is natuurkundige, oud-politicus en columnist van de Volkskrant.
Het is op het nippertje goed afgelopen. Het destructieve NSC-amendement op de pensioenwet werd dinsdag met 73 tegen 72 stemmen verworpen. De uitkomst is reden voor een zucht van verlichting, omdat een cruciale hervorming waarmee ons pensioenstelsel toekomstbestendig blijft, toch door kan gaan. Maar de manier waarop is aanleiding voor grote zorg.
Het amendement, dat de illusie van individuele inspraak in de vormgeving van een collectieve voorziening verkocht, was met name op sociale media buitengewoon populair. Drie regeringspartijen en de grootst mogelijke minderheid van Kamerleden kozen blijkbaar liever voor die positieve feedbackloop op hun eigen schermpjes dan voor een ingewikkeld uit te leggen maar noodzakelijke structuurversterking van ons land. Een voorlopig dieptepunt in een zorgwekkende ontwikkeling.
De voorspoed van een land is afhankelijk van vele omstandigheden, maar een niet te onderschatten factor is het vermogen van het landsbestuur om de lange termijn te laten prevaleren boven onmiddellijke bevrediging.
Dat vraagt veel van onze volksvertegenwoordiging, want in vrijwel alle gevallen vergt het toekomstbestendig maken van ons land besluiten en hervormingen die in hun voorbereiding, implementatie en uitvoering meerdere kabinetsperioden omvatten. Het diverse gezelschap van parlementariërs van alle gezindten, overtuigingen, achtergronden en stijlen, moet dus de wil én de capaciteit hebben om een breed gedragen consensus te ontwikkelen over wat er moet gebeuren, en die ook nog over een langere periode vast te houden.
Ondanks permanent gemopper op ‘Den Haag’ is dat ons kleine landje lange tijd best aardig gelukt. Onze gehele sociale welvaartsstaat is opgebouwd door brede coalities van politieke stromingen die op gezette tijden bereid waren hun achterbannen te overtuigen van maatregelen die voor hen niet onverdeeld voordelig uit zouden vallen.
Ook in deze eeuw werd die traditie voortgezet. Het nieuwe belastingstelsel, de nationale politie, de zorgverzekering, het energieakkoord, de invoering van de Participatiewet. Het is maar een greep uit de grote en moeilijke besluiten die de eerste vijftien jaar van deze eeuw zijn genomen. Ook in een periode dat de politiek zeer verdeeld was, zoals onder Rutte I, lukte het een brede Kamermeerderheid bijvoorbeeld om het eens te worden over de verhoging van de AOW-leeftijd.
De na veel soebatten overeengekomen besluiten waren allesbehalve foutloos, noch immuun voor nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Verre van dat. Maar de collectieve verantwoordelijkheid die de politiek nam voor de invoering, zorgde later ook voor de wil om gezamenlijk aan verbetering te blijven werken, daarbij democratisch meeverend op de tijdgeest, soms meer solidariteit en compassie organiserend, dan weer strenger en individualistischer. Het land is nooit af.
En dat geldt zeker op dit moment. Nederland loopt ruimtelijk totaal vast zonder moeilijke besluiten op het gebied van stikstof, natuur en woningbouw. Zonder investeringen in energie-infrastructuur, industrie en innovatie lopen we straks ook economisch vast. En zonder een versterking van de publieke sector en een rechtvaardiger balans tussen de verdiencapaciteit van arbeid versus kapitaal, loopt het land sociaal uit de rails.
Politiek vermogen om de toekomst verkiezen boven het heden was in de naoorlogse geschiedenis zelden harder nodig dan nu.
Daarom is het zo zorgwekkend dat juist nu het vermogen daartoe tot het nulpunt lijkt te zijn gedaald. Deze coalitie krijgt vrijwel niets uit haar handen, zo blijkt pijnlijk uit een compleet lege Eerste Kameragenda. Er zijn geen wetten om te behandelen. Vorige maand liep de voorjaarsnota uit op een farce waarin het ieder voor zich en vandaag boven morgen was.
De soap rond de pensioenwet onderstreept nog eens hoe groot het probleem is. Als je nota bene als regeringspartij sabotage pleegt op een consensus die na tien jaar intensief overleggen is gevonden, dan neem je je opdracht niet serieus. Vooruitgang wordt niet geboekt door politici die achteromkijkend alsnog hun gelijk willen halen.
Dat nieuwe politieke groeperingen het anders willen doen dan de traditionele partijen waarvan ze zetels hebben veroverd, is begrijpelijk. Dat daarbij in reactie op technocratie en achterkamertjes, meer confrontatie en scherpte wordt gezocht eveneens. Electoraal is het ook nog eens een goed verdienmodel. Maar wie om die reden de opdracht om dit land verder te brengen geheel overboord gooit, verdient de kiezersgunst gewoon niet. Afwachten of de kiezer daar straks ook zo over denkt.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns