Home

Vechten om te overleven: middelgrote defensiebedrijven in Nederland dreigen ten onder te gaan

Door de geopolitieke spanningen lijken het gouden tijden voor de defensie-industrie. Maar de werkelijkheid is voor middelgrote defensiebedrijven heel anders: faillissementen dreigen. ‘Het is een rare tijd, de orders blijven uit.’

is economieredacteur. Hij schrijft over het grote geld en corruptie.

In een nieuw gebouwde fabriekshal bij het Limburgse plaatsje Neer staan een paar enorme machines als mammoeten te wachten op de dingen die komen gaan. Hier, zo was de bedoeling, zouden ze dikke stalen platen gaan doorboren, buigen en frezen tot onderdelen van tanks en pantservoertuigen. Maar de meeste apparaten staan stil. Bij gebrek aan militaire opdrachten maken ze hier nu vangrails.

‘We waren helemaal klaar voor de verwachte stroom werk’, zegt bedrijfsleider Jochen Homburg. Bijna drie jaar geleden, in de maanden na de grootschalige Russische inval in Oekraïne, zegde hij zijn baan bij chipmachinefabrikant ASML op om met zijn Duitse middelbareschoolvriend Felix Urban deze nieuwe vestiging te bouwen van Urban Industries, bewerker van pantserstaal.

‘Iedereen riep dat de Europese defensiecapaciteit moest worden uitgebreid’, zegt Homburg. ‘Wij gaven daaraan gehoor. Het was deels idealisme. Ik zag wat er in Oekraïne gebeurde. Ik wilde bijdragen aan de defensie van Europa.’

Nu, drie jaar later, dreigt een faillissement. Het bedrijf heeft uitstel van betaling gekregen: als er over twee maanden geen nieuwe financier is gevonden, valt het doek.

Urban Industries is niet de enige. Defenture, dat in Tiel lichte legervoertuigen bouwt, viel vorige maand bijna om door liquiditeitsproblemen. Ook andere middelgrote defensiebedrijven kampen met uitblijvende orders, achterblijvende financiering en een ministerie van Defensie dat karig aanbetaalt. Daardoor komt de uitbreiding van de defensiecapaciteit in Nederland maar moeilijk van de grond.

Defensiebedrijven zijn kwetsbaar

‘Ministers en andere bewindspersonen hebben het graag over strategische autonomie en een weerbare economie’, zegt de directeur, die anoniem wil blijven, van een werf die kleine marineschepen bouwt. ‘Maar er zit een enorme discrepantie tussen die woorden en de praktijk. Veel defensiebedrijven zijn kwetsbaar.’

‘De overheid kan niet op voorhand beloven dat een contract naar een bepaald bedrijf gaat’, zegt Hans Huigen van de vereniging van defensiebedrijven NIDV. ‘Veel ondernemingen zijn op zoek naar continuïteit. Maar er is vaak geen langjarige orderpijplijn, of een breed raamcontract met een bedrijf. Daardoor is het lastig om financiers te vinden en te investeren, vooruitlopend op een order.’

Het zijn geluiden die haaks staan op de militair-economische hausse die de afgelopen jaren op gang is gekomen. Nederland en andere Europese landen zijn veel meer gaan investeren in hun legers, en zich bovendien bewust geworden dat die spullen steeds meer uit Europa zullen moeten komen. Volgens een recent rapport van het adviesbureau Berenschot is de omzet van de Nederlandse defensiebedrijven tussen 2021 en 2024 verdubbeld van 4,7- naar 9,3 miljard euro.

Veel van die extra omzet komt echter bij een relatief beperkt aantal grote spelers terecht. Zo kon scheepsbouwer Damen veel orders bijschrijven door de vervanging van de Nederlandse marinevloot. Ook radarbouwer Thales, een andere grote speler, haalde veel extra werk binnen. Kleinere bedrijven moeten het met de kruimels doen. En die zijn niet genoeg.

Hoe kan dat?

Orders blijven uit

‘Kijk, hier zouden de wc’s komen’, wijst Jochen Homburg van Urban Industries, terwijl hij door de hal in Neer loopt. Uit de bodem van de fabrieksvloer steken alleen de aansluitingen op de riolering omhoog. Een paar meter daarboven staat op een stellage de installatie die stikstof uit de lucht haalt voor de lasermachine in de fabriek. Zo wilde Homburg de ruimte zo effectief mogelijk benutten: hij had een hal vol machines, plaatstaal en halffabricaten verwacht. Nu weerkaatsen zijn voetstappen in de leegte. ‘We hebben geen geld voor de wc-potten.’

Felix Urban had al een metaalbewerkingsfabriek in Duitsland, toen Rusland de grootschalige oorlog in Oekraïne begon. Intuïtief zag hij kansen. Deze oorlog zou ook de Europese defensie-industrie gaan veranderen. Dus had hij meer productiecapaciteit nodig, voorzag hij, en wilde die in Nederland gaan zoeken. Hij haalde zijn oude vriend Homburg over om bij ASML te vertrekken en de leiding te nemen over het project.

Homburg vond een lege hal met een groot stuk braakliggend terrein in een dorpje aan de Maas net boven Roermond (‘Hier is de grond relatief goedkoop en hier zijn mensen die allemaal weleens aan een carnavalswagen hebben gesleuteld, die kunnen met hun handen werken’). Die bestaande hal wilde hij uitbouwen om daar onderdelen voor tanks te gaan fabriceren.

‘Ik dacht: misschien zijn we te laat’, zegt Homburg. ‘Er werd toen zo veel gepraat over opschaling van de defensie-industrie. Ook over de aanschaf van tanks. Ik vreesde dat we achter het net zouden vissen.’

Dat viel mee. Of beter gezegd: dat viel tegen. ‘Het is een rare tijd, zegt Urban. ‘Volgens mij hebben we alles goed gedaan. Maar de orders blijven uit.’

Duitsland bestelde tientallen nieuwe Leopard-tanks en afgelopen najaar kocht ook Nederland 46 nieuwe tanks. Urban had verwacht dat die bestellingen ook bij hem tot opdrachten zouden leiden. Dat verwacht hij nog steeds, alleen duurt het langer dan gedacht. En dus kon hij vorige maand de rekeningen niet meer betalen.

‘Misschien waren we juist te vroeg’, zegt Homburg.

Opdrachten landen vooral bij grote spelers

De defensie-industrie heeft een hiërarchie waarin de grote opdrachten vooral bij de grote spelers terechtkomen, die het werk vervolgens naar beneden laten sijpelen waar het bij leveranciers en hun onderaannemers terechtkomt. In de Nederlandse staalindustrie behoren VDL in Weert en Van Halteren in Bunschoten tot die eerste categorie leveranciers. Urban behoort tot de tweede categorie: een zogeheten tier-2-speler.

‘Het probleem is dat de grote jongens eerst hun eigen machines vullen’, zegt Urban. ‘Wij krijgen de restjes. Je maakt een keer vijf onderdelen, dan een keer tien onderdelen. Er zit weinig continuïteit in. Zo blijft het bestaan onzeker.’

Grotere spelers krijgen contracten waarmee ze twee of drie jaar vooruit kunnen. Dat betekent dat ze op een continue geldstroom kunnen rekenen, wat weer zekerheid biedt aan investeerders. Daardoor kunnen die bedrijven makkelijker geld ophalen om zelf vooraf te investeren in machines, personeel en de inkoop van grondstoffen. Voor de nieuwe fabriek van Urban geldt dat niet. ‘Wij konden in Nederland niet eens een bankrekening openen. Laat staan dat we met onze smalle opdrachtbasis een lening konden krijgen.’

Weinig zekerheid vanuit de overheid

Andere MKB-bedrijven ervaren vergelijkbare problemen. Ook als de opdrachten rechtstreeks van het ministerie van Defensie komen, zijn ze vaak van korte duur, en blijft de hand van de ambtenaren op de knip. De overheid werkt met aanbetalingen van zo’n 10 procent, terwijl de bouwers veel meer geld moeten uitgeven om hun bestellingen te kunnen plaatsen: grondstoffen, halffabricaten, andere spullen. En zij kunnen niet op krediet kopen.

Dat betekent dat ze leningen moeten zien los te peuteren. Banken zijn daar niet happig op. Ten eerste omdat deze bedrijven met hun kortademige orderboek zo op het oog weinig zekerheid bieden. En ten tweede omdat ze militaire spullen maken. Dat betekent dat er veel extra onderzoek door banken nodig is om te achterhalen of het allemaal wel koosjer is. Dat kost zo veel dat de opbrengst van de lening er voor een groot deel door wordt tenietgedaan.

Zo’n karige kasstroom bracht ook de Tielse militaire voertuigbouwer Defenture in de problemen. Ondanks het goed gevulde orderboek gingen de kosten dermate voor de baten uit dat de kas begin dit jaar zo goed als leeg was. Uiteindelijk besloten de bestaande financiers miljoenen werkkapitaal bij te leggen, omdat ze anders helemaal naar hun geld hadden kunnen fluiten.

Externe geldschieters

Maar niet iedereen heeft zulke, al dan niet door de omstandigheden gedwongen, genereuze suikerooms. Dus zoeken veel bedrijven hun toevlucht bij externe geldschieters. Die zien in de eerste plaats het risico (weinig opdrachten en/of weinig geld) en willen daarvoor worden beloond, in de vorm van een paar procentpunten extra opbrengst voor hun lening. Het gevolg daarvan is dat de kosten voor het bedrijf in kwestie weer wat hoger worden, waardoor het lastiger concurreren is met buitenlandse bedrijven die vaak wel worden gesteund door de overheid.

‘Wat wij nodig hebben’, zegt de directeur van een bedrijf dat aan de marine levert, ‘is meer vertrouwen. Laat het ministerie maar in onze boeken kijken. Dan zien ze dat we geen gekke dingen doen. En dan kunnen ze hogere aanbetalingen doen of ons garanties geven, zodat wij geld hebben om onze leveranciers te betalen, en niet de hele tijd hoeven te puzzelen waar we het geld vandaan moeten halen. Ik snap heel goed dat dit om belastinggeld gaat dat verantwoord moet worden besteed. Maar het is toch ook raar dat de overheid van ons vraagt om geld voor te schieten voor spullen die zij zo hard nodig heeft?’

‘Vroeger moesten we aan het bedrijfsleven uitleggen hoe de overheid werkt’, zegt Hans Huigen van de NIDV. ‘Nu moeten we aan de overheid uitleggen hoe het bedrijfsleven werkt. Ja, jullie willen risicoloos geld verdienen, zeggen ze dan. Nee, het probleem is dat het risico juist te groot is met maar één eindklant, het ministerie van Defensie. Als we willen dat de industriële defensiecapaciteit omhoog gaat, dan zal de overheid daar mede de voorwaarden voor moeten scheppen.’

Civiele opdrachtgevers

Risicoloos? Bij Homburg stond al een man van een uitzendbureau voor de deur die dreigend met zijn vuist in zijn hand sloeg omdat hij zijn geld wilde hebben. ‘Dan zeg ik: dan moet je bij de curator zijn’, zegt Homburg. ‘Ik vind het het ergste voor mijn mensen, die nu in onzekerheid verkeren.’

Urban en Homburg hebben tot eind juni de tijd om een nieuwe financier te vinden. Er hebben zich, na een artikel in Bild Zeitung, ruim dertig gegadigden gemeld. Nu zoeken de ondernemers uit wat voor voorwaarden zij stellen. Ze zien alle grond voor een doorstart. ‘Ik zit al 21 jaar in deze business, we zijn de afgelopen vijf jaar steeds met 15 procent gegroeid, en we hebben maar een paar miljoen nodig – waar hebben we het nou helemaal over?’

Intussen gaat het werk nog wel door. Dankzij twee klanten redden ze het nog. De ene is een Koreaanse tankleverancier, voor wie ze hier in Limburg de stalen lamellen maken van de ventilatie. Voor de andere klant maken ze vangrails en speciale barrières die op marktpleinen en in winkelstraten uit de grond omhoog komen om terroristen tegen te houden die bijvoorbeeld met een auto een aanslag willen plegen.

‘Dit zijn toch ook prachtige producten’, zegt Homburg, terwijl hij zijn hand over de stalen balken laat gaan. ‘Wat mij betreft gaan we vooral door met civiele opdrachtgevers. Veel relaxter. Die defensie kan me wat. Geen peil op te trekken.’

Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next