Met een nieuw gebit bestijgt een houthakkerszoon de sociale ladder, een klassenmigrant à la Tom Ripley en Becky Sharp. Maar brengt het hem ook verlossing? Auke Hulst vertelt het verhaal met een mix van weldoorvoeld en tandenknarsend proza.
is literair recensent voor de Volkskrant. Ze schrijft met name over nieuwe Nederlandse fictie.
Ze konden hem alleen nog aan zijn gebit identificeren – het is zo’n typisch thrillerzinnetje, vaak uitgesproken door iemand van de recherche, om aan te geven hoe onherkenbaar gruwelijk het slachtoffer is toegetakeld.
Tanden zijn je identiteit; alleen jíj hebt een vulling in de tweede kies linksonder in combinatie met een scheve rechtervoortand waar een hoekje vanaf is.
Je gebit zegt iets over wie je bent. Ziek of gezond, een brave stoker of lakse poetser, kaarsrecht of charmant scheef. Een extreem wit gebleekt gebit is potsierlijk, vergeelde rokerstanden zijn afstotelijk.
De gang op school was twintig jaar geleden een oneindige walk of shame met je buitenboordbeugel, nu krijg je met een vrijwel onzichtbare aligner de Hollywoodglimlach van je dromen. Dit overigens tot wanhoop van filmregisseurs van kostuumdrama’s: vindt maar eens acteurs met gebitten die eruitzien alsof ze middeleeuwse tandzorg hebben gehad.
Uiteindelijk zegt je gebit vooral iets over de klasse waartoe je behoort. Verzorgde tanden staan voor welvaart, slechte of zelfs helemáál geen tanden voor verpaupering en armoede. Dit geldt al sinds mensenheugenis: uit de archeologie is bekend dat de Maya’s en oude Egyptenaren al ontbrekende tanden vervingen met behulp van hout, handgeslepen ivoor en schelpen.
In de 19de eeuw kwam er een curieus soort implantaten op de markt die nadien ‘Waterlootanden’ werden genoemd: tanden die waren verzameld op de slagvelden van de napoleontische oorlogen. Zodra de eerste kruitdampen optrokken, wrikten plunderaars de monden van gesneuvelde soldaten open om met hamer en beitel hun slag te slaan. Een mooi stel tanden bracht een fortuin op.
Tandenjager, de achtste roman van Auke Hulst (1975), gaat over zo’n figuur. Vos Jacobsz noemt hij zichzelf, of Jacobi Fox, maar net hoe het uitkomt. Vos is opgegroeid in armoede, zoon van een slimme, vrijgevochten en daarom verstoten vrouw en een eenvoudige houthakker.
Of is hij toch de bastaardzoon van de lokale baron? Dat zou zijn adellijke trekken verklaren. Eigenlijk verraadt alleen zijn slechte gebit dat hij van lage komaf is.
Als zijn moeder overlijdt, begint Vos aan een zwerftocht door de Lage Landen, op weg geholpen door zijn vlotte babbel en talenknobbel. Hij ontmoet een tandenjager die zijn leermeester wordt en als die overlijdt aan een door syfilis wegrottende neus (dat kon in 1815) erft Vos diens gereedschap en kan hij zelf aan de slag.
Op het immense slagveld van Waterloo vindt hij een dode soldaat met het mooiste gebit dat hij ooit gezien heeft. Vos neemt de tanden mee naar Londen, waar hij ze door een vakman in zijn eigen mond laat transplanteren. Nu is hij klaar voor zijn volgende missie: een rijke markiezin het hof maken om zich voor eens en voor altijd op een adellijke chaise longue terneer te vlijen.
Maatschappelijke klasse, daar gaat Tandenjager dus over. Vos is door klasse geobsedeerd – niet zo gek als je in een wereld leeft waarin je afkomst allesbepalend is en je niet zomaar een treetje omhoog kunt. Elke klasse heeft haar eigen mores, idioom, codes en maniertjes om buitenstaanders te weren. Wie toch wil toetreden, moet een zekere sociopathische inslag hebben, charme en doorzettingsvermogen.
Het zijn dit soort kenmerken die van klassenmigranten populaire, soms zelfs iconische literaire personages maken. Denk maar aan Tom Ripley van Patricia Highsmith, Becky Sharp uit Vanity Fair, middenklasser Charles Ryder die zich de aristocratische familie Marchmain inwurmt in Brideshead Revisited, Richard Papen, die in een groepje van elitaire studenten infiltreert in The Secret History, of The Great Gatsby, die nooit écht bij de upper class zal horen, hoeveel geld hij er ook tegenaan smijt.
Het zijn personages gedreven door armoede, ambitie, liefde of het verlangen te laten zien wat ze waard zijn. Ze zijn altijd in beweging: van een mindere situatie naar een (op het oog) betere situatie.
Een parvenu als Vos is daarom – ondanks of dankzij zijn listigheid – ook een personage om te bewonderen. Hij heeft een doel, een streven. En hij wordt inderdaad het liefje van die markiezin, Margaux, een leeftijdsloze schoonheid met een ooglapje (ze verloor haar oog door de bijtende chemicaliën in haar rouwsluier – ook dat gebeurde in de 19de eeuw).
Ze weigert te trouwen en kan daarom zelf beschikken over het fortuin van haar overleden vader, dat grotendeels afkomstig is van een plantage in Suriname.
Eenmaal in de buurt van Margaux gebeurt er iets vreemds met Vos: in plaats van haar koeltjes kaal te plukken, zoals hij van plan was, raakt hij volledig in haar macht. Zij gebruikt hém, zo lijkt het, maar waarvoor precies? Wat voor macabere bijeenkomsten bezoekt Margaux? Waarom zit er soms bloed op de lakens? Hoe kan het dat Vos af en toe ontwaakt uit een diepe slaap en zich dan niets meer herinnert van de uren daarvoor?
Vos is zichzelf niet. En dan wordt hij ook nog eens geplaagd door vreemde socialistische gedachten over de verwerpelijkheid van rangen en standen... Híj, die juist dolgraag de maatschappelijke ladder besteeg!
Zou het iets te maken kunnen hebben met zijn nieuwe gebit, dat niet geheel toevallig toebehoorde aan de vorige geliefde van Margaux, Amadeo, die zich uit sociaal-idealistische overtuiging uit de adelstand liet ontheffen en zich bij het front meldde als eenvoudige soldaat?
Het oeuvre van Auke Hulst is veelzijdig. Naast korte verhalen en reisverslagen publiceerde hij romans in verschillende genres: hij debuteerde in 2006 met een liefdes(verdriet)roman, brak door met de jeugdmemoir Kinderen van het ruige land, oogstte lof met het dystopische En ik herinner me Titus Broederland en waagde zich aan een biopic van Nixon.
Drie jaar geleden greep hij nét naast de Libris Literatuur Prijs (en nét naast de Boekenbon Literatuurprijs) met De Mitsukoshi Troostbaby Company, een groots opgezette scifi-roman waarin wordt tijdgereisd. Met Tandenjager, al even kloek en ambitieus, zwenkt hij de andere kant op: 19de-eeuwse gothic.
Hulst heeft zich niet ingehouden. ‘Dit boek speelt grotendeels in de vroege 19de eeuw en bevat contemporaine termen’, is de disclaimer vooraf. En jawel, in Tandenjager nemen mensen ‘de kuierlatten’, heet de clitoris nog iets te gezellig ‘kittelaar’ en wordt de voordeur ‘opgedaan’ door de majordomus.
En zoals gebruikelijk in 19de-eeuwse romans kan er geen stap worden gezet voordat het decor helemaal met beeldspraak gestoffeerd is. Soms is dat mooi en raak. Als Vos in Londen uit het raam kijkt, ziet hij hoe de nevel ‘opgeklopt door de nabijheid van de rivier, zich om lantaarns vlecht’.
Ja, dan zie je de stad, de kade, de lichtjes die samenkomen in deze ene zin. Of, op het slagveld waar mannen hun kapotgeschoten arm tegen de borst drukken: ‘alsof ze een breekbare attentie voor een geliefde vervoeren’.
Ook dat werkt: het breekbare tegenover dat kapotgeschotene, een teder beeld dat voortkomt uit die gewelddadige omgeving. Het zijn dit soort weldoordachte, weldoorvoelde beschrijvingen die niet alleen deze roman, maar Hulsts hele oeuvre een intens randje geven, en laten zien wat voor aandachtige, precieze schrijver hij is.
Maar soms helt het over naar tong-tussen-de-tanden-ernstig, zó dat het haast lachwekkend wordt: ‘Geniettroepen hebben grebben gegraven van waaruit met gulle hand de dood is gedistribueerd’, ‘Zonnebloemen reikten naar hun naamgever als kuikens naar de brakende snavels van hun ouders’ of ‘Het miasma van excrementen en afvalwater sluipt door de straten’.
Mooi of niet, het houdt de boel op. Zeker in de tweede helft van het boek, waarin we nog een heel verhaal van Amadeo te verstouwen krijgen (terwijl daar niets nieuws meer uitkomt) én een epiloog waarin de lange levensloop van Margaux nog wordt nagewandeld. Dan hoeven we echt niet alsnog te horen waar Margaux eigenlijk naar ruikt (Mille Fleurs, fruitessences en het zoet van oranjebloesemwater) of hoe het restaurant waar ze gaan dineren is ingericht (‘een patio in mediterrane sferen’).
Het is alsof de personages steeds minder in staat blijken iets toe te voegen aan de overvloedige beschrijvingen. Alsof zijzelf eigenlijk ook niet meer zijn dan hun beschrijving. Margaux is van meet af aan al een ongrijpbaar type zonder duidelijke dromen of verlangens. Ze heeft bijzondere vermogens, maar zet die nergens voor in. Meer beeld dan mens is ze, een 19de-eeuwse cool girl die blootsvoets richting zee wankelt, fles drank in de hand, de sleep van haar jurk door het zand.
Van de innemende, streberige Vos blijft na zijn affaire met Margaux weinig over. Weg plan, weg ambitie, hij laat zich verzetsloos verbannen naar haar familieplantage in Suriname, waar hij zich halfhartig het lot van de tot slaaf gemaakten aantrekt. Maar niets doet.
Misschien omdat hij inmiddels tot het inzicht is gekomen dat er in deze wereld toch altijd wel iemand uitgezogen zal worden. Tot slaaf gemaakten door plantagehouders, soldaten door generaals, het gepeupel door de adel en Vos zelf, die dacht tot veilige hoogte te zijn geklommen, door Margaux.
De vraag waar het Hulst uiteindelijk om te doen is, en die hij telkens laat terugkeren in gesprekken en brieven, is of aan die uitzuigerij wat te doen is of dat we ons moet neerleggen bij de ‘natuurlijke orde’ der dingen.
Amadeo en Margaux vertegenwoordigen in deze kwestie beide uitersten. ‘We zijn allemaal dieren’, schrijft Margaux, ‘en alle dieren zijn heilig, en sommige dieren zijn de natuurlijke voedselbron van andere. Dat is hoe de wereld geschapen is.’
Ze heeft er dan ook geen problemen mee haar luxeleventje te bekostigen met bloedgeld van de plantage. Amadeo is, zoals we weten, een drastische andere weg ingeslagen.
Hoewel de sympathie in dit boek bij de koers van Amadeo ligt – het verwerpen van de natuurlijke orde dus – laat het ook zien hoe zinloos dat is: wie zijn plekje in die orde afstaat, wordt direct vervangen door een gretige ander. Kijk maar naar Vos.
Auke Hulst: Tandenjager. Ambo Anthos; 432 pagina’s; € 26,99.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant