Wie een ‘recessieve’ genetische aandoening heeft, merkt daarvan niets, zo staat het in de biologieboekjes. Een nieuwe ontdekking blaast dat heilige huisje omver: een groep dragers blijft vaker kinderloos. ‘Dit gaat in tegen iets heel basaals.’
Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, gespecialiseerd in klimaat en microleven.
Veel mensen hebben er een bij zich. Diep verstopt in hun DNA, zonder dat ze het weten, dragen ze een mutatie, een kleine ‘tikfout’ in de letters waaruit hun genen zijn opgebouwd, die het in zich heeft een mensenlijf drastisch te verstoren. Niets aan de hand, zolang het geen ‘dominante’ mutatie is: omdat genen in tweevoud komen, hebben ze altijd nog een wél correct werkend exemplaar.
Totdat moeder én vader stomtoevallig allebei precies dezelfde niet-dominante (oftewel ‘recessieve’) mutatie blijken te dragen en die doorgeven aan hun kind. Het kind krijgt dan twee kapotte genen mee in plaats van een, waarna een aandoening zich openbaart. Autisme. Een verstandelijke beperking. Of, dat ook, een aangeboren lichamelijke kwaal. Een bizarre speling van het lot die zich zo heel af en toe openbaart.
‘Het heeft gigantische impact dat we dit soort mutaties tegenwoordig kunnen opsporen en aantonen’, vertelt Han Brunner, net met emeritaat als hoogleraar klinische genetica bij het Radboud UMC. ‘We hebben meegemaakt dat een moeder zei: dit is de mooiste dag in mijn leven. Nu weet ik dat er een verklaring is voor de aandoening van mijn kind. Er zijn meer kinderen die dit hebben, het is niet mijn schuld. Dat brengt veel teweeg.’
Maar een vreemd raadsel is er ook. ‘Patiënten met een recessieve verstandelijke beperking komen maar heel weinig voor in vergelijking met andere recessieve genetische aandoeningen’, zegt Brunner. Preciezer: eigenlijk zouden er drie keer zoveel geestelijk gehandicapte kinderen geboren moeten worden met zo’n recessieve verstandelijke aandoening, rekent hij voor.
Eigenlijk kan dat meer één ding betekenen. Kennelijk slagen mensen met zo’n recessieve mutatie er minder goed in hun DNA door te geven aan hun nageslacht. Om de een of andere reden krijgen ze minder kinderen. ‘1 procent minder is al genoeg om te verklaren wat we zien’, zegt Brunner. ‘Dat lijkt weinig. Maar het telt toch op.’
Wacht even. Minder kinderen? ‘Dat gaat in tegen iets heel basaals’, zegt hoogleraar klinische genetica Gijs Santen (LUMC), zelf niet betrokken bij Brunners zoektocht. Want bij een ‘recessieve’ eigenschap hoor je van een ‘halve’ mutatie niets te merken, heet het altijd. ‘We gaan uit van het paradigma dat recessief dragerschap geen enkele consequentie heeft voor de drager. Dat is hoe we hiernaar kijken’, zegt Santen.
Spittend in een Britse medische databank van haast 380 duizend mensen vond Brunner het nu dan tóch: bewijs dat ook een ‘halve’ recessieve aanleg wel degelijk gevolgen kan hebben. Mensen met in hun DNA een mutatie in een van de 363 soorten recessieve genen die achter verstandelijke handicaps zitten, blijken drie keer zo vaak kinderloos te blijven als mensen zonder recessieve mutatie.
En er is nog iets: gemiddeld volgen de dragers met de 118 heftigst doorwerkende mutaties liefst vier jaar minder onderwijs. Dat zou de hogere kinderloosheid kunnen verklaren, betoogt Brunner samen met vier collega’s, deze week in vakblad Nature Human Behaviour. Bekend uit de sociologie is immers dat vooral lageropgeleide mannen moeilijker aan een vrouw komen – en zodoende wellicht ook minder nakomelingen voortbrengen.
‘Mijn gedachte is dat dit effect niet bij iedereen even groot is’, zegt Brunner. ‘Stel dat dragerschap van zo’n mutatie vijf punten op een IQ-score scheelt. Bij iemand met een IQ van 120 zul je niets merken. Maar als je IQ door zo’n mutatie zakt van 80 naar 75, kan dat betekenen dat je net wat minder meedoet in de maatschappij.’
‘Een heel mooi stuk. Echt een bijzondere ontdekking’, oordeelt Santen, na lezing van het onderzoek. ‘En een eyeopener. Dit kan verklaren waarom recessieve geestelijke aandoeningen zo zeldzaam blijven.’ Over individuele ouders zegt de vondst weinig, benadrukt Santen wel: ‘Het gaat hier om een subtiel effect. Het is niet voor niets dat je meer dan 350 duizend mensen nodig hebt om dit aan te kunnen tonen’, zegt Santen.
De Gezondheidsraad laat onderzoeken of ouders met een kinderwens, als ze dat willen, hun DNA vooraf niet op allerlei recessieve aandoeningen moeten kunnen laten doorzoeken, om te voorkomen dat ze per ongeluk samen een ernstig gehandicapt kind verwekken. Brunner verwacht niet dat daarbij ook het dragen van maar één defect van belang is. ‘Omdat het effect voor ieder individu apart veel te klein is’, zegt hij.
Tot dusver geldt in Nederland dat alleen mensen met een zeer ernstige erfelijke aandoening in de familie in aanmerking komen voor genetische hulp bij het krijgen van kinderen. Dergelijke stellen kunnen bijvoorbeeld overgaan tot kunstmatige inseminatie en vervolgens een embryo kiezen voor implantatie dat vrij is van het defect, via zogeheten ‘PGT’ (pre-implantatie genetisch testen).
Maar de grenzen van wat er mogelijk is verschuiven. Zo zijn er in het buitenland al commerciële bedrijven die beweren embryo’s te kunnen selecteren met minder risico op aandoeningen als hartziekte en dementie – al hameren experts erop dat die claims extreem twijfelachtig zijn.
Voor Brunner, die tien jaar geleden liet zien dat nieuwe, dóminante mutaties de hoofdoorzaak zijn van verstandelijke handicaps, is het allang bevredigend dat de zoektocht naar de vermiste gehandicapten een antwoord heeft opgeleverd. Hij heeft zich op de publicatie verheugd. ‘Ik heb me hier tien jaar het hoofd over gebroken’, zegt hij.
Luister hieronder naar onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant