Home

De lokroep van de Zuidas is moeilijk te weerstaan voor jong talent. Moeten andere sectoren dat succes kopiëren?

Talentvolle millennials en gen Z’ers vallen massaal voor zogenaamde topbanen als consultant, advocaat of bankier. Filosoof Lena Bril ontmoet er een en vraagt zich af: kan dit anders?

is filosoof en schrijft over moderne etiquette.

‘Ik heb geen bed’, verkondigde hij tijdens onze tweede date.
We zaten in het restaurant van een hotel, zaterdagmiddag, uitzicht over het Amsterdamse IJ. Hij bestelde een vierde americano – hij had de hele week tot diep in de nacht doorgewerkt.
Een maand geleden was hij verhuisd, vertelde hij, van een flat met huisgenoten naar een huurappartement in Amsterdam-Oost. Een verhuiswagen was er niet aan te pas gekomen: hij had de bus genomen om zijn spaarzame hoeveelheid spullen over te hevelen.

Voor het eerst woonde hij – midden 30 – alleen.
Ik had hem ontmoet op een datingapp. Zijn Hinge-profiel leek op dat van zoveel linkse jongens: foto’s in een klimhal, groepsportretten op een festival. Routineus scande ik door zijn bio. Lengte: 1.90 cm. Cineville, museumkaart, speciaalbierliefhebber, bordspellenfanaat.

Onder aan zijn profiel de emoji van een watermeloen met de tekst: ‘Laten we ervoor zorgen dat we op één lijn zitten.’

Hij was precies mijn type, een kopie van mijn ex. Ik wilde al naar rechts swipen, tot mijn oog op zijn beroep viel. Dit was geen linkse VPRO-jongen. Dit was een Zuidasboy. En niet zomaar een. Dit was een Zuidasboy op de top van de apenrots, bovenaan de ladder van een prestigieus kantoor, inclusief een bijpassend salaris. Maar zonder bed.

De derde date gingen we wandelen langs de Oostvaardersplassen. Ik haalde hem met de auto op bij het station van Almere, hij had bij de kiosk twee loeihete americano’s gekocht. De helft van de inhoud van de kartonnen bekers was over zijn handen gelopen.

Ik vroeg hem of het geen pijn deed, die koffie op zijn huid, en hij keek me verbaasd aan. Het was hem niet opgevallen dat zich op zijn vingers alarmerende rode vlekken hadden gevormd.

Terwijl we door de regen liepen, leerde ik het volgende over hem:

– Comfort interesseerde hem niets. Tijdens vakanties (een tweejaarlijks fenomeen) sliep hij in hostels. Zijn bank (model Mart Visser, geen echte) deed prima dienst als bed.

– Op dure horloges of maatpakken keek hij neer – dat soort frivoliteit vond hij maar ijdel en statusgericht. Zelf kocht hij al zijn kleding tweedehands.

– Geld was voor hem geen middel om vrouwen te imponeren. Toen de rekening in het pannenkoekenhuis op tafel verscheen, zei hij, geëmancipeerd als hij was: pak jij deze?

– Hij maakte zich ernstig zorgen over biodiversiteit en als student werkte hij elke vakantie als vrijwilliger in een kamp voor kinderen met een ernstige beperking.

– Emotionele intelligentie had hij in overvloed. Zelden stelde een date mij zo veel geïnteresseerde vragen.

Ik was, uiteraard, gebiologeerd door deze man. Wat dreef hem om tachtig uur per week te buffelen voor een bedrijf dat zo ver van zijn waarden en persoonlijkheid leek af te staan?

De lokroep van de Zuidas

Mijn Zuidasboy werkt in een van de sectoren die Correspondent-journalist Simon van Teutem in zijn gelijknamige boek ‘de Bermudadriehoek van talent’ noemt: het bankwezen, consultancykantoren en de zakelijke advocatuur.

De briljantste studenten van Oxford en andere topuniversiteiten, stelt Van Teutem, vallen massaal voor de lokroep van een loopbaan in de zakelijke dienstverlening. En dan niet bij ‘gewoon’ een kantoor in de betonnen jungle van de Zuidas, nee, de briljantste geesten werken bij voorkeur bij The Big Three (de meest prestigieuze consultancybureaus, zoals McKinsey), bij de ‘financiële Champions League’ (de grote banken: Morgan Stanley, Goldman Sachs) of de ‘A-klasse advocatenkantoren’ (NautaDutilh is voor de slimsten van de klas, Houthoff voor de losers).

De posities bij deze kantoren zijn schaars en extreem gewild onder studenten. Elk jaar ontvangt McKinsey wereldwijd meer dan één miljoen sollicitaties, JP Morgan vierhonderdduizend cv’s en Goldman Sachs ruim driehonderdduizend cv’s. Om aangenomen te worden moet je zeker zeven sollicitatierondes doorstaan, maar als je binnen bent, zit je er als werknemer warmpjes bij.

Een uitzonderlijk goed startsalaris, vooruitzichten op loonstrookjes met tonnen erop, bonussen, wellnessbudgetten, een Tesla van de zaak.

Dit zijn de ‘knappe koppen’ die collega-Correspondent-journalist Rutger Bregman met zijn School for Moral Ambition probeert over te halen om hun talent in te zetten voor de grote vraagstukken van deze tijd, zoals klimaatverandering en kindersterfte.

Bregman spreekt hen aan op hun hunkering naar status en probeert succes te herdefiniëren (wat is ambitieuzer: geld verdienen of een blijvende indruk op de wereld achterlaten?) en biedt met zijn school een degelijke vergoeding om de overgang van topsalaris naar een maatschappelijke carrière te verzachten. Want, zoals bekend: eenmaal gevangen in de ‘gouden kooi’ – hoog salaris dus hoge hypotheek, snelle gewenning aan jaarlijkse skivakanties, kinderen die óók naar topuniversiteiten moeten – komen de advocaten, de consultants en bankiers daar zelden nog uit. Maar wat als, zoals bij mijn Zuidasboy zonder bed, geld niet de drijfveer is?

Voor jou tien anderen

In De Bermudadriehoek van talent zet Simon van Teutem uitvoerig uiteen wat de aantrekkingskracht is van bedrijven als McKinsey, Loyens & Loeff of Goldman Sachs op ambitieuze en idealistische millennials en gen Z’ers. Bij deze bedrijven kunnen zij gegarandeerd ‘het beste’ uit zichzelf halen: de druk bij die kantoren is zo hoog (voor jou tien anderen) dat ze continu presteren op de toppen van hun kunnen.

De mensen die er werken – en dus op universiteiten zieltjes komen winnen – zijn bovendien charismatisch, slim, welbespraakt, een ster in schmoozing (informeel netwerken) en hebben vaak óók nog eens een edge (zoals een van Simons bazen bij Morgan Stanley, waar hij zelf stage liep: een man met een dwarslaesie die als roeier Nederland vertegenwoordigde op de Paralympische Spelen).

De superstudenten voelen: bij deze toppers moet ik horen, dit is het Oxford ná Oxford. Wie toch aan zijn maximale potentie zit, kan altijd een van de talloze cursussen, coachingtrajecten en trainingen volgen. McKinsey investeert voor zijn 45 duizend werknemers elk jaar meer dan 200 miljoen dollar in leer- en opleidingstrajecten. Na twee of drie jaar betalen de meeste consultancybureaus zelfs een MBA voor hun talenten.

De perfecte versie van jezelf

Maar waar deze bedrijven écht in zijn geslaagd, blijkt uit het onderzoek van Van Teutem, is het hacken van de psyche van deze streberige, en veelal onzekere, tienen-halers.

Ze waren altijd de beste toetsenmakers, daarna de sterren in tentamens en assessments – maar zonder een krul van de juf, een rapportcijfer of positieve evaluatie vervallen ze in verlammende onzekerheid.

De Oostenrijkse filosoof Isolde Charim beschrijft eenzelfde soort feedbackzucht in haar veelbesproken (en jammerlijk ontoegankelijke) boek Narcisme uit 2023. Volgens Charim heeft de mens zich altijd ‘vrijwillig onderworpen’ aan een ideaal – een religie of ideologie. Zo’n ‘onderwerping’ aan een collectief verhaal is volgens Charim noodzakelijk: het zorgt ervoor dat mensen elke dag uit hun bed komen en willen meedoen, willen bijdragen aan de maatschappij.

Dankzij zo’n gemeenschappelijke ideologie is de mens erin geslaagd om op grote schaal samen te werken – het zit evolutionair in ons ingebakken. De moderne mens onderwerpt zich volgens Charim niet meer aan God of de verlichtingsidealen, maar aan wat zij ‘het ideaal-ik’ noemt. De religie van deze tijd is, volgens Charim, het streven naar de perfecte versie van jezelf – een versie die nooit bestaan heeft en nooit vervolmaakt kan worden. Kern van deze ideologie is dus ‘zelfverwezenlijking’ of, zoals Charim het noemt, ‘narcisme’.

Deze ‘vrijwillige onderwerping’ is uniek in de menselijke geschiedenis: voor het eerst streeft de mens niet naar een gemeenschappelijk doel, maar gelooft het collectief in het verwezenlijken van een niet bestaand hyperindividualistisch ideaal. Daarbij is men altijd met de ander in competitie: iedereen wil elkaar overtroeven in bijzonderheid. En de ironie wil dat de mens, om succesvol te zijn, nu volledig afhankelijk is geworden van het oordeel van anderen.

Het doel – het nastreven van een perfecte versie van jezelf – bestáát immers niet en dus is de narcist overgeleverd aan de bevestiging van anderen. Dit ik-ideaal heeft volgens Charim onze houding ten opzichte van werk drastisch veranderd.

De oude meritocratie – waarin succes bepaald werd door inzet en talent – heeft plaatsgemaakt voor een nieuwe variant, waarbij je prestatie is losgekoppeld van inspanning of de inhoud van het werk. Vroeger had de arts simpelweg een deugdzaam beroep, nu wordt de dokter voortdurend blootgesteld aan het oordeel van de patiënt.

Nu staat het vervullen van de beroepsmatige plicht niet langer centraal (er bestaat immers geen gedeeld doel meer, enkel het verwezenlijken van het ik) maar de mate waarin je in de ogen van anderen succesvol bent. Daarom zijn moderne werknemers geobsedeerd door feedback, evaluaties en likes op sociale media.

De Bermudabedrijven voorzien perfect in die behoefte, met hun uitvoerige 360-evaluaties, slimme competitiemechanismen, uitgekiende beloningssystemen en de mogelijkheid jezelf voortdurend te verbeteren met coaching en trainingen.

Zwakke punten

Terwijl ik de werkdagen sleet met boeken lezen, nadenken en schrijven aan mijn boek, dat laatste een uur of drie per dag, maakte mijn Zuidasboy weken van tachtig, soms wel honderd uur.

Ik begon me lui te voelen, weinig productief (was mijn output wel voldoende? Bestaat een werkend mens wel zonder dagelijkse vergaderingen?). Ik nam een strategieklus aan voor, jawel, de campagne voor Bregmans boek Morele ambitie. Dat leverde een onuitputtelijke bron van discussie op (mijn Zuidasboy was, uiteraard, tijdens zijn studie de ster van zijn debatclub geweest).

Vlak voordat ik mijn strategie zou presenteren bij De Correspondent, sprak ik hem aan de telefoon. Ik lag op bed, hij zat in zijn betonnen toren, met een half uur tussen twee calls met klanten in Zuidoost-Azië.

Behendig liep hij mijn campagnestrategie door en wees me op de zwakke punten in Bregmans betoog – zijn mensen in de zorg dan níét moreel ambitieus?

Na een kwartier begon me een geluid op te vallen. Een klikkend geluid.

Was hij tijdens ons gesprek aan het werk?

Van Teutem noemt nog twee zwakke schakels in de psyche van de jongere generaties: een gegamificeerd wereldbeeld en een bijbehorend verstoord beloningsmechanisme. Deze insecure achievers zijn vanaf de basisschool al gewend om telkens door nieuwe hoepels te springen.

Level één: een Cito-score van 550. Level twee: het gymnasium, cum laude slagen. Level drie: topuniversiteit, honoursklasje.

Telkens doorstaan zij nieuwe tests, lopen ze door nieuwe poorten, om maar bij dat volgende level te komen – precies zoals in een videogame. De Bermudadriehoek speelt daar slim op in door na de universiteit nieuwe hoepels aan te bieden. Eerst: een knallend cv. Dan een goede stage. Vervolgens tientallen tests en opdrachten doorstaan.

Daarna: promotie, een bonus, telkens nieuwe obstakels die je dient te overwinnen – en zo gamificeren ze hun volledige loopbaan. Met die hoepels voorzien ze in nog een behoefte: de angst om zélf een pad uit te stippelen, of onbekend terrein te betreden.

Al ver voor het eindexamen moeten jongeren voortdurend antwoord geven op de vraag ‘wat wil je later worden?’ – een vraag die velen op zo’n leeftijd niet kunnen beantwoorden (ze moesten namelijk toetsen maken en naar examentraining).

Om niet ten onder te gaan aan de existentiële twijfel die deze vraag met zich meebrengt, hebben zij een paar opties. Ze kunnen naar een loopbaancoach. Het werk doen wat vader deed. Of solliciteren bij McKinsey – en nooit meer (althans, tot de midlifecrisis zich aandient) nadenken over wat hun roeping in het leven is.

Een spel spelen

In zijn boek Games – Agency As Art (2020) stelt filosoof C. Thi Nguyen dat als we de moderne mens willen begrijpen, we de kunst van de game moeten snappen. Elke kunstvorm is volgens Thi Nguyen een kristallisatie van een alledaagse ervaring. Muziek is de kristallisatie van het horen. De beeldende kunst is de kristallisatie van het zien.

Games zijn op eenzelfde manier een kristallisatie – een soort gemanipuleerde, geconcentreerde vorm van het mondaine leven – maar dan van het handelen. Thi Nguyen borduurt hiermee voort op de ideeën van spelfilosoof Bernard Suits. Zijn definitie van een game luidt als volgt: een spel spelen is het vrijwillig accepteren van onnodige obstakels, enkel om de activiteit van het overwinnen ervan mogelijk te maken.

De aantrekkingskracht van gamen is daarom dat je al het ingewikkelds van alledaags handelen – het afwegen van keuzes, het formuleren van persoonlijke waarden, morele beslissingen nemen – even niet hoeft te doen. De game bepaalt immers de regels, formuleert het doel en de obstakels – jij hoeft alleen maar het spel te spelen. Omdat het moderne leven steeds complexer wordt, zeker de bureaucratische werkvloer, proberen we het te versimpelen met elementen van een game: puntensystemen, groeimogelijkheiden, het aanwijzen van concurrenten.

Het gevaar van gamificatie is, volgens Thi Nguyen, dat mensen op den duur vergeten dat ze een spel spelen. Zo wordt onze handelingsvrijheid gemanipuleerd door het spel en zijn regels – wat we doen, hoe we het doen en waarom we het doen. Gameachtige geloofssystemen kunnen zo worden ontworpen dat ze plezierig zijn om in te functioneren. Ze bieden een gevoel van controle en laten de wereld logisch en overzichtelijk lijken.

Maar, zegt Thi Nguyen, het is verstandig kritisch te blijven tegenover overtuigingen die al te goed aanvoelen – dit plezier kan een teken zijn van manipulatie, niet van waarheid. Neem puntensystemen, zoals likes op sociale media, of scores op een feedbackformulier: die meten niet wat we écht belangrijk vinden, aldus Thi Nguyen, maar reduceren complexe doelen tot beperkte, meetbare criteria. Dit kan ertoe leiden dat we onze oorspronkelijke intenties uit het oog verliezen en in plaats daarvan gaan verlangen naar wat het puntensysteem beloont.

Of, en nu volgt de onvermijdelijke oneliner van Thi Nguyen, ‘wij spelen niet langer het spel, het spel speelt ons’.

Een helse klus

Hij zat naast me in de auto.

We hadden een weekend doorgebracht in een landhuis op de Veluwe. Zijn laptop opengeklapt, hotspot aan. Een klant uit de VS verlangde direct antwoord (‘Feitelijk ben ik een extreem goedbetaalde butler’, grapte hij vaak).

Weggezogen was hij in zijn scherm, naarstig op zoek naar de beste strategie om zijn klant te adviseren. Daarna moest hij doen wat hij het meest haatte: zijn uren schrijven. Preciezer: minuten schrijven. Zijn collega’s noteerden braaf elke dag hoelang ze voor een klant waren ingeklokt en bespaarden zichzelf daarmee een helse klus aan het einde van de maand.

Mijn Zuidasboy weigerde mee te doen aan deze dagelijkse dosis bureaucratie – liever bleef hij een hele nacht op om al zijn stappen van de afgelopen werkweken na te lopen. Misschien vond hij het afleiden van de inhoud van zijn werk, een interruptie van het strategische spel dat hij koste wat het kost wilde winnen. Of misschien was het zijn psyche, die in verzet kwam omdat die dagelijkse taak hem confronteerde met hoe hij zijn tijd besteedde.

Alsof zijn onderbewuste hem wilde vertellen: die spelregels, die leiden je af van wie jij zelf bent, wat je eigen waarden zijn, hoe jij je dagen wilt invullen.

De zon stond laag aan de hemel, de lucht baadde in een paars-roze gloed. De bosweg was verlaten, uit de radio klonk een liedje van Bon Iver.

Ik keek naar hem, rug gebogen, ogen vastgelijmd aan die computer, en realiseerde me toen dat niets, zelfs niet Rutger Bregman, hem nog uit dit spel kon halen.

Een horde hoepelspringers

Om de verspilling van talent tegen te gaan, stelt Van Teutem voor dat overheidsorganisaties en ngo’s afkijken bij de Bermudadriehoek en gebruikmaken van dezelfde gameachtige tactieken.

Een goed voorbeeld: het ‘klasje’ van het ministerie van Buitenlandse Zaken, een traineeship voor diplomaten in spe en een begrip onder studenten. Ambitieuze topstudenten roept hij op om verder te kijken dan het gebaande McKinsey-pad en bijvoorbeeld een start-up op te richten en zo bij te dragen aan de grote uitdagingen. Om te kiezen voor een beroep in de publieke sector of, zoals Van Teutem, in de journalistiek.

Ik las Van Teutems analyse, mijn Zuidasboy indachtig, en het beeld van een horde hoepelspringers die mijn vakgebied overspoelde drong zich aan me op. Ik zie ze al mijn werkveld bestormen met hun tomeloze energie, meetbaarheidsdrang en lust om het spel te winnen.

Verplaatst Van Teutem zo het probleem niet, vroeg ik me af. Zouden we niet iets moeten doen aan die blinde winnaarsmentaliteit en die beloningszucht?

Van Teutem is zich bewust van de gevaren van richtingloze competitie en pleit dan ook voor morele bildung op school. Docenten vertellen hun leerlingen op het gymnasium graag dat ‘zij de toekomst zijn’, maar zelden volgt daarop een verhaal over de verantwoordelijkheid die daarbij komt kijken.

Leraren zouden hun pupillen moeten bijbrengen dat met hun talenten en kansen de plicht komt om iets terug te doen voor anderen. In plaats van Romereizen en survivalkampen in de Ardennen zouden gymnasiumleerlingen vrijwilligerswerk kunnen doen in achterstandsbuurten.

Pas afgestudeerde studenten adviseert Van Teutem om zichzelf voor te stellen op hun sterfbed voordat ze carrièrekeuzes maken, een ‘accountabilitypartner’ te nemen om hen wekelijks te herinneren aan wat zij belangrijk vinden in het leven en zich niet te laten afleiden door de lokroep van likes, geld en high fives.

Een effectief middel?

Maar de competitiedrang bestrijden vindt Van Teutem een ‘elitair’ idee: de grote problemen van deze tijd kunnen deze hoepelspringers goed gebruiken, aldus de journalist.

Jaarlijks sterven vijf miljoen kinderen door oorzaken die makkelijk voorkomen hadden kunnen worden met een betere gezondheidszorg. De aarde warmt in rap tempo op. De tijd dringt – en als de wedstrijdmentaliteit van westerse topstudenten een effectief middel is om die problemen snel op te lossen, dan is het verstandig om dat middel te benutten, aldus Van Teutem.

Zulke competitiehonger is wellicht functioneel in het bedrijfsleven of in een start-upcontext, maar in andere sectoren is het maar de vraag of het effectief is om de spelelementen van Bermudabedrijven in te zetten om te voldoen aan de prestatiezucht van deze insecure overachievers.

Neem de wetenschap. In de academische wereld is een krachtig gamificatie-element – het rankingsysteem – dusdanig belangrijk geworden, dat het in toenemende mate bepaalt wat wetenschappers onderzoeken (en welk onderzoek wordt gefinancierd).

Het gevolg is dat veel jonge academici met een burn-out of depressie afhaken – gedemoraliseerd door spelregels die verhinderen dat ze kunnen werken aan onderzoek dat zij belangrijk vinden. Je kunt je dus afvragen of morele bildung en accountabilitypartners opgewassen zijn tegen zulke gegamificeerde systemen.

Mensen zijn geneigd het initiële doel uit het oog te verliezen en zich volledig te voegen naar de regels van het spel, óf ze haken af, omdat het spel hen tegenwerkt in het verwezenlijken van hun eigen geformuleerde doelen.

Begrijpelijk is Van Teutems pleidooi wel: hij heeft naar alle waarschijnlijkheid, precies zoals een mckinseyaan zou doen, zijn betoog geschreven met een rekenmachine in de hand. Wat is effectiever, haalbaarder binnen afzienbare tijd: de hoepelspringmentaliteit inzetten voor de goede zaak, of een vaag pleidooi houden voor zoiets oneindig complex als een verandering van ideologie, zoals de verwerping van Charims ‘ik-ideaal?’

Een voorbeeldige evaluatie

Een week na ons weekend op de Veluwe spraken we af op een zonnig terras. Hij had een paar dagen in New York gewerkt en was diep onder de indruk van het talent aldaar.

Nederland, concludeerde hij, was niet écht de Champions League.

Wat volgde was een voorbeeldig uitmaakgesprek, een soort 360-evaluatie waarbij we uitgebreid onze sterke en zwakke kanten doornamen en analyseerden waarom we geen match waren. Ook als potentiële partner wilde hij dolgraag uitblinken: nog nooit heb ik iemand met zo weinig schaamte of wroeging een afwijzing zien incasseren.

Een jaar later, we hadden elkaar maanden niet gesproken, kreeg ik plots een appje, met een foto van een pakje in de bosjes bij mijn voordeur. Hij had een cadeautje bezorgd, voor mijn verjaardag. Ik bedankte hem uitgebreid via WhatsApp, voor het kaartje, de bedachtzaamheid van het cadeau. Een antwoord kreeg ik niet. Hij was, vermoedelijk, weer opgezogen in het spel.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next