Ziekenhuizen oefenen continu om voorbereid te zijn op het onverwachte – van een gevallen drugsgebruiker tot een aanslag tijdens de aanstaande Navo-top in Den Haag. Maar een echte oorlog is een ander verhaal.
is zorgverslaggever van de Volkskrant.
Patiënt op komst, waarschuwt coördinerend SEH-arts Mischa Veen. Een scoop and run, iemand die door de hulpdiensten van straat is geplukt en rechtstreeks naar de spoedeisende hulp komt. Waarschijnlijk met drugs op van het balkon gevallen, weinig coöperatief, kans op letsel is groot, veel bloedverlies.
Een minuut later wordt Jack de traumakamer binnengereden. De drugs hebben hem onrustig en kortlontig gemaakt, en laten hem de ernst van de situatie niet inzien. ‘Welkom in het ziekenhuis, Jack’, zegt een verpleegkundige, een van de zeven zorgverleners rond het bed, ‘we doen even je jas uit.’ Ondanks zijn letsel weigert hij mee te werken.
‘2,5 mida’, besluit de anesthesioloog, een middel om Jack rustig te krijgen. Bewust niet te veel, zal ze later uitleggen, je weet nooit hoe drugs en medicijnen precies op elkaar zullen inwerken. Het haalt nog weinig uit. Jack heeft meer zin in een feestje dan in een medisch onderzoek.
Maar Jack heeft een hoofdwond en inwendig letsel. Nog maar 2,5 mida dan. Dat helpt. Jack wordt rustig, de verpleegkundigen draaien hem op zijn zij, zodat ze het rugletsel kunnen onderzoeken. ‘In principe is hij stabiel.’
En dan, net op het moment dat de rust lijkt teruggekeerd, kondigt Veen een tweede traumapatiënt aan. Chirurg in opleiding Jelle Spiering moet nu beslissen: wie blijft bij Jack en wie gaat er mee naar de andere traumakamer?
Het is vrijdagochtend 8.25 uur en de spoedeisende hulp van het HMC Westeinde in Den Haag, een van de grootste van het land, vormt het decor voor een kruising van de televisieprogramma’s ER en De vloer op. Elke eerste vrijdag van de maand oefenen medewerkers van alle medische disciplines uiteenlopende scenario’s om voorbereid te zijn op het onverwachte.
‘De crux van zo’n casus als vanochtend’, zegt Veen na afloop in de koffiekamer, ‘is dat je oefent wat je doet als er iets anders doorheen komt zeilen. Zoals die tweede patiënt. Wij zijn hier met zoveel medewerkers dat je nooit met precies hetzelfde team werkt. Het raamwerk moet daarom goed staan.’
Er komt de komende jaren nogal wat af op de Nederlandse zorg. Niet alleen personeelstekorten en vergrijzing, maar ook de gevolgen van de toenemende geopolitieke spanningen. De roep vanuit de Navo is luid: iedere burger moet zich voorbereiden op oorlog, voor 72 uur noodpakketten in huis hebben. Defensiebudgetten moeten omhoog. De Russische dreiging neemt alleen maar toe, concludeerde de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst afgelopen maand in het jaarverslag.
De vraag is: hoe bereidt de zorg zich voor op zo’n conflict? Wanneer het zorgsysteem instort en gewonde soldaten geen zorg meer kunnen krijgen, dan zijn de kansen in een oorlog verkeken.
Voor het Westeinde-ziekenhuis is er nog een specifieke vraag: hoe bereidt dat zich voor op de Navo-top, die eind juni 3 kilometer verderop zal worden gehouden en de hele stad zal platleggen, met tal van aanslaggevoelige wereldleiders? Zonder enige vorm van paniek, zo blijkt.
‘We hebben wel vaker grote evenementen in de stad’, zegt traumachirurg Sander Verhage. ‘Elk jaar spelen scholieren hier de Verenigde Naties na, dan hebben we tientallen dronken tieners in de stad. Met koningsnacht of oud en nieuw krijgen we altijd veel patiënten binnen.’
Een ziekenhuis, zegt hij, is het eindpunt van de keten. Als andere partijen oefenen hoe zij hun gewonden bij het Westeinde krijgen, dan regelt het ziekenhuis de patiëntenzorg. ‘De meerwaarde van zo vaak trainen als wij doen, is dat wij ons op alle mogelijke situaties voorbereiden.’
Komen er in één keer veel patiënten binnen, dan heeft het ziekenhuis een nood-app: een verplicht soort NL Alert voor medewerkers van het ziekenhuis dat alle niet-storeninstellingen op telefoons negeert en oproept zo snel mogelijk naar het ziekenhuis te komen. SEH-arts Veen: ‘Wij hebben de ruimte om veel patiënten tegelijk te behandelen en de bereidheid van medewerkers om te komen in geval van nood is opmerkelijk hoog. Als er iets groots gebeurt, staan wij er met z’n allen.’
Behalve de reguliere ziekenhuizen heeft de Nederlandse zorg nog een troef in handen. Die ligt in de voormalige atoombunker van het UMC Utrecht: het Calamiteitenhospitaal. Een volledig ingericht doolhof, waar verdeeld over een aantal zalen tweehonderd bedden strak in het gelid staan te wachten op patiënten die wellicht nooit zullen komen.
Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.
Het ziekenhuis heeft een overzichtelijke missie: het moet 24 uur per dag en 365 dagen per jaar binnen een half uur in staat zijn tweehonderd patiënten tegelijkertijd op te vangen.
Daartoe liggen er, gelijk na binnenkomst, petten klaar voor de coördinerende medewerkers, zodat in de chaos van een ramp iedereen direct kan zien wie welke rol heeft. Groene petten voor de artsen, rode voor de verpleegkundigen, zwarte voor de managers, gele voor de administratieve medewerkers. In het pettenhok liggen ook de clipboards klaar, genummerd van 1 tot en met 200, voor iedere patiënt één, waarop de medische noodzakelijkheden zo kort mogelijk (en met pen) kunnen worden genoteerd – het inkloppen in de computer komt later wel.
Patiënten met serieuze verwondingen gaan eerst naar de ‘crashroom’, waar tien bedden klaarstaan met alle benodigde apparatuur eromheen om snel de diagnose te kunnen stellen. Het Calamiteitenhospitaal heeft genoeg materiaal en medicijnen op voorraad om 72 uur zonder hulp van buitenaf te kunnen functioneren, pas daarna moet het gaan teren op de voorraden van het UMC Utrecht boven de grond. (De voorraden worden nauwkeurig bijgehouden: is iets een half jaar voor de uiterste houdbaarheidsdatum, dan gaat het door naar de apotheek van het umc, zodat niets wordt weggegooid.)
Er liggen flesjes water klaar, mueslirepen en veel suikerhoudende dranken en tussendoortjes, zodat niemand van een flauwte tegen de vlakte gaat. De afspraak met de cateraar is dat, ongeacht het tijdstip, vrijwilligers van het Rode Kruis (dan ook al opgeroepen) binnen 90 minuten het ontbijt, de lunch of het avondeten kunnen uitdelen.
Al die medewerkers komen naar het ziekenhuis door middel van een ‘belboom’, een lekker nostalgische benaming voor een volautomatisch computersysteem dat in minder dan 8 minuten de honderden benodigde zorg- en niet-zorgmedewerkers bij elkaar belt – ook deze oproep breekt dwars door alle stille of niet-storentelefoonstanden. ‘Het Calamiteitenhospitaal is nu open. Kunt u komen?’, vraagt een computerstem. ‘Druk 1 bij ja, druk 2 bij nee.’
Het slimme van het systeem is dat het precies weet hoeveel verpleegkundigen, anesthesiologen, chirurgen en röntgenmedewerkers er nodig zijn voor het type ramp dat het hoofd moet worden geboden. Zijn twee anesthesiologen genoeg? En hebben er twee bevestigd te komen? Dan zal het systeem niet verder bellen naar nummer drie en vier op de lijst. Die lopen alleen maar in de weg en bovendien: ze zijn later nog hard nodig.
Alles over wetenschap vindt u hier.
De belboom is een van de manieren waarop het Calamiteitenhospitaal constant innoveert om zo goed mogelijk klaar te staan, zegt Joris Prinssen, die sinds twee jaar hoofd is van het noodziekenhuis. Hij is er neergezet vanuit de marine, want het ziekenhuis is een samenwerking tussen het UMC Utrecht en Defensie.
Prinssen: ‘Bij de aanslagen in Brussel zag je veel frustratie bij het personeel, omdat een deel weer naar huis werd gestuurd. Als je te veel mensen oproept, worden mensen boos dat ze niet kunnen helpen. Maar je moet ook aan het uithoudingsvermogen van je capaciteit denken.’
Overigens is het nadrukkelijk de bedoeling dat het Calamiteitenhospitaal een paar dagen na de ramp weer leeg is. Het ziekenhuis dient als extra capaciteit voor de eerste golf aan patiënten. Prinssen: ‘De slachtoffers die er het zwaarst aan toe zijn, moeten geholpen worden in het traumaziekenhuis dat het dichtst bij de rampplek staat. Wij zijn er juist voor de slachtoffers die uit de directe omgeving gehaald kunnen worden, zodat in de ziekenhuizen capaciteit overblijft voor andere patiënten.’
Er zijn vijf mogelijke redenen voor het Calamiteitenhospitaal om de deuren te openen. Bij groepen militairen die gewond van het slagveld terugkomen; bij rampen in Nederland; bij repatriëring van groepen gewonde Nederlandse burgers (denk aan een busongeluk in Spanje); als Nederland wil bijspringen bij onheil in het buitenland (een tsunami bijvoorbeeld, maar ook: vijftig gewonde Libiërs in 2011 tijdens de opstand tegen Kadhafi); bij gevaarlijke infectieziekten als lassakoorts.
Dus ja, zegt Lukas van Spengler, al jarenlang manager van het ziekenhuis en namens het UMC Utrecht verantwoordelijk voor de samenwerking met Defensie: op die eerste klap ‘zijn we voorbereid, daar zijn we al die jaren voor aan het trainen’. En zelfs voor de eerste 350 militairen die gewond terugkomen van het slagveld heeft Defensie afspraken met veertien ‘relatieziekenhuizen’: die hebben elk de plicht ruimte te maken voor 25 gewonde soldaten.
Toch, zegt Van Spengler, ‘is het een andere vraag hoe Nederland zich veel breder voorbereidt op een mogelijke oorlog’. Afspraken over landelijke voorraden zijn er bijvoorbeeld niet en het is ook niet duidelijk welk ziekenhuis op welk moment welke slachtoffers moet opnemen.
Van Spengler: ‘Waar we in de zorg met elkaar behoefte aan hebben, is regie op de voorbereiding. We zijn van elkaar afhankelijk om een oorlog aan te kunnen, maar het ingewikkelde is dat de manier waarop de zorg is georganiseerd niet past bij intensieve samenwerking. We hebben juist twintig jaar geleerd om met elkaar te concurreren.’
De overheid, zegt Van Spengler, is daarbij ‘klein en op afstand, en het ministerie heeft niet de macht om de zorg opdrachten te geven’. Dat wreekt zich nu, want dat maakt het moeilijk om morgen landelijke voorraden aan te leggen – ‘waar ik wel voor pleit’, aldus Van Spengler. Ziekenhuizen zelf zullen die buffers niet zomaar gaan aanleggen. De marges zijn flinterdun en buffers kosten geld. ‘Dus geen bestuurder zal zeggen: is goed joh, gaan we morgen mee beginnen.’
Er is nog heus wel tijd, zegt Van Spengler, een oorlog begint niet van vandaag op morgen. ‘Maar we zullen afspraken met elkaar moeten gaan maken over hoe we de zorg zo goed mogelijk kunnen laten doorgaan als er elke week tweehonderd gewonde militairen naar Nederland terugkeren.’
Luister hieronder naar onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant