Filosoof Lieke Asma is een dwarse stem in de psychologie. In haar nieuwe boek, over vooroordelen, doet ze een opvallende aanbeveling voor ‘oppervlakkige filosofie’.
studeerde filosofie en is techredacteur van de Volkskrant
‘Wil je koffie of thee?’ Op bezoek bij iemand die zich een belangrijk deel van haar werkzame leven over een van de grote thema’s in de filosofie – de vrije wil – heeft gebogen, krijgt zo’n simpele vraag een fundamentele lading. Ben ik vrij om een bewuste keuze te maken of heeft mijn brein, zonder dat ik dat doorhad, de beslissing allang genomen?
Die iemand is Lieke Asma (41), schrijver van Mijn intenties en ik. Filosofie van de vrije wil (2021) en Blinde vlekken, hoe impliciete vooroordelen je (mis)leiden (2024). Beide boeken haalden de shortlist van de Socratesbeker, de jaarlijkse prijs voor Nederlandstalige filosofieboeken.
In beide werken roeit Asma tegen de stroom in, zoals het een ware filosoof betaamt. In haar debuut rehabiliteert ze de vrije wil, die door velen onder invloed van neurologische inzichten eigenlijk al in het museum van achterhaalde begrippen was gezet.
In Blinde vlekken neemt ze, zeker voor iemand die psychologie heeft gestudeerd, een opvallend standpunt in. Asma vindt dat we onnodig veel tijd en energie verspillen met het kijken naar onze psyche en alles van daaruit proberen te verklaren. Óók bij het actuele vraagstuk rondom impliciete vooroordelen en discriminatie.
Asma haalt de veelgebruikte metafoor aan van een ijsberg om de menselijke geest voor te stellen. Het deel dat boven het water uitsteekt vertegenwoordigt de psychologische toestanden waarvan we ons bewust zijn.
Een veel groter deel – het deel dat zich onder water bevindt – is in deze metafoor het onbewuste. Hier bevinden zich herinneringen, associaties, overtuigingen en motieven waar we geen, of maar moeilijk toegang toe hebben. Binnen het ijsbergmodel worden impliciete vooroordelen gezien als interne psychologische toestanden of processen die zich in dit onbewuste deel bevinden.
Ik vond het wel een aantrekkelijk beeld, die ijsberg. Het verklaart hoe het kan dat mensen vooroordelen hebben. Wat heeft u erop tegen?
‘Heel veel, eigenlijk. Zo’n model klinkt vanzelfsprekend, maar het probleem is dat het een complexe werkelijkheid reduceert tot een enkele oorzaak in ons brein. Het suggereert dat impliciete discriminatie één onbewuste oorzaak heeft die via tests achterhaald kan worden. Al onze gedragingen zijn het gevolg van onderliggende, individuele psychologische oorzaken, is dan het idee.’
U noemt in uw boek tests zoals de IAT (Impliciete Associatie Test) die iedereen zelf kan doen en die onthullen hoe ons onbewuste netwerk van associaties georganiseerd is. Bijvoorbeeld: een onbewuste voorkeur voor jonge mensen. Of voor mannen, voor witte mensen. U vindt de uitkomsten niet overtuigend?
‘De uitkomsten kunnen overtuigend lijken, maar mijn probleem ligt elders: bij de aannamen die ten grondslag liggen aan zo’n test. Net als bij het ijsbergmodel gaat die IAT uit van het idee dat mensen met een bepaalde score een essentie hebben, bijvoorbeeld dat ze impliciet racistisch zijn. Daarmee is het een test die weliswaar een patroon laat zien, maar het is onduidelijk wat de score precies zegt over werkelijke onbewuste discriminatie. Discrimineren we omdat we in essentie discriminerend zijn? Dat is voor mij niet de hamvraag.’
Wat dan wel? Wat zet u daar tegenover om het probleem van discriminatie en impliciete vooroordelen te analyseren?
‘We kunnen wel druk zijn met labels op iemand plakken, maar dat leidt af van het echte probleem. Het is veel interessanter om naar de context te kijken. Onbedoelde en onbewuste discriminatie ontstaat in interactie met onze omgeving, met andere mensen. Dáár moeten we naar kijken.’
In uw laatste boek heeft u het over het zoeken naar verloren sleutels onder een straatlantaarn, omdat daar licht is. Terwijl je ze elders hebt verloren.
‘Ja, daarmee bedoel ik dat we zoeken waar we kunnen meten. Maar nogmaals: we kunnen eindeloos testjes doen waaruit dan blijkt dat we ‘jong’ associëren met ‘aantrekkelijk’, of ‘zwart’ met ‘gevaarlijk’, maar dat zegt niets over de aard van discriminatie zelf. Het probleem is niet dat discriminatie of seksisme zich in mijn geest bevindt, maar dat we geen inzicht hebben in hoe we handelen en in welke situatie.’
U pleit voor een letterlijk oppervlakkige filosofie. Leg dat eens uit.
‘Ja, dat idee komt van Ludwig Wittgenstein (1889-1951, red.). Hij constateerde vorige eeuw al dat mensen geneigd zijn altijd maar weer naar de onderliggende oorzaken te zoeken. Naar ons brein als veroorzaker. Het verticale ijsbergmodel dus. Maar hij zei: kijk nou eens hoe ons gedrag is ingebed in de context. Begrip ontstaat dan door te kijken naar de rol van fenomenen, bijvoorbeeld discriminatie, in ons dagelijkse leven. Aan de oppervlakte dus.’
Voelt u zich meer psycholoog of filosoof? U heeft beide studies gedaan.
Zonder aarzeling: ‘Filosoof. Na mijn opleiding psychologie bleef ik met veel vragen achter. Ik had daar geleerd om alles vanuit oorzaak en gevolg te benaderen en vanuit het brein. Maar daarmee zijn we er niet. Hoe verhoudt mijn lichaam zich tot mijn geest? Ik had helemaal geen gereedschap om daar goed over na te denken. Overigens ben ik wel genuanceerder over psychologie gaan nadenken, hoor. Eerst dacht ik dat ze overal naast zat, maar dat is natuurlijk niet zo. En bij sommige filosofen denk ik ook: jullie zouden wel wat empirisch onderzoek kunnen doen.’
Hoe zit het met uw eigen vooroordelen? U geeft het voorbeeld van Latijns-Amerikaanse mannen, bij wie u zich tijdens een bezoek aan een tacorestaurant in de Verenigde Staten onveilig voelde. Wat zegt dat over u?
‘Over mijzelf niet zo veel, denk ik. Dit voorbeeld laat voor mij zien dat psychologen te gemakkelijk aannemen dat mensen zich niet bewust zijn van hun vooroordelen. Dat was ik in dit geval juist wel. Ik wist meteen: dit is belachelijk. En ik wist ook waar die vooroordelen vandaan kwamen: van series als Breaking Bad en Better Call Saul, waarin Latijns-Amerikaanse mannen gewelddadige drugsdealers zijn.
‘Mijn gevoel van onveiligheid verdween trouwens ook vrij snel toen bleek dat de mannen die ik tegenkwam juist vriendelijk waren. Dit bewijst voor mij dat het hebben van een impliciet vooroordeel geen stabiele eigenschap van een persoon is, maar juist sterk wordt beïnvloed door de context.’
En andersom? Bent u weleens slachtoffer van impliciete vooroordelen? Van seksisme?
‘Oei, dat is een lastige. Vaak weet je namelijk helemaal niet dat je slachtoffer bent, omdat je gewend bent naar de cijfers te kijken. Bijvoorbeeld: mannen slagen vaker cum laude dan vrouwen. Daaruit kun je concluderen dat mannen gewoon slimmer zijn. Of speelt er wat anders en krijgen mannen een hogere waardering omdat ze man zijn?’
En?
‘Dat speelt zeker mee, weten we uit onderzoek. Of kijk naar het gebrek aan vrouwen in de filosofie. De percentages spreken boekdelen, natuurlijk. Zelf vraag ik me vaak genoeg af: waarom ben ik nou niet aangenomen voor die baan? Of: waarom schiet bij sommige mannen de carrière veel sneller de lucht in dan bij vrouwen die ik ken? Het blijft gissen natuurlijk. Het punt is: als je zelf in een bepaalde machtspositie zit, heb je die patronen niet door. Mijn vriend is Hindoestaans en door hem heb ik echt een ander wereldbeeld gekregen. Ik heb onderschat hoe ik bepaalde dingen niet zie omdat ik wit ben. Op basis van zijn huidskleur wordt hij anders benaderd.’
Over het gebrek aan vrouwen in de filosofie: toen ik in de jaren negentig filosofie studeerde, was ik me daarvan niet bewust. Mijn scriptie stond vol met witte mannen: Aristoteles, Hegel, Schopenhauer, Nietzsche, Levinas. Is dat erg?
‘In mijn tijd was het niet veel anders, hoor. En nog steeds denken veel mensen bij filosofen aan mannen met indrukwekkende witte baarden. Is het erg? Nou ja, je mist daarmee allerlei interessante denkers. In mijn boeken noem ik ook veel vrouwelijke filosofen. Wat ook meespeelt, is dat mensen zich gaan gedragen naar de voorbeelden die ze zien. O, filosofie zal wel niets voor mij zijn, denkt een meisje dan.’
U besloot uw proefschrift over het vraagstuk van de vrije wil te schrijven. U dacht niet: hier hebben zich al zo veel wijze mannen mee beziggehouden, ik kies iets anders?
‘Haha, nee hoor, geen moment. Al heel lang ben ik gefascineerd door de vraag hoe we tot beslissingen komen en hoe we worden beïnvloed. Maar ik zie mezelf niet op mijn 70ste nog presentaties geven waarin ik steeds dezelfde theorie verkondig.’
Toch geeft Asma, onder andere aan de hand van de relatief onbekende filosoof Elizabeth Anscombe (1919-2001), blijk van een uitgesproken visie over de vrije wil. Die gaat in tegen verschillende dominante stromingen waarin het brein, met al zijn miljarden neuronen en biljoenen synapsen, de hoofdrol speelt.
Asma keert zich in haar boek tegen de zogenoemde fysicalisten, die het brein zien als een fysiek object waarin biologische, chemische en natuurkundige processen plaatsvinden. Onze gedachten, gevoelens en handelingen zijn volgens hen terug te voeren op de fysieke werkelijkheid. Het logische gevolg: met vage termen als ziel, bewustzijn of wil kunnen ze niets.
Deze benadering heeft de wind mee. Beroemd, tot aan de borreltafel, is het experiment van Benjamin Libet (1916-2007). Deze invloedrijke Amerikaanse neurowetenschapper wilde de vrije wil wetenschappelijk onderzoeken door te kijken naar het ontstaan van een eenvoudige, vrijwillige lichaamsbeweging.
Proefpersonen moesten hierbij een polsbeweging maken op het moment dat ze de aandrang voelden om dat te doen. Ook moesten ze aangeven wanneer ze zich bewust werden van hun intentie die beweging te maken. Tijdens het experiment werd hun hersenenactiviteit gemeten.
Lang verhaal kort: uit Libets experiment kwam naar voren dat er al sprake is van een opbouw van hersenactiviteit vóórdat de proefpersonen zich bewust waren van hun intentie.
De conclusie van Libet en vele anderen na hem luidt dan ook dat vrije wil niet bestaat. We hebben alleen de illusie van een vrije wil; de mens is slechts toeschouwer van de beslissingen die onze hersenen allang hebben genomen.
U bent niet overtuigd door het experiment. Waarom niet?
‘Omdat het een erg kunstmatige setting is die niet overeenkomt met hoe we doorgaans in de praktijk handelen, zoals wanneer we een maaltijd koken of naar ons werk fietsen. In het experiment beloof je vooraf dat je géén bewuste keuze zult maken, maar elke aandrang direct omzet in een polsbeweging. Je hebt dus vrijheid weggestreept voordat de meting begint. Ja, dan is het logisch dat de conclusie luidt dat we geen vrije wil hebben.’
U schrijft ergens: we hebben een complexer wereldbeeld nodig dan de causale handelingstheorie. Die stelt dat handelingen altijd worden veroorzaakt door een bepaalde psychologische toestand. Die theorie is te simpel?
‘Op zichzelf is er niets mis met een elegante, simpele theorie, natuurlijk. Maar mijn probleem is dat deze theorie het unieke karakter van handelingen miskent door ze te reduceren tot gebeurtenissen die causaal verklaard worden door voorafgaande mentale toestanden in ons brein. Het is een reductionistisch mensbeeld waarin zelfbepaling en vrije wil bij voorbaat onmogelijk zijn.’
De wetenschap schiet hierin tekort, vindt u. Hoe?
‘Bij mijn definitie van vrije wil leun ik sterk op de theorie van Anscombe: het vermogen om omwille van redenen te handelen. Ik doe iets met een reden. Het overkomt me niet. Het objectieve, neutrale, externe perspectief van de wetenschap schiet hierin tekort. Waarom doe ik iets? Ik denk dat die vraag het best te begrijpen is vanuit mijn eigen ervaring en onze gedeelde sociale werkelijkheid.’
En niet vanuit hersenonderzoek?
‘Nee. Zo’n experiment van Libet heeft helemaal niets te maken met de keuzen die we in het dagelijks leven maken, met de handelingen die we verrichten binnen een bepaalde context. Dat wordt allemaal voor het gemak maar even tussen haakjes gezet; de proefpersoon volgt nauwgezet de instructies die het wereldbeeld van de onderzoekers reflecteren. Het beginpunt staat vast: iets kan pas waar zijn als we het in het lab kunnen aantonen. Dat is al een filosofische keuze. Op de een of andere manier leven we nu in een wereld waarin die keuzen niet meer onderbouwd hoeven te worden.’
Waarom is dat zo, denkt u?
‘Misschien omdat wetenschap onze nieuwe religie is geworden? Ik weet het niet. In elk geval zijn we erg gewend aan het idee dat alles meetbaar en objectiveerbaar moet zijn en dat we af moeten van het eigen perspectief. De aanname is telkens dat we iets pas echt begrijpen als we ontdekt hebben hoe het met fysieke processen samenhangt. We gaan de werkelijkheid niet doorgronden als we alles wat we niet begrijpen als illusie wegzetten.’
Voelt u zich niet ongemakkelijk bij uw kritiek in een wereld waar de wetenschap toch al onder vuur ligt? Kijk alleen al naar de aanvallen vanuit de huidige Amerikaanse regering.
‘Er is heel veel onterechte kritiek, zeker. Veel mensen snappen ook niet goed hoe wetenschap werkt en denken bijvoorbeeld dat het een bolwerk is waar mensen het allemaal met elkaar eens moeten zijn. Natuurlijk ben ik niet anti-wetenschap. Maar een deel van de kritiek kan ik wel plaatsen. Misschien is sommige wetenschap wel te ver verwijderd van de praktijk? Mijn andere punt is dat wetenschappers heel goed moeten nadenken over de aannamen die ze doen. Kijk naar het onderzoek over vrije wil.’
Die volgens u dus wel bestaat. Is die vrije wil eigenlijk absoluut?
‘Nee, zeker niet. Zoals ik al zei: vrije wil is ons vermogen om omwille van redenen te handelen. Dat vermogen groeit of krimpt met de omstandigheden waarin we ons bevinden. Ik vind het niet zo interessant om heel hard te zoeken naar de plekken waar vrije wil niet bestaat.’
Hebben sommigen dan meer vrije wil dan anderen?
‘In zekere zin wel. Wie minder stress heeft, meer geld of steun ontvangt, kan meer alternatieven overwegen. Vrijheid is dus ongelijk verdeeld en dat is precies waarom dit een ethisch vraagstuk is.’
Voor mezelf heb ik de metafoor van een rijdende trein. Ik kan ervoor kiezen naar voren te lopen, naar de restauratie, of naar achteren, waar het wat rustiger is. Maar die trein dendert door. Zoiets?
‘Nou, daarmee misken je dat we niet allemaal in dezelfde trein zitten.’
Oké, en los van de omstandigheden waarin je bent opgegroeid? Zijn we dan even vrij?
‘Nee, vrijheid om te handelen is niet iets wat zomaar vanzelf gaat. Ik ben het met filosoof en schrijver Iris Murdoch eens dat het een prestatie is om vrij te zijn. Je moet kiezen, natuurlijk binnen de beperkingen die er zijn, met de vaardigheden en vermogens die je hebt. We worden niet zomaar aangeduwd door iets, we zijn geen biljartbal die in beweging komt omdat een andere tegen ons aanbotst. Nee, we werpen onszelf naar de toekomst.’
Asma’s eigen toekomst ligt binnenkort deels in Duitsland, waar ze in Hannover aan de Universiteit van Leibniz gaat lesgeven. Over vooroordelen en discriminatie. Met die aandachtsgebieden is een professioneel verblijf in de Verenigde Staten in het huidige klimaat ondenkbaar. Over vrijheid gesproken.
En verder? Asma eindigt haar laatste boek met Iris Murdoch, die in haar ethiek termen als aandacht en liefde centraal stelt. Asma schrijft: ‘Onze aandacht moet niet uitgaan naar onszelf, maar naar de wereld om ons heen. De grote uitdaging is om met liefde naar de wereld om ons heen te kijken.’
Het is geen oproep tot naïviteit, schrijft u. Maar wat wel?
‘Ik denk dat het uiteindelijk neerkomt op nieuwsgierigheid. Als je jezelf helemaal isoleert en nooit met iemand praat, ja, dan kan je lekker gaarkoken in je eigen vooroordelen en stereotypen en verwachtingen. Blijf de mogelijkheden van de ander zien. Blijf praten.’
CV Lieke Asma
22 januari 1984 Geboren in Rossum, Overijssel.
2013-2018 Promotieonderzoek aan de VU Amsterdam. Titel: Consciousness in Intentional Action.
2018-2024 Postdoctoraal onderzoeker aan HFPH München. Vanaf oktober 2021 eigen onderzoeksproject ‘Implicit bias: What are we missing?’.
2021 Boek Mijn intenties en ik – Filosofie van de vrije wil (shortlist Socratesbeker).
2024 Boek Blinde vlekken – Hoe impliciete vooroordelen je (mis)leiden (shortlist Socratesbeker).
2025-2029 Docent en onderzoeker aan de Universiteit van Leibniz in Hannover.
Lieke Asma woont in Amsterdam met haar partner.
Lieke Asma: Blinde vlekken – Hoe impliciete vooroordelen je (mis)leiden. Boom; 256 pagina’s; € 24,90.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant