Om de zoveel jaar worden de politieke theorieën van Carl Schmitt opnieuw ontdekt. Zijn omstreden vijanddenken zie je terug bij figuren als Trump en Orbán. Maar heeft Schmitt ons niet ook iets goeds te brengen?
is buitenlandredacteur van de Volkskrant en schrijft over de EU en internationale samenwerking.
We leven in een tijd waarin de geschiedenisboeken meer dan ooit voor onze ogen tot leven lijken te komen. Wie zich, bijvoorbeeld, verbaasde over hoe gemakkelijk Adolf Hitler ooit alle macht naar zich toe kon trekken, hoeft slechts naar het hedendaagse Amerika te kijken. Met verbijsterend gemak zet president Donald Trump drie eeuwen rechtsstaat op losse schroeven.
Voor iemand als ik is de broosheid van de Amerikaanse democratie en rechtsstaat een existentiële schok. Zo iemand als ik: geboren in 1959, opgegroeid tijdens de Koude Oorlog – hoeveel kritiek we soms ook op ze hadden, de Amerikanen waren onze democratische broeders. Samen vormden we ‘het vrije Westen’, dat het fascisme had overwonnen. Aan de andere kant van het IJzeren Gordijn heerste het communisme, waar het individu was overgeleverd aan de willekeur van de partij.
Kortom, de rechtsstaat leek een onwrikbaar onderdeel van ‘onze’ identiteit, aan beide kanten van de oceaan.
Maar nu kun je in Amerika zomaar worden uitgezet. Dat overkwam de Salvadoraanse immigrant Kilmar Abrego Garcia: hij was getrouwd met een Amerikaanse en verbleef legaal in de Verenigde Staten. Toch werd hij gewoon opgepakt. Het Hooggerechtshof beval unaniem om hem terug te halen, maar Trump weigerde botweg.
In een interview met tv-zender NBC zei Trump eerder deze maand ‘niet te weten’ of hij de grondwet moest respecteren. Die bestaat uit twee elementen die op gespannen voet met elkaar staan. Het liberale element geeft elke burger fundamentele rechten, zoals het recht op een eerlijk proces of de vrijheid van meningsuiting. Ze beschermen burgers tegen machtsmisbruik van de overheid, ongeacht hun afkomst, religie, seksuele geaardheid of politieke overtuiging.
Het tweede, democratische element bepaalt dat de meeste stemmen gelden. Wie de helft plus één van de stemmen haalt, bepaalt wat er gebeurt. Dat is de lijn van Donald Trump: ik ben gekozen door het volk en ik bepaal wat er gebeurt. De rechter die mij probeert te stoppen, is derhalve een vijand van het volk.
In de scheiding der machten, sinds de 18de eeuw het basisbeginsel van de democratische rechtsstaat, is het essentieel dat een rechter niet gekozen is. Want alleen een onafhankelijke rechter kan de politieke macht controleren. Maar steevast leggen Trump en zijn medestanders de nadruk op juist het feit dat rechters niet gekozen zijn. Want, roepen ze, hoe kan één niet-gekozen rechter de wil van tachtig miljoen Trump-kiezers dwarsbomen?
De rechtsstaat blijkt kwetsbaar, omdat hij een abstract begrip is, ver verwijderd van de alledaagse leefwereld van veel Amerikanen. De Duitse filosoof en jurist Carl Schmitt (1888-1985) geloofde niet in abstracte rechtsnormen. Voor hem hoorde het recht concreet te zijn: gekoppeld aan situaties en personen.
Trump is zo’n concrete persoon: hij zegt Amerika ‘veiliger’ te maken door ‘criminele immigranten’ uit te zetten. Voor zijn aanhangers weegt dat zwaarder dan abstracte rechtsnormen als het recht op een eerlijk proces of het non-discriminatiebeginsel.
Carl Schmitt is een controversiële denker, ook doordat hij kroonjurist – een hoge juridische adviseur – in het Derde Rijk was. Niettemin staat hij volop in de belangstelling. Vorige maand ging het toneelstuk Tegen de wet van Bo Tarenskeen in première, waarin de bejaarde Schmitt (gespeeld door Hans Dagelet) wordt geïnterviewd door een Joodse mensenrechtenadvocaat (gespeeld door Tarenskeen zelf). Binnenkort verschijnt ook een herziene versie van een boek dat Arnon Grunberg in 2019 over Schmitt schreef, Vriend & vijand – Decadentie, ondergang en verlossing.
Schmitts filosofie is actueel in een wereld waarin de liberale democratie wordt aangevallen. In 1926 schreef hij al over de ‘in wezen onoverkomelijke tegenstelling tussen liberaal individualisme en democratische homogeniteit’. Voor liberale democraten is iedereen gelijk. Maar gelijkheid kan niet berusten op een abstractie, betoogde Schmitt, zoals een wettelijk verbod op discriminatie. Een democratie heeft ‘substantiële’ gelijkheid nodig, van mensen die dezelfde waarden delen, zoals een religie of de gehechtheid aan een natiestaat.
‘De politieke kracht van een democratie toont zich daarin dat ze het vreemde en ongelijke, het de homogeniteit bedreigende, weet te elimineren of op afstand te houden’, schreef hij in Parlement, democratie, dictatuur. Daarom kan een democratie een degrel van de door de staat beheerste bevolking uitsluiten, zonder op te houden een democratie te zijn.
Met kennelijke instemming gaf hij als voorbeeld de verdrijving van de Griekse bevolking uit Turkije in de jaren twintig, een vorm van etnische zuivering waarbij honderdduizenden doden vielen.
De scheiding der machten zag hij niet als een bescherming van het individu tegen de staat, maar als een hinderpaal voor de staat om de wil van het volk uit te oefenen. Vaak is de rechtsstaat juist een bedreiging voor de democratie, aldus Schmitt. ‘Het is juist het specifiek liberale, rechtsstatelijke bestanddeel (...) dat ertoe leidt dat de macht van de staat wordt verzacht en afgezwakt in een stelsel van controles en remmen.’
Daarom concludeert hij: ‘In de geschiedenis van de democratie bestaan er veel dictaturen, vormen van cesarisme en andere voorbeelden van opvallende, voor de liberale tradities van de laatste eeuwen ongewone methoden om de wil van het volk te vormen en een homogeniteit te scheppen.’
Het is niet verwonderlijk dat Schmitt veel bestudeerd wordt in China. Dat een dictatuur de wil van het volk beter kan uitvoeren dan een liberale democratie, zal de Chinese machthebbers als muziek in de oren klinken.
Beroemd is Schmitts stelling dat het onderscheid tussen vriend en vijand het fundament van de politiek vormt, zoals mooi en lelijk de basis is van de esthetiek, en goed en kwaad van de ethiek.
Schmitt pleit daarmee overigens niet voor een permanente oorlog tegen de vijand. ‘De politieke vijand hoeft niet moreel slecht te zijn en niet esthetisch lelijk; het is niet nodig dat hij als economische concurrent optreedt, en het kan misschien zelfs voordelig zijn om zaken met hem te doen’, schrijft Schmitt in Het begrip politiek uit 1932. Maar hij is existentieel anders en vreemd, waardoor conflicten met hem mogelijk zijn die niet kunnen worden beslecht door ‘tevoren opgelegde normering’ of onpartijdige derden.
Kortom: wie de vijand is en daarmee een existentieel gevaar vormt, kan alleen door de betrokkenen zelf worden beoordeeld. Het internationaal recht, een op regels gebaseerde internationale rechtsorde, biedt geen uitkomst, evenmin als ‘onpartijdige’ instanties als de Volkenbond (in Schmitts tijd) of de Verenigde Naties.
Hiermee had Schmitt ongetwijfeld een belangrijk inzicht te pakken. Want wat zijn alle fraaie idealen over mensenrechten en een internationale rechtsorde uiteindelijk waard, als het er echt op aankomt? De Verenigde Staten zeiden na 1945 voor democratie en mensenrechten te strijden, maar zetten hun idealen even gemakkelijk opzij als dat beter uitkwam, zoals bij het steunen van wrede anticommunistische dictatoren tijdens de Koude Oorlog en de inval in Irak zonder volkenrechtelijk mandaat.
Nog altijd doen ze niets aan de voortdurende schendingen van het internationaal recht door Israël in Gaza en de Palestijnse gebieden, omdat Israël een vriend is.
Zelfs de Europese Unie, die zichzelf ziet als de hoeder van de op regels gebaseerde internationale rechtsorde, voert keiharde machtspolitiek als zij zich bedreigd voelt. Zo sloot de EU een akkoord met de Tunesische dictator Kais Saied om migranten uit Afrika tegen te houden. Dat Saied migranten terugstuurde en in de woestijn liet verhongeren, woog even minder zwaar dan de overtuiging dat ongecontroleerde migratie de politieke stabiliteit in Europa bedreigde. De migrant was de vijand, een existentieel gevaar dat het negeren van mensenrechten rechtvaardigde.
Wie het onderscheid tussen vriend en vijand negeert, wordt ook blind voor geopolitieke gevaren. Europa meende voor iedereen een vriend te kunnen zijn, maar werd door de Russische president Poetin als vijand aangewezen. Hij beschouwde de Europese en Amerikaanse toenadering tot Oekraïne als een existentieel gevaar voor Rusland, hoe terecht het Westen ook bleef herhalen dat het in overeenstemming met het internationaal recht handelde.
Op het toneel van het Amsterdamse theater Frascati is de aarzelende mensenrechtenadvocaat geen partij voor de geslepen Schmitt. Zijn hoogdravende idealen worden weggeblazen door de taal van de macht.
Ongetwijfeld wilde Tarenskeen hiermee de kwetsbaarheid van dat idealisme laten zien, maar hij doet het liberalisme tekort. Het denken van Schmitt is nog altijd relevant, als filosofische onderbouwing van een werkelijkheid die zich doorgaans in vulgaire rommeligheid aan ons ontvouwt. Hij stelt pijnlijke vragen bij liberale dogma’s die vaak als vanzelfsprekend worden aangenomen.
Toch is zijn filosofie een doodlopende straat. Natuurlijk wordt de liberale internationale orde ondermijnd door hypocrisie, maar schaamteloos toegeven aan het recht van de sterkste maakt de wereld niet beter. De mensheid verliest als zij het menselijke tekort niet meer probeert te beteugelen.
Schmitts pleidooi voor een homogene democratie en het uitsluiten van mensen die daar niet in passen, opent de deur naar willekeur, onderdrukking en geweld.
Je kunt het ironisch noemen dat Schmitt zelf professioneel ten onder ging in een dictatuur waar totale wetteloosheid heerste. Schmitts denken ontstond in een heel specifieke periode, namelijk tijdens de Weimarrepubliek, toen Duitsland worstelde met de als vernederend ervaren Vrede van Versailles, met economische crises, hoge werkloosheid en een golf van politiek geweld.
In 1919 zag Schmitt hoe een officier werd doodgeschoten toen socialistische revolutionairen zijn kantoor in een commandopost van het Duitse leger bestormden. Zijn verlangen naar eenheid en orde, naar homogeniteit en een sterk gezag, valt niet los te zien van deze periode.
Toch moest hij aanvankelijk niets van de nazi’s hebben. Pas na de machtsovername van 1933 zag hij goede carrièrekansen, ook omdat linkse en Joodse juristen werden ontslagen. Op 1 mei 1933 stond hij met de filosoof Martin Heidegger in de rij om lid te worden van Hitlers NSDAP. Hij droomde ervan een van de intellectuele architecten van het Derde Rijk te worden, schrijft Gopal Balakrishnan in zijn biografie van Schmitt.
Maar Hitler was niet geïnteresseerd in scherpzinnige intellectuelen. In 1936 werd Schmitt al op een zijspoor gerangeerd door fanatieke nazi-juristen die hem als een opportunist beschouwden, een windvaan die veel te laat lid van de partij was geworden.
Na de oorlog ontnamen de Amerikanen hem zijn leerstoel. Een groepje industriëlen regelde een pensioentje en zijn bescheiden huis in Plettenberg in het Sauerland werd een bedevaartsoord voor reactionaire pelgrims. Maar zijn politieke en intellectuele rol was uitgespeeld. In de Bondsrepubliek was Carl Schmitt, aanbidder van de macht, een machteloze geworden.
Op het eerste gezicht lijkt het wonderlijk dat Schmitts ideeën nog altijd zo veel weerklank vinden in het Westen, na tachtig jaar vrede en welvaart. Een deel van de verklaring valt bij Schmitt te lezen: een verlangen naar homogeniteit. De afgelopen decennia zijn westerse landen heel divers geworden, naar afkomst, religie en seksuele voorkeur. Veel burgers houden niet van die diversiteit.
In Nederland en elders zijn veel pogingen gedaan om de spanning tussen het vreemde en het eigene te verklaren in naam van een multicultureel burgerschap, schreef de filosoof Theo de Wit in 2019, in het nawoord van Schmitts Het begrip politiek. ‘Het gevolg is geweest dat de afgrenzing van het eigene (...) als een boemerang is teruggekeerd’, aldus De Wit.
Het opende de weg voor politieke entrepreneurs, zoals Donald Trump, Geert Wilders of Viktor Orbán, die weer vijanden aanwezen. Het maakt Carl Schmitt actueel.
Maar dat betekent helaas niet dat hij ons verder iets te bieden heeft, behalve de weg naar een naargeestige wereld waar nieuwe ‘cesars’ op autoritaire wijze ‘de wil van het volk’ opleggen. Wie niet tot dat ‘volk’ behoort, moet zijn mond houden of opzouten.
Tegen de wet speelt nog tot en met 13 juni.
Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant