Weinig kinderboekenkasten waarin géén werk van Jan Terlouw te vinden is. Met Pjotr, Koning van Katoren en Oorlogswinter manifesteerde de D66-bestuurder en kernfysicus zich ook als een van de meest geliefde kinderboekenschrijvers van zijn tijd – hier en daar een tikje oubollig, maar altijd bevlogen en optimistisch.
Jan Terlouw mag een invloedrijk bestuurder en een verdienstelijk kernfysicus zijn geweest, hij blijft ongetwijfeld het langst geliefd als kinderboekenschrijver.
Dat hoopte hij in elk geval zelf. Wie hem vroeg welk deel van zijn werk het invloedrijkst was, kreeg steevast hetzelfde antwoord: zijn kinderboeken.
En dat mag. Terlouw debuteert in 1970 met het politiek getinte avonturenverhaal Pjotr en is al snel een van de belangrijkste jeugdauteurs van zijn tijd. Koning van Katoren en Oorlogswinter (1971 en 1972, beiden Gouden Griffel) worden de bekendste van zijn boeken, die allemaal nog in druk zijn.
Drie ervan zijn verfilmd en Terlouws totale oplage is de miljoen ruimschoots voorbij.
Inspiratie voor zijn verhalen, waarin wereldproblemen met jongensachtige bravoure en romantisch optimisme worden opgelost, vindt Terlouw in zijn jeugd. Als oudste zoon van een dominee verhuist hij in de jaren dertig van gemeente tot gemeente, tot de Tweede Wereldoorlog daar ruw een einde aan maakt.
Die tijd is, naar eigen zeggen, zijn belangrijkste leermeester geweest.
’s Avonds aan de keukentafel begint hij voor zijn drie dochters Sanne, Ashley en Pauline avonturen te verzinnen. Zijn vrouw Alexandra doet de stilletjes de afwas, terwijl de kinderen ademloos luisteren.
En zij ook; het is Alexandra die hem aanspoort het meest geslaagde verhaal aan een uitgever te sturen.
Zijn eigen ervaringen zijn in die eerste kinderboeken nooit ver weg. Pjotr, geïnspireerd op een wetenschappelijk congres in de toenmalige Sovjet-Unie, gaat over een veertienjarige Russische jongen die op zoek is naar zijn vader in Siberië. In Oorlogswinter raakt de vijftienjarige Michiel betrokken bij het verzet.
Maar het meest tot ieders verbeelding spreekt het moraalsprookje Koning van Katoren (1971), dat verschijnt in het jaar dat Terlouw zich verkiesbaar stelt voor de Tweede Kamer. De 17-jarige Stach wil koning worden van zijn land, maar moet eerst zeven opdrachten volbrengen. Zoals het omhakken van de granaatappelboom van Wapenfelt, het wegjagen van de vogels van Decibel en het overwinnen van de draak van Smook.
Het is overduidelijk dat de uitdagingen gaan over geluidsoverlast, milieuvervuiling, de wapenwedloop en religieuze tegenstellingen.
Niet voor niets wordt de bekroonde bestseller door sommigen plagerig de kinderversie van het D66-partijprogramma genoemd. Dat Terlouw er toch zo’n succes mee boekt, heeft alles te maken met zijn vertellerscharme: nooit gaan zijn verhalen alleen over politiek. Altijd is er een spannend plot en een fijne portie vlinders in de buik voor de beginners in de liefde.
Zijn tikje oubollige schrijfstijl (‘Verdorie, wat zit hij daar nu indolent’) en zijn schetsmatige personages roepen ook kritiek op. ‘Boekentaal’ vindt zijn grootste criticaster Kees Fens, de toenmalige kinderboekenrecensent van de Volkskrant.
Bij uitgeverij Lemniscaat wordt de anekdote verteld dat zijn redacteur ook wel eens kritisch is, maar dat kinderen die het manuscript als eersten mogen lezen zó enthousiast zijn, dat de boeken van Terlouw precies zo worden uitgegeven als hij ze inlevert.
En wat is daar ook eigenlijk mis mee? Wat Terlouw literair misschien tekort komt, wordt ruimschoots goedgemaakt door wat hij te vertellen heeft. Terlouw schrijft bevlogen en op een explosief tempo: hij schrijft ’s avonds, in weekeindes, om zijn boeken als een razende af te maken tijdens vakanties.
Als het manuscript op weg is naar de uitgever, is de schrijver allang weer het land aan het besturen.
Hoe spannend dat is, valt te lezen in zijn nagenoeg vergeten parlementaire thriller De derde kamer (1978), waarin hij nu eens onverbloemd vertelt hoe het er achter de politieke schermen van een ongemakkelijke coalitie aan toe gaat en hoe profijtelijk maar ook pijnlijk compromissen kunnen zijn. De lezer snapt achteraf wat een stem waard is: niet veel, maar zeker ook niet niks. Zo meeslepend is er na Terlouw aan jongeren niet meer over democratie verteld.
Zijn beroemde optimisme verliest hij nooit. Al is daar wel een kanttekening bij te plaatsen. In 1983 verschijnt De kloof, zijn beste boek, kort na de grote nederlaag van D66. Hij beschrijft daarin een fantasiewereld met een schijnbaar onneembare breuklijn tussen het rijke land Berg en het arme land Dal. De enige ingenieur die denkt een brug te kunnen bouwen is al heel lang vermist.
Ginder Sekoer maakt een lange omweg door de woestijn om naar de wetenschapper op zoek te gaan en doet de ene na de andere grimmige ontdekking. Wil het rijke Berg het arme Dal wel helpen? Natuurlijk komt het goed, maar bepaald niet vanzelf.
In 2007 verschijnt, 35 jaar na het origineel, Zoektocht in Katoren, zijn laatste officiële kinderboek. Daarin is de Koning Stach inmiddels bejaard en Katoren een welvarend land, waar geen problemen meer zijn. Behalve misschien de welvaart zelf. Het moderne Katoren gaat gebukt onder kortzichtigheid en halfslachtige oplossingen.
‘Ach, de mensen zijn zo consequent als een toverbal en zo voorspelbaar als een tsunami’, typeert de oude koning Stach zijn volkje. Wijzer geworden, maar nog altijd milder dan iedereen.
Vandaag verloor de jeugdliteratuur haar koning.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant