schrijft voor de Volkskrant over verlangen, politiek en ondergang.
In de Berggasse 19 in Wenen heeft Sigmund Freud 47 jaar gewoond en gewerkt, tot hij op 4 juni 1938 voor de nazi’s moest vluchten. Aan de voorgeschreven verklaring die hij bij zijn vertrek moest ondertekenen, om te zeggen dat hij correct was behandeld, voegde hij toe: ‘Ik kan de Gestapo iedereen van harte aanbevelen.’
Op 6 mei, Freuds geboortedag, organiseert het Freudmuseum, gevestigd in Berggasse 19, sinds jaren de Freudlezing. Dit jaar werd die gegeven door John Coetzee. Ik was ervoor naar Wenen gereisd. Freud en het huwelijk, daarover zou de lezing gaan, over waar normale jaloezie ophoudt en de abnormale begint.
Aan het einde van de middag liet ik mijn zoontje achter in handen van babysitter Maxim, een jongeman op een motor. Hij leek betrouwbaar.
‘Wat moet ik doen als hij honger krijgt?’ vroeg Maxim.
‘Bel roomservice’, zei ik. ‘Er staat goulash op het menu.’
Toen haastte ik me naar de Berggasse. De gemiddelde leeftijd was weer eens hoog, maar her en der dook een puber op. Jaloezie is van alle leeftijden.
Coetzee is 85, in Wenen wekte hij de indruk nog menig veldslag te zullen winnen. Zijn lezing begon hij met de woorden ‘soms is een sigaar gewoon een sigaar’, die aan Freud worden toegeschreven.
Het vervolg was ook uitstekend. Othello kwam voorbij, Romain Rolland, de Franse schrijver met wie Freud correspondeerde, en het ‘oceanische gevoel’, een begrip dat Rolland had gemunt en dat Freud beweerde niet te kennen.
De ‘objectkeuze’ werd behandeld. Waarom kiezen wij degene met wie wij zijn? Misschien is liefde een poging je van rivalen te ontdoen.
Volgens Coetzee was Freud een bange man, te bang om overspel te plegen.
In het hotel zat het bed onder de goulash, dat paste wel bij de Freudlezing.
Maxim fluisterde: ‘Alles is goed gegaan.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns