Home

‘Na de dood van mijn vader waren er dagen dat we niets te eten hadden’

Johan Engwerda is 100 jaar. Hoe kijkt hij aan tegen de eeuw die achter hem ligt?

‘Loop eerst even mee’, zegt Johan Engwerda bij binnenkomst. Steunend op een stok gaat de 100-jarige voor naar de achtertuin, met een zee aan bollen in volle bloei. Hij wijst naar een vierkant perkje met tientallen geurende hyacinten in blauw, wit en zalmroze. ‘Dit is mijn keukenhof voor Gesina’, klinkt het met een snik in zijn stem. Gesina is de vrouw met wie Engwerda 70 jaar getrouwd was en die hij sinds een halfjaar missen moet.

Hoe is het voor u om na 70 jaar zonder uw vrouw te zijn?

‘Het is voorbij, voorbij, voorgoed voorbij. De moeilijkste momenten zijn als ik op bed lig, met haar wil praten en mij realiseer: o nee, Gesina is er niet meer. Heel akelig. We konden zo goed praten samen. Ze was niet ziek, haar hart kreeg het steeds moeilijker. Terwijl ik naast haar lag, mijn hoofd tegen haar schouder, is ze 13 oktober 2024 langzaam weggegaan. Op haar begrafenis heb ik voor haar gezongen.’ (Hij gaat staan, pakt een dikke liedbundel en zingt met een heldere, krachtige stem een gregoriaans lied): ‘In paradisum deducant te Angeli (...). Dat de engelen je naar het paradijs mogen begeleiden, betekent dat.

‘Ik sprak Gesina in 1951 aan toen ik voor het eerst naar dansles ging. De volgende dag zijn we samen gaan fietsen. Op de hei van Hilversum hebben we elkaar voor het eerst gezoend. Ik zei haar dat als ze met mij wilde gaan, ze wel van zeilen moest houden, omdat ik als echte Fries vaak op het water was met mijn zeilboot. We hebben eindeloos veel gezeild, later ook met onze kinderen, en gefietst, op het laatst allebei op een elektrische driewieler. Onderweg waren we altijd op zoek naar bloemetjes in het wild, we noteerden welke we hadden gezien.

‘Aan Gesina heb ik te danken dat ik na mijn pensioen ben gaan studeren aan de Universiteit Utrecht. Ze deed de moedermavo en vertelde dat ze een heel interessant vak kreeg: kunstgeschiedenis. Daar had ik als techneut nog nooit van gehoord. Ik was meteen geboeid en besloot dat vak te gaan studeren. Voor mijn scriptie heb ik met Gesina drie maanden lang in een caravan de postkantoren in Friesland bezocht om de architectuur te bestuderen. Gesina noemde op wat ze zag, en ik schreef het op. Ik kreeg een 10 en droeg mijn scriptie aan haar op.’

Van wie heeft u het meest geleerd?

‘In de eerste plaats van mijn moeder. Zij wist alles, kon alles en wou alles. Ze klom zo het dak van ons huisje op om de schoorsteen te vegen. Ze had een fototoestel waarmee ze prachtige foto’s maakte. Ik mocht haar onder de tafel helpen met ontwikkelen en afdrukken, dat kon ze ook. Dankzij mem heb ik veel foto’s van mijn jeugd en ben ik zelf ook gaan fotograferen. Ook kon ze mooi zingen, ze leerde mij alle Friese liedjes. Ze las veel en kon goed schrijven, dat kun je zien aan de briefwisseling met haar in de drie jaar na de oorlog dat ik in Nederlands-Indië moest dienen.

‘Ik was 6 jaar toen mijn moeder mij op een ochtend wakker maakte en zei: Heit is dea – vader is dood. Ik schrok verschrikkelijk. Hij had tbc en longontsteking. Zijn dood was een ramp voor ons gezin met vijf jonge kinderen; ik was de een na jongste. Het was crisistijd, onze grote boerderij in Vroomshoop met vee, een grote tuin en een appelhof kon mijn moeder niet in haar eentje volhouden. Na een jaar werd het bedrijf failliet verklaard en moest ze alles afstaan, zelfs het paard, onze hond en haar sieraden.

‘Berooid keerden we terug naar mijn geboortedorp Sint Nicolaasga, waar we in een heel klein huisje gingen wonen en jarenlang straatarm zijn geweest. Er waren dagen dat we niets te eten hadden. Van de gemeente kregen we 8 gulden per week en zondags kwam na de hoogmis iemand van de kerk ons 100 centen brengen. Mijn moeder ging werken als baker, mijn acht jaar oudere broer kon wat geld verdienen met het legen van melkbussen in een melkfabriek. Ik weet nog dat ik achter op de fiets bij een zus naar een dorp verderop ging, waar je gratis margarine kon krijgen. Ik schaamde me dood.

‘Mijn moeder wist ons leven ondanks de armoe leuk te maken. Elke avond voor het slapengaan moesten we allemaal naar het hûske, ons toilet buiten. Daar in het pikkedonker liet ús mem ons naar de sterrenhemel kijken: ‘Kijk, daar staat de Poolster, daar Jupiter, dat is de Grote Beer, de Kleine Beer en het Zevengesternte’. Ze wist alle sterren bij naam.

‘In de eerste klas van de lagere school had ik juffrouw Althof, een uitgetreden non die zich over mij ontfermde. Na schooltijd nam ze mij mee de wei in om bloemetjes te plukken. Thuis maakte mijn moeder ze plat tussen kranten met een steen erop. Ik ben mijn leven lang bloemetjes blijven zoeken, plukken en bewaren in een herbarium. In de derde klas kreeg ik meester Put. Hij ontdekte dat ik goed kon zingen en leerde mij gregoriaans. Van al deze mensen, mijn moeder voorop, heb ik iets belangrijks meegekregen dat ik mijn leven lang ben blijven doen. Mijn moeder zag ook dat ik handig was, al jong vroeg zij mij om te repareren wat stuk was, zoals haar naaimachine. Ik klooide wat en kwam er altijd wel uit.’

Van welke interesse heeft u uw beroep gemaakt?

‘De techniek. Na de mulo ben ik naar de hts gegaan, waar ik ben opgeleid tot ingenieur. In 1946 moest ik als dienstplichtige naar Nederlands-Indië, waar ik als verbindingsofficier de telefonie en radioverbindingen regelde. Drie jaar later kwam ik terug in Sint Nicolaasga. Vanuit de haven van IJmuiden reed een bus ons naar huis. Nadat ik was afgezet, zat er nog één dienstplichtige in de bus. Bij het uitstappen in Lemmer werd hij doodgereden door een vrachtwagen.

‘Het was een emotioneel weerzien met mijn moeder, de buurvrouw en mijn vriendin Sannie, die mij opwachtten. Na een paar dagen wilde Sannie mij niet meer. Ik zat onder de schurft, rookte vijftig sigaretten per dag, dronk en was alsmaar aan het praten over wat ik had meegemaakt. Alle brieven die ze mij tijdens mijn verblijf in Indië had geschreven, verbrandde ik.

‘Een vriend van de hts tipte mij Philips Telecommunicatie Industrie in Hilversum als werkgever. Ik pakte de trein. Bij de poort vroeg de portier wat ik kwam doen. ‘Ik zoek werk’, zei ik. ‘Dan moet je eerst solliciteren’, klonk het. Ik gaf hem wat sigaretten en de poort ging open. In de portiersloge van de fabriek hetzelfde tafereel, toen ik zei de directeur te willen spreken. Ik werd naar een zaal gebracht waar drie hoge bazen aan een grote tafel zaten. Ik vertelde dat ik drie jaar radiomonteur was geweest in Nederlands-Indië, waar ik onder andere een buitgemaakte Japanse zender had gerepareerd, van 1.000 watt met een grote antenne. De heren schoten overeind: ‘Wát? Een Japanse zender?’ Ik kreeg een groot schema voorgelegd, en kon alle onderdelen aanwijzen. ‘Meneer, geweldig, u bent aangenomen!’

‘Ik ben altijd bij Philips blijven werken. In de jaren zeventig stond ik als systeemleider aan de basis van de digitalisering van het telefoonverkeer. Ik kreeg tien slimme jongens onder mij. Na de eerste geslaagde proef met een digitale telefoonverbinding tussen Zwolle en Dalfsen kwamen ze van Oslo tot München bij ons kijken. Na een maand kon heel Europa het.’

Hoe zou u uzelf typeren?

‘Dat is een moeilijke vraag.’

Uw zoon vertelde: problemen bestaan voor hem niet, alleen oplossingen.

‘Haha, ja, dat is waar. Ik zeur niet. Ik heb in veel besturen gezeten, van de lagere school, de middelbare school, het wijkcentrum, de padvinderij, de kerk. Ook daar was het: oplossingen bedenken. Als bestuurslid van het Alberdingk Thijm College in Hilversum bedacht ik dat het mogelijk moest zijn dat leerlingen hun eigen vakkenpakket samenstelden, dus niet alleen konden kiezen uit een A- of B-pakket.’

Wat mist u van wat er niet meer is?

‘De koren. Ik zong in een groot koor, een rouwkoor en een gregoriaans koor. Ze bestaan allemaal niet meer. Door corona kwam de klad erin. Ik heb ook solo gezongen in de kerk bij de begrafenis van mijn zoon Fedde, die zes jaar geleden zichzelf heeft verongelukt.

‘Mijn jongste zoon zat naast mij op de bank en zei: ‘Ik heb al een paar dagen niks van Fedde gehoord’. Hij belde de politie en die vond hem in zijn caravan, waar hij al drie dagen lag. ‘Ik ben blij voor Fedde dat hij nu rust gevonden heeft’, zei mijn vrouw. Zo voelde ik dat ook, maar ik kon het niet onder woorden brengen. Ik haal troost en plezier uit boeken en poëzie, van Jean Pierre Rawie en J.C. Bloem, ken je ‘De nachtegalen’?

Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht,

’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.

Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht

Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

Hoe kijkt u terug op uw afgelopen 100 jaar?

‘Ik wist veel, ik kon veel en ik wou veel, net als mijn moeder.’

Johan Engwerda

geboren: 1 april 1925 in Sint Nicolaasga

woont: zelfstandig, in Hilversum

familie: 4 kinderen (1 overleden), 9 kleinkinderen, 4 achterkleinkinderen

beroep: ingenieur

weduwnaar sinds 2024

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next