In Het verhaal over Mevrouw Berg speelt auteur Ingvild H. Rishøi een geraffineerd spel met fictie, schrijft dichter Sasja Janssen. Besta je wel, los van iedereen?
Hoe bestaan wij? Welke verhalen bedenken wij om het leven het hoofd te bieden? Vragen die de vijf fraaie verhalen uit Het verhaal over Mevrouw Berg van de Noorse auteur Ingvild H. Rishøi (mooi vertaald door Liesbeth Huijer) uitademen.
Ze voeren me naar een andere, haast retorische vraag van de Britse criticus James Wood in zijn boek Hoe fictie werkt: ‘Zijn we op een bepaalde manier niet allemaal fictionele personages, die worden beschermd door het leven en die door onszelf worden bedacht?’
In plaats van te vragen of het personage weet dat hij niet echt is (zo’n vervelende, postmoderne vraag), wordt de bal naar ons, de lezers teruggespeeld. Springen we in die bedachte wereld, worden wij de personages?
De technische verdienste van Rishøi is dat ik me via dit zorgvuldige bouwwerk van taal even werkelijker voel dan in de alledaagse werkelijkheid. Door dit boek voel ik me, vanwege het veelvuldig gebruikte kindperspectief, weer het kind dat ik ooit was. Maar ook dat ik nooit was, en universeler nog: het kind dat ik nog altijd ben.
Ja, ik zit weer op de bruinleren Leolux-bank in de woonkamer met bruine plavuizen, het is vrijdagmiddag en ik lees een bibliotheekboek. Ik ben me bewust van de bank, mijn opgetrokken knieën, het eindemiddaggeluk (straks chips en cola bij Toppop), de handeling van het lezen.
De tintelende herhaling waarmee het eerste verhaal opent, slingert me in het wachten van Emilie op haar onbetrouwbare moeder, in haar ingesnoerde verlangen, het afgesneden zijn, versterkt door haar opsomming van begrensde dingen: ‘Het gras, het grind, het hek, het asfalt. Het gras, het grind, het hek, het asfalt.’ Tot de sneeuw ze bedekt, en daarmee de pijn, ‘en het wit wordt in mijn hoofd’.
Net als Emilie in het eerste verhaal hoop ik ‘een beetje anders’ te worden, of beter nog: een ander, zodat ‘alles anders wordt’. Zoals het pubermeisje, volgens anderen een kopie van Janis Joplin, zich opgetild voelt: ‘Om op iemand te lijken. Dat is een van de beste dingen, dat witte gevoel als paracetamol begint te werken.’ Er wordt een koppeling gemaakt met wat literatuur vermag: ‘Als iemand je gewoon voorleest en je je ogen dicht kunt doen. Om op iemand te lijken.’
Een meisje van 8 stelt in het tweede verhaal ‘Mensen wegtoveren’ ongeveer diezelfde ‘woodiaanse’ vraag aan haar tante, nadat ze is ontwaakt uit een nachtmerrie: ‘Ze duwt haar hand tegen mijn heup en fluistert dat ze haar armen en handen niet voelde, en het licht valt blauw over haar. Ze vraagt me of ze bestaat, of ik zeker weet dat ze bestaat.’
Hier niet die postmoderne inzet, nee, het is een vraag die symbolisch is voor bijna alle personages, die behept zijn met een diepe eenzaamheid. Besta je wel, los van iedereen? Tegelijkertijd schemert door de vraag van het meisje de oproep van de auteur om haar personages bestaansrecht te geven. Je moet een handlanger van de schrijver worden, om met Virginia Woolf te spreken.
Korte verhalen doen me aan gedichten denken. Alle elementen die in het begin worden geëxposeerd, dragen het einde in zich. Ze lopen uit als de kleuren op een lakmoespapiertje, wat voor een sterke stuwing zorgt, net als in een goed gedicht. Het proza van Rishøi is eerder verticaal dan horizontaal. Ook gebruikt ze wit als vormelement. Ze isoleert zinnen die de eenzaamheid verbeelden, hun indringende herhaling roept spanning op.
De kleur ‘wit’ zingt door de verhalen. Kleur kondigt een verandering aan, in het landschap, in de verhoudingen. Rishøis taal is echter weinig beeldrijk, waardoor de spaarzaam gebruikte beelden extra opvlammen. Zoals dit beeld, een metafoor voor de rouw van het kind om haar hamster, een metafoor die zijzelf bedenkt: ‘Hij – haar vader – legde de hoorn op de haak, (...) met mij nog als een kostuum over zijn arm.’
Het laatste, indrukwekkende verhaal ‘Mijn meisjes’ bevat alle bouwstenen uit de bundel. Donker en licht, wit en kleur. Hier weer het geraffineerde spel met fictie. Een jonge vader vertelt zijn oudste dochter, die hij sinds het vertrek van de moeder nooit meer heeft gezien, zijn versie van wat er is gebeurd. Maar hij gaat verder dan dat. Hij houdt zich overeind met een gefingeerd leven met hen.
Daarom vertelt hij het als een sprookje. ‘Er was eens lang geleden een dag dat ik op het bankje bij het winkelcentrum zat.’
En zo wordt hij zijn eigen handlanger: ‘Ik droom elke dag hoe het verder ging. (...) Soms ben je vijftien (...) en soms ben je twintig en ga je een café binnen, dan draag je een wollen jas, heb je sneeuw in je haar (...). En dan vertel ik de hele klerezooi. Hoe het begon. Hoe het eindigde.’
Ik moest herhaaldelijk aan de eveneens melancholieke film Aftersun denken (2022, Charlotte Wells) waarin we via beelden gefilmd met een camcorder door zowel een 30-jarige vader als zijn tienerdochter de relatie tussen hen ervaren. Naast de ‘echte’ zien we ‘verzonnen’ herinneringen van de inmiddels volwassen dochter aan de vader. Film in film, fictie in fictie. Het spel intensiveert het drama.
Op die bank kon ik nog niet verwoorden dat je door in de fictionele droom te duiken meer wordt dan slechts jezelf. Maar ik voelde het wel. Er opent zich een kloppend hart, als een bloem. Je leeft! Er doemen mogelijkheden op om te veranderen, of om de dingen te accepteren. En zo is het, hoe wij kunnen bestaan.
Ingvild H. Rishøi: Het verhaal over Mevrouw Berg. Uit het Noors vertaald door Liesbeth Huijer. Koppernik; 160 pagina’s; € 23,50.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant