In haar advies over het demonstratierecht gaat de Inspectie JenV voorbij aan het gevoeligste punt: de houding van de politiek.
De interpretatie van het demonstratierecht is nogal onderhevig aan de tijdgeest. Tot in de jaren zestig was het duidelijk: de politie was er om ordeverstoringen zo snel mogelijk de kop in te drukken, beschrijft de Inspectie Justitie en Veiligheid in haar vorige week verschenen rapport Faciliteren of begrenzen?
Met de opkomst van de jeugdcultuur nam het aantal demonstraties daarna snel toe. Met harde confrontaties tot gevolg, omdat in de meeste stadhuizen en politiekorpsen de opvattingen uit de jaren dertig nog dominant waren.
Pas toen de protestgeneratie zelf doordrong tot leidende functies schakelde de politie, met vallen en opstaan, over op een pragmatischer aanpak. De-escalatie werd de belangrijkste ambitie: contact leggen met demonstranten, vragen wat ze willen, afspraken maken, ruimte bieden – ook aan eigen ordediensten – en pas ingrijpen als het echt uit de hand liep.
Dat heeft een halve eeuw lang prima gewerkt, maar nieuwe tijden zijn aangebroken. De cocktail van digitalisering, individualisering en groeiend wantrouwen tegen de overheid leidt niet alleen tot veel meer demonstraties, maar ook tot ándere demonstraties. Voor het mobiliseren van grote groepen mensen is geen sterke organisatiestructuur meer nodig. Een mobiele telefoon kan genoeg zijn. Demonstraties zijn spontaner en veelvormiger geworden. Maar vanuit het perspectief van de politie ook ongrijpbaarder. Vaak is niet eens meer duidelijk wie de organisator is en of die wel invloed heeft op het gedrag van de deelnemers.
Als er dan ook nog sprake is van diep wantrouwen tegen de overheid – en de politie daarvan het gezicht is – blijft er weinig over van het aloude overlegmodel. Agenten komen voor de onmogelijke opdracht te staan om demonstraties te ‘faciliteren’ van mensen die niets met de politie te maken willen hebben. Deelnemers op hun beurt reageren verontwaardigd als agenten die eerst nog wilden overleggen zich opeens tegen hen keren. Er zijn al bijna wekelijks aanvaringen.
De Inspectie vindt dat het tijd is om het met alle betrokkenen opnieuw eens te worden over wat er van de politie wordt verwacht bij demonstraties. Bij de korpsen zelf, bijvoorbeeld, blijkt kennis van het demonstratierecht niet overal sterk ontwikkeld. Dat leidde onder meer tot de gang van zaken in Staphorst, waar de politie in 2022 te lang toekeek hoe anti-Zwarte Piet-activisten door tegenstanders werden belaagd. Vandaar de aanbeveling van de Inspectie om in nieuwe afspraken nog eens te benadrukken dat bij ‘faciliteren’ in elk geval hoort dat de veiligheid van demonstranten moet worden beschermd, ‘welk oordeel zij ook uitdragen’.
Helaas gaat het advies daarmee wel voorbij aan het gevoeligste punt. Uiteindelijk wordt de houding van de politie mede bepaald door de houding van de politiek. Daar wordt de toon gezet. Als de Tweede Kamer het demonstratierecht niet consequent met overtuiging verdedigt, gaan agenten vanzelf schuiven met de normen.
Nu de dominante partijen op het Binnenhof doorgaans zeer selectief reageren op ontsporingen van demonstraties en sinds het aantreden van de huidige regering vooral aandringen op beperkingen van het demonstratierecht, zullen eventuele nieuwe afspraken die deze regering voor zich ziet nauwelijks leiden tot wat meer ontspanning op straat.
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant