Home

Een goede middelvinger opsteken is een kunst, en deze vrouw beheerst ’m niet

Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Een prachtige, late middag in Amsterdam en ik fiets over de Keizersgracht op weg naar een boekpresentatie. De zon schittert in het water, bootjes varen en de bomen langs de grachten kleuren uitgelaten groen. Ik fiets achter een jongen op een bruine fiets. Hij draagt een donkere jas en rugtas en heeft een geruit sjaaltje om.

Op de stoep, rechts van ons, laat een keurige mevrouw met schouderlang grijs haar haar witte labrador uit. Net op het moment dat de jongen haar voorbijrijdt, roept ze ‘hé!’ en steekt vervolgens haar middelvinger naar hem op.

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Een goede middelvinger opsteken is een kunst. De fout die veel mensen maken is dat ze hun middelvinger opsteken en de rest van hun vingers laag op de vuist bij elkaar knijpen. Dan heb je een hele lange vinger in het midden en verder niets. Beter is om je middelvinger op te steken en de rest van je vingers, zeg maar, bij het eerste kootje om te buigen, behalve je duim – die houd je ook gestrekt.

Zo staat er meer spanning op de hand en zijn de vingers beter met elkaar in proportie. Het is een krachtig gebaar. Google op ‘Eminem’ en ‘middle finger’ en oefen zelf maar even.

Deze mevrouw had geen goede middelvinger, maar een ongeoefende, onbeholpen middelvinger. En zoals ze die combineerde met haar ‘hé!’ had het geheel meer weg van een begroeting dan een belediging. Misschien kenden de vrouw en de jongen elkaar en was dit hun onderlinge manier van elkaar begroeten. Zij: ‘Hé!’ en dan de middelvinger. Hij: ‘Hé ouwe teringheks! Alles lekker?’

Maar de jongen reageerde niet en fietste door. Misschien had hij haar niet gezien, misschien had hij haar wel gezien en negeerde hij haar. Hoe dan ook, ik moest het weten. Ik maakte vaart en haalde de jongen in. ‘Stak zij nou net haar middelvinger naar je op?’, vroeg ik, toen ik naast hem fietste. Hij had donkere krullen en keek me van achter zijn ronde bril verward aan. ‘I’m sorry?’

‘Did she just gave you the finger?’

‘Wie? Wat?’ (dit is een vertaling, niet dat deze jongen nu opeens wel Nederlands spreekt)

‘Die vrouw daar, die haar hond aan het uitlaten was. Ze stak haar middelvinger naar je op.’

‘O, wow. Dat is heel aardig.’

Hij plukte aan zijn sjaaltje. Het was zo’n rood-wit, geblokt sjaaltje met rafelrandjes, oorspronkelijk uit het Midden-Oosten, maar hier al jaren onderdeel van het straatbeeld. ‘Waarschijnlijk vanwege mijn keffiyeh.’

De vrouw moet het er maar druk mee hebben, met al die sjaaltjes en Palestijnse vlaggen. Beter oefent ze nog wat op haar middelvinger, want dit ziet er echt niet uit.

De jongen en ik wensten elkaar nog een prettige voortzetting en namen toen afscheid. Ook bedankte hij me nog. Waarvoor zou ik eigenlijk niet weten.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next