wel. ‘Het is niet zo dat u de belangrijkste dingen het langst onthoudt. Zo werkt alzheimer niet.’

‘Ik weet niet eens hoe oud ik ben’, jammerde ze.

‘U bent 93.’

De tv in haar kamer stond aan. Het journaal stond op, met een item over corona. We zaten midden in de eerste golf, in beeld trok een stoet lijkwagens voorbij.

‘Dat virus is dodelijk, hè? Ik hoop dat ik het krijg.’

In plastic ingepakt, met een mondkapje en een spatbril op, stond ik naast haar bed. ‘U heeft al corona, mevrouw Lagerwaard.’

Natuurlijk overleefde ze corona. Oude mensen, écht oude mensen, zijn niet voor niets zo oud geworden: ze zijn ongelooflijk sterk.

Een paar weken later mochten we weer naar de tuin. Het verpleeghuis zelf was een grauwe jarenzeventigflat, maar de tuin was zo mooi dat mevrouw Lagerwaard dacht dat ze op vakantie was als we daar wandelden. Dat merkte ik toen ze, terug op de afdeling, videobelde met haar dochter.

‘Het is hier fantastisch’, zei ze. ‘Het is mooi weer en ik heb een heel leuk vriendje gemaakt.’

In de tuin stelde ze me aan iedereen met wie we een praatje maakten ook voor als haar vriendje. ‘Ik werk hier’, zei ik dan snel, en dan keek mevrouw Lagerwaard me verbaasd aan en vroeg: ‘Werk jij hier?’

Ze woonde in het verpleeghuis waar ik stage liep toen ik net was begonnen met mijn zorgopleiding. Ik had me voorgenomen om haar na mijn stage nog eens te bezoeken, maar dat kon niet: de pandemie hield aan. Zo nu en dan zocht ik haar naam op bij Mensenlinq, omdat ik benieuwd was of ze nog leefde. De laatste keer dat ik dat deed, bleek ze drie dagen daarvoor te zijn overleden.

Bij haar graf zet ik mijn pet af en dan zie ik dat er een rupsje op de klep zit. Het is een rups van de kleine wintervlinder. In deze tijd van het jaar zie je die overal in het bos onder de bomen hangen: ze laten zich aan een zijden draad uit de boom omlaagzakken.

Ik ben blij dat mevrouw Lagerwaard hier ligt, tussen de planten en dieren. Ik vind de dood een ellendig fenomeen, maar omdat dit zo’n mooie plek is, is het toch alsof haar leven een goede afloop heeft gekregen.

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next