Home

Klinisch psycholoog Iva Bicanic: ‘Ik begrijp niet waarom er zo weinig discussie is over misbruik van kinderen. Nederland sláápt, echt’

Dertien pioniersjaren als directeur-bestuurder bij het Centrum Seksueel Geweld hebben Iva Bicanic overtuigd van de noodzaak om jonge misbruikslachtoffers ook na de behandeling langdurig te blijven volgen. ‘We weten dat later allerlei problemen kunnen ontstaan. Of zelfs herhaling van het misbruik.’

is onderzoeksjournalist van de Volkskrant.

Het is een pijnlijk punt dat midden in het gesprek met Iva Bicanic, vertrekkend directeur-bestuurder van het Centrum Seksueel Geweld (CSG), plotseling ter sprake komt. Terwijl ze terugkijkt op de dertien jaar dat ze hier leidinggaf en als klinisch psycholoog kinderen behandelde, vertelt ze dat zij het soms óók niet ziet.

‘Er zijn diverse jonge kinderen die ik tien jaar geleden heb onderzocht’, zegt ze, ‘en die nu bij mij terugkomen in de behandelkamer. Omdat ik toen heb gemist dat ze seksueel waren misbruikt.’

Hoe is het om dat als behandelaar mee te maken?

‘Heel erg. En het is vooral erg voor deze kinderen. We moesten ze destijds loslaten, omdat we in één of twee sessies de vermoedens niet bevestigd konden krijgen. Die kinderen vertellen me nu wat daar toen aan voorafging. Dat ze instructies kregen van de pleger over wat ze wel en niet mochten vertellen. Of dat ze toen dachten: ik ga op mijn kop krijgen als ik het vertel, want ík ben slecht en ik heb het gedaan.’

Is het frustrerend om zo’n kind na tien jaar weer in de spreekkamer te hebben?

‘Ja. En dat geldt ook voor alle kinderartsen en politiemensen. Maar je moet leren verdragen dat het soms zo gaat. Dat die kinderen wel in beeld zijn, maar dat het er niet uitkomt.’ Ze zwijgt even. ‘Het motiveert me om iedereen – en hulpverleners in het bijzonder – telkens weer te vertellen dat je het dus niet zomaar kunt zien aan een kind. Dat is een groot misverstand. Het is de reden dat ik denk dat we een kind na signalen consequent moeten blijven volgen.’

Hoe gaat zo’n eerste onderzoek?

‘Kijk, als kinderen een helder verhaal hebben, of een soa, dan worden ze gehoord door de politie. Maar zo vaak gebeurt dat niet. Meestal is het schimmiger. Dan is er een vage uitspraak of vertonen ze opvallend gedrag – bijvoorbeeld een kind dat dwangmatig of overmatig aan het masturberen is, soms tot bloedens toe. Wij mogen ze vanaf 4 jaar onderzoeken. Je moet je voorstellen dat er dan zo’n hummeltje voor je zit, met wie je gaat praten over iets wat mogelijk een half jaar geleden is gebeurd, uit zijn eigen geheugen, en zonder dat jij als psycholoog suggestieve vragen stelt.’

Dat klinkt ingewikkeld.

‘Maar weet je dat veel kinderen tussen 4 en 8 jaar nu helemaal niet worden onderzocht? Ouders weten vaak niet wat ze moeten doen. Naar de politie? De huisarts? Veilig Thuis? Het Centrum Seksueel Geweld? Ik wil dat er een standaard komt, want er is geen duidelijk stappenplan. Als er een vechtscheiding speelt, duurt het vaak nog langer voordat er onderzoek komt. Dat is niet oké. Elk vermoeden verdient een degelijk onderzoek.

Ook na misbruik gebeurt er niet genoeg, zegt ze. ‘Ik werk hier in het UMC Utrecht, waar we kinderen met chronische ziekten langdurig monitoren. Waarom doen we dat niet bij kinderen die seksueel zijn misbruikt? Na de traumabehandeling gaat een kind de deur uit en is de hulp afgelopen. Terwijl we weten dat later allerlei problemen kunnen ontstaan: angst, depressie, pijn, verslaving, eetstoornissen, suïcidepogingen. Of herhaling van het misbruik. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wil dat eerst wordt onderzocht of check-ups nut hebben. Ik denk: begin er nú mee. We moeten misbruikte kinderen net zo serieus nemen als kinderen met kanker.’

Vanaf juli stopt Bicanic (52) als directeur-bestuurder bij het CSG, dat ze samen met een klein clubje oprichtte en dat onder haar hoede uitgroeide tot een landelijk dekkend netwerk van zestien centra. Na de pioniersjaren wil ze zich nu richten op wetenschappelijk onderzoek. Zo wil ze jonge misbruikslachtoffers langdurig gaan volgen. Daarnaast blijft ze kinderen behandelen in het UMC Utrecht. In dit gesprek blikt ze terug: hoe is het denken over seksueel geweld de afgelopen dertien jaar veranderd? Tot welke inzichten leidde dit? En ook: wat moet er nog veranderen?

In 2012 stapte ze met een A4’tje onder haar arm de kamer in van toenmalig staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Fred Teeven. ‘Ik had als behandelaar op een congres gehoord dat er in Scandinavië overal rape centers waren, waar slachtoffers van verkrachting 24/7 terechtkonden bij een team van artsen, psychologen en rechercheurs. Ik dacht: wát een goed idee.’ De hulp in Nederland was destijds nog volledig versnipperd, waardoor de kansen op sporenonderzoek vlak na een verkrachting vaak werden gemist.

‘Ik heb geen idee hoe het me was gelukt een afspraak met de staatssecretaris te regelen, maar ik liep zo bij hem binnen’, zegt Bicanic. ‘Hij zei: vertel me er alles over.’

Dacht je niet: die centra komen er nooit?

‘Nee. Ik geloofde gewoon dat het zo ging, zo’n multidisciplinair centrum opzetten. Ik was nog niet eens klaar met mijn proefschrift. Op het A4’tje had ik een tekeningetje gemaakt van Nederland met zestien stippen: de plaatsen waar die centra moesten komen, met maximaal één uur reistijd. Dat had ik nagetekend van het model van Denemarken. Ik zei: zo moet het worden. En Teeven zei: dat gaan we doen.’

Ze lacht. ‘Zo ging het echt.’

Inmiddels wordt het CSG gezien als het nationale expertisecentrum op het gebied van seksueel geweld en misbruik. Op de golven van MeToo, The Voice en de aandacht voor grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer groeide het aantal slachtoffers dat zich bij hen meldde hard. De onthullingen zorgden dat de aandacht voor seksueel geweld blijvend werd, en dat slachtoffers serieuzer werden genomen. Dat komt mede door Bicanic, die onvermoeibaar haar inzichten bleef delen met de media en zo het gezicht werd van de aanpak van seksueel misbruik.

Bij de start belde je de Volkskrant om te melden dat je een landelijk noodnummer wilde met de boodschap: ‘Ben je verkracht, bel 188.’

Ze lacht enigszins beschroomd. ‘Ik heb zo lang geprobeerd dat nummer te krijgen’, verzucht ze. ‘Maar we hebben nu een 0800-nummer dat 24 uur per dag bereikbaar is. Ik wil journalisten vragen dat nummer onder publicaties te zetten, net zoals bij 113. Dit probleem is zo groot dat het dat verdient. Een op de zeven mensen heeft seksueel misbruik meegemaakt. Mét penetratie, hè? Aanrandingen niet meegeteld. Als je door een winkelstraat loopt, kun je gaan tellen: bij elke zevende persoon is het raak. Deze mensen liggen niet allemaal in de goot of zo, maar de helft heeft hier echt last van.’

De aandacht voor MeToo blijft enorm: Harvey Weinstein, Bill Cosby, Donald Trump, P. Diddy. En in Nederland Ali B., Thijs Römer, Marco Borsato. Waarom worden juist die zaken zo interessant gevonden?

‘Begrijp me goed: al deze zaken zijn erg. Maar ze zijn ook eenvoudig. Ze draaien om machtige, beroemde mannen met minder machtige vrouwen. We zien het liefst een of andere rotzak die pakt wat hij pakken kan. Maar daarmee laten we ons te makkelijk afleiden van onze blinde vlek. Want het meeste misbruik gebeurt door gewone mensen uit onze eigen familie en vriendenkring. Een opa, een moeder, een broer, een oppas, een huisvriend. De kans daarop is zeven keer groter dan dat het door een vreemde gebeurt. Maar die waarheid is oncomfortabel. Het vergt nogal wat om te geloven dat het gevaar in je eigen huis of je eigen familie kan zitten. Dat kantelt je veilige mens- en wereldbeeld.

‘Dit type misbruik komt het minst vaak naar buiten. Want iedereen schaamt zich hier heel erg voor. Onlangs deed ik mee aan een workshop over plegers. Een collega-behandelaar zei: oké, doe je ogen dicht en stel je voor dat jouw kind huilend thuiskomt – ze is 10 jaar, ontroostbaar en vertelt dat haar broer aan haar heeft gezeten. Het eerste dat in me opkwam, was: misschien was het maar één keer. Het was een automatische gedachte. Daarna schrok ik en corrigeerde ik mezelf, maar snap je hoe dit werkt? Het gaat om mensen in je eigen clan. Je wilt niet dat buitenstaanders anders over hen gaan denken.’

Wat zouden we als samenleving hierover moeten leren?

‘Weet je wat het vaakst voorkomt? Misbruik tussen broers en zusjes. Meestal is de pleger een oudere broer en gebeurt het rond het 13de jaar – op het moment dat de testosteron uit hun oren spuit. Het slachtoffer is gemiddeld 7 jaar. Dit is geen doordacht misbruik, zo van: vanmiddag ga ik even mijn broertje of zusje pakken. Nee, dat kind is gewoon dáár, het is opportunisme. Veel mensen die dit hebben gedaan weten achteraf ook niet precies waarom ze ermee zijn begonnen.

‘We hebben slachtoffers gevraagd hoe ze als kind aankeken tegen de persoon die hen misbruikte. Een derde was doodsbang, maar een even groot deel zei: hij was gewoon mijn allergrootste vriend, het was degene die me zag staan, hij hield van mij. Bijna de helft had de band als hecht ervaren. Daarom heet het ook seksueel misbruik. Want een volwassene of ouder kind gebruikt de natuurlijke behoefte van een kind aan aandacht en affectie voor zijn of haar eigen behoeften. En tegelijkertijd is diegene bezig het slachtoffer te laten denken dat hij of zij dit zelf ook wilde. Dat maken plegers zichzelf namelijk ook het liefst wijs.

‘Snap je hoe ongelooflijk ingewikkeld dit is? Hulpverleners vragen bij een intake: heb je weleens iets meegemaakt tegen je zin? Of: ben je weleens gedwongen tot seksuele handelingen? Maar veel slachtoffers denken helemaal niet zo. Die zien zichzelf niet in die categorie.’

Is daar geen aandacht voor?

‘Ik zie wel documentaires verschijnen over deze dynamiek. The Menendez Brothers bijvoorbeeld, over die twee broers die hun ouders vermoordden. In een scène vraagt de advocaat aan de jongste broer: wilde je dat het misbruik stopte? En hij zegt: nee. Want dit waren de enige momenten waarop zijn vader lief tegen hem was.’

Zijn jouw behandelingen in de loop der tijd veranderd?

‘Eerst werkte ik vooral met slachtoffers, maar gaandeweg ben ik soms ook plegers en omstanders erbij gaan halen in de behandelkamer. Als een kind is misbruikt, betekent dat namelijk niet altijd dat het gezin uit elkaar valt. Ik ben veel gaan lezen om alle perspectieven beter te snappen. In elk geval helpt het niet als je tegen een slachtoffer zegt: o, wat is jouw broer een klootzak, die wil je natuurlijk nooit meer zien.

‘Het mooiste is het als een pleger hier in de kamer uiteindelijk tegen het kind zegt: ík heb dat gedaan, ík heb dat bedacht en ik had dat nooit mogen doen – jij bent onschuldig. Die situaties maak ik soms mee. Als dat gebeurt, is mijn therapie een stuk effectiever.’

Wat heb je ontdekt over plegers?

‘Dat ze bijna allemaal tekort zijn gekomen. Hun zelfbeeld is laag: ik ben anders, niemand zit op mij te wachten, ik hoor nergens bij. Tegen kinderen die zijn misbruikt, zeg ik vaak: wat zul jij je eenzaam hebben gevoeld, met dat geheim dat je aan niemand durfde te vertellen. En tegen plegers zeg ik: je gedrag wijs ik af, maar wat moet je eenzaam zijn geweest, met die angst dat het uit zou komen. Seksueel misbruik gaat over eenzaamheid.’

Onlangs meldde het Meldpunt Kinderporno een andere zorgelijke ontwikkeling: de toename van soms tamelijk expliciet seksueel beeldmateriaal dat kinderen onder de 12 zelf maken en verspreiden.

‘Ik ga dat volgend jaar samen met het meldpunt onderzoeken. Zo’n filmpje kan een aanwijzing zijn dat er thuis wat aan de hand is: onveiligheid, of eerder seksueel misbruik. Ik zie mijn eigen patiënten soms ook seksueel risicogedrag vertonen. Door het misbruik zijn hun grenzen vervaagd: ze zijn onzeker, zoeken bevestiging.

Fel: ‘Ik begrijp niet waarom er zo weinig publieke discussie is over misbruik van kinderen, ook online. Steeds meer kinderen voelen zich eenzaam en zitten op hun kamer achter een scherm, onbereikbaar voor ouders. Die zijn vatbaar. Nederland sláápt, echt. We zijn collectief verontwaardigd over grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer en demonstreren tegen geweld tegen vrouwen. Heel goed. Maar waarom gaat niemand hiervoor de straat op?’

Vanaf 2027 zijn alle EU-lidstaten door nieuwe richtlijnen verplicht om meerdere multidisciplinaire rape centers te hebben die 24 uur per dag bereikbaar zijn. ‘Precies wat wij doen’, zegt ze. ‘Maar het gekke is: we zitten in code oranje.’

Wat betekent dat?

‘Onze financiering is in 2018 overgenomen door de gemeenten. Daardoor moeten we al jaren werken met marginale budgetten. We hebben elk jaar geen idee of we het jaar erop voldoende geld zullen hebben. Coördinatoren onderhandelen eindeloos met gemeenten die moeten bezuinigen en straks bovendien een ‘ravijnjaar’ hebben. Omdat het aantal misbruikslachtoffers snel stijgt, kregen we vorig jaar ruim een miljoen euro erbij van het ministerie van Justitie. Maar dat geld blijkt er dus niet te zijn. Het is niet ‘traceerbaar’, want het is in de grote gemeentepot gestort en uitgegeven aan tekorten. De meeste CSG’s hebben nu een stop op hun begroting. Vanaf 2026 gaan we inboeten op kwaliteit. Terwijl we er het jaar erop dus op volle kracht moeten staan.’

Als je terugkijkt, wat zou je dan anders hebben gedaan?

‘Ik heb die decentralisatie onderschat. Dit gáát gewoon niet zo. Het is inefficiënt, onvoorspelbaar, niet duurzaam. Het CSG zou landelijk gefinancierd moeten worden; dit moet je verankeren in de wet.’

Ondertussen loopt het bij de zedenrecherche niet zo lekker, zagen we in de veelbesproken documentaire van Sunny Bergman, Blauwe ballen en andere verkrachtingsmythes. Een slachtoffer vertelde dat ze er door hun benadering nog een trauma bijkreeg.

‘Ik herkende niet wat ik zag in die documentaire, en dat meen ik. Dat heb ik ook tegen Sunny gezegd. Er zijn in Nederland bijna zevenhonderd zedenrechercheurs met wie we nauw samenwerken. Natuurlijk zijn er mensen van wie je denkt: is het geen tijd voor ander werk? Maar de meerderheid probeert met alle middelen die ze hebben echt zo goed mogelijk hun werk te doen.

‘Ik heb meegelopen met de Rotterdamse zedenrecherche, en op een willekeurige maandagochtend worden daar in de debriefing tientallen zaken besproken. In die overload moeten zij kiezen: waar gaan we op af, wat doen we niet? Zij hebben zelf ook buikpijn van het gebrek aan capaciteit. Dat moeten ze telkens maar van zich af laten glijden. Ik was totaal in shock door wat ik in Rotterdam zag. Dus ik vond het beeld van de zedenrecherche in die documentaire risicovol. Hoeveel mensen stappen hierdoor niet naar de politie?’

Wat zei Bergman?

‘Dat ze de manier waarop de politie reageerde niet naast zich neer kon leggen. En dat snap ik. De politie geeft ook toe dat ze in het verleden fouten heeft gemaakt. Maar bij de nieuwe zedenwet hebben ze me bijvoorbeeld om hulp gevraagd, zodat rechercheurs leren om mensen traumasensitief te ondervragen. Daar zijn ze heel serieus mee bezig. Ik denk dan: zet dat andere beeld er ook naast, geef ze wat krediet. We hebben de politie keihard nodig.’

Zoek je hulp na seksueel misbruik? Bel 0800-0188.

Luister hieronder naar onze podcast ‘de Volkskrant Elke Dag’. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next