Home

‘Mevrouw Doodeman was niet van de trap gevallen, ze was vermoord’

Riet Kunst-Valkering is 100 jaar. Hoe kijkt deze openhartige West-Friezin terug op de eeuw die achter haar ligt?

De 100-jarige Riet Kunst-Valkering is graag op zichzelf, kookt nog haar eigen potje en is openhartig over wat haar heeft beroerd in haar lange leven. Ook in haar memoires in twee delen, die ze onlangs heeft geschreven.

In wat voor gezin bent u opgegroeid?

‘Ik had lieve ouders en was het oudste meisje van dertien kinderen. Dat betekende al jong hard werken. Vanaf mijn 5de moest ik op de kleintjes passen, ook uit de buurt. Als 8-jarige werd ik uit wandelen gestuurd met mijn broertje van 3 maanden. Over de spoorbrug in Obdam liep de weg naar beneden, ik struikelde en de kinderwagen vloog over de kop. Gelukkig kwam de baby in de kap terecht en mankeerde hij niks.

‘Al op mijn 6de moest ik mijn moeder helpen met bedden afhalen en opmaken, op donderdag veegde ik met een haarspeld het stof tussen de vloerplanken weg. Ik was 10 toen ik dertien weken lang alle ochtenden van school werd gehaald om het huishouden over te nemen van mijn moeder, zij was weer zwanger en twee broers waren ziek. Ook in de zesde en zevende klas werd ik veel thuis gehouden. Op school mocht je niet achterom kijken en niet praten. Wie dat toch deed, kreeg krijt op zijn mond gesmeerd. Na nóg een keer werd er plakband op geplakt.’

Er werd aan de lopende band gebeden, blijkt uit uw memoires

‘Verschrikkelijk. Elke ochtend na het opstaan baden we met zijn allen op onze knieën in de keuken, daarna om 8 uur in de kerk, bij het begin van de schooldag, voor elke volgende les en aan het eind van de schooldag, thuis voor en na alle maaltijden, en in de avond baden we de rozenkrans en zegden we de tien geboden Gods op. Zo ging dat in elk katholiek gezin. Om de twee weken op zaterdag ging je biechten. Tijdens de oorlog, toen ik verkering had met Joop, voelde hij een keer aan mijn borsten, waarop ik schrok en zei dat hij moest biechten. Dat deed hij. De pastoor zei: Met zo’n goed katholiek meisje moet je voorzichtig zijn.’

In 1938 werd Obdam opgeschrikt door een moord.

‘Op een zomerse zondagavond liep ik langs de kerk, toen een nicht kwam aanlopen en vertelde: ‘Mevrouw Doodeman is van de trap gevallen, ze is dood!’ Ze was de vrouw van de kapper, een lief mens met een klompvoet. Bij het afscheid hoorde ik mijn tante Anne zeggen, terwijl ze in de kist keek: ‘Je zou zeggen dat ze heeft gevochten.’ Een week later ging het gerucht rond dat iemand de kapper vlak voor de dood van zijn vrouw op de kermis van Heerhugowaard had zien scharrrelen met een andere vrouw. De burgemeester besloot het lijk te laten opgraven. Uit onderzoek bleek dat mevrouw Doodeman was vermoord. Vreselijk. Haar man kreeg een gevangenisstraf, hun twee kinderen gingen weg uit het dorp en hebben we nooit meer gezien.’

Mocht u doorleren na de lagere school?

‘Ik wilde net zoals mijn vriendinnen naar de kweekschool om onderwijzeres te worden, maar dat mocht niet van mijn vader. Ik moest moeder helpen. Ik ben het altijd erg blijven vinden dat ik niet kon doorleren. Op mijn 15de moest ik in betrekking bij een gezin in Obdam, mij werd niets gevraagd. Zeven dagen in de week van 7 tot 7 uur deed ik het huishouden. Een zusje nam thuis mijn plaats in. Gelukkig kon ik in 1943, midden in de oorlog, weer thuis komen om mijn moeder te helpen. Ze was zwanger van haar dertiende kind. Na de geboorte van Peter deed ik het hele huishouden én de zorg voor de baby en mijn moeder, omdat ze erg ziek was. Als ik hieraan terugdenk, snap ik niet hoe ik dat heb gedaan.’

U schrijft in uw memoires open over aanrandingen door een man uit het dorp.

‘Ik heb me verweerd. Het gebeurde vlak na de bevrijding, in mei 1945. Een bekende uit het dorp vroeg mij, terwijl mijn ouders erbij stonden, mee voor een ritje achter op zijn motor om zijn handschoenen op te halen die hij bij een klant had laten liggen. Dat bleek een smoes, hij reed door, stopte onderweg, gooide mij in een berm en ging op mij liggen. Ik was bang, maar sloeg hem van mij af. Het verbaasde me dat ik zo sterk was, ik was klein en iel. Niet veel later ging ik voor mijn vader naar Hoorn om benzine te halen. Die man bleek op dat kantoor te werken. Hij liet mij binnen en trok mij een andere kamer binnen, waar hij mij begon te zoenen. Ik gaf hem een klap in zijn gezicht en ging snel weg. ‘Dat zal je vader voelen’, riep hij. Benzine gaf hij niet. Ik ben naar Amsterdam gereisd om daar benzine te halen en heb mijn vader er niets over verteld.’

U bent strenggelovig opgegroeid, hoe heeft u de jaren zestig van seksuele vrijheid, ontzuiling en emancipatie ervaren?

‘Ik begreep goed dat jongeren en vrouwen meer vrijheid wilden. Er veranderde veel. Er was vrije seks. Homoseksualiteit en echtscheiding werden meer geaccepteerd. Ik was daar voor. Mijn oudste dochter werd bommoeder, bewust ongehuwde moeder, van twee dochters die ze alleen opvoedde. Ik heb haar altijd gesteund. Ze is op haar 52ste plotseling overleden na een hersenbloeding, een groot verdriet.’

Wie was uw grote liefde?

‘Uiteindelijk mijn man Jaap, hij was heel lief. Hij was altijd aan het werk, dat heb je met een eigen zaak. Hij deed bodedienst, bezorgde spullen met zijn eigen vrachtwagen. Ik moest altijd thuis blijven bij de telefoon om klanten te woord te staan, daardoor was ik erg aan huis gebonden.

‘In oorlogstijd was ik smoorverliefd op Joop uit Den Haag, en hij op mij. Joop zat in Obdam ondergedoken om te ontkomen aan tewerkstelling in Duitsland. Na de oorlog maakte ik het uit. Ik was 20 jaar, wilde vrij zijn en had zin in avontuur. Ik ging veel op stap met mijn hartsvriendin Afra, op straat dansen in Amsterdam – wat hebben we genoten. Ik was bang dat als ik met Joop zou trouwen, ik naar Den Haag moest verhuizen – ik was erg gehecht aan mijn familie. Joop had het heel moeilijk met de breuk en kwam mij nog een paar keer opzoeken. We zijn altijd contact blijven houden. Kort voor zijn overlijden in 2001 bezocht ik hem in het ziekenhuis, hij zei dat hij altijd vreselijk veel van mij had gehouden.’

Wat voor moeder was u voor uw kinderen?

‘Ik heb ze ontzien. Mijn twee dochters en zoon hoefden helemaal niks te doen in het huishouden, omdat ik vond dat ik in mijn jeugd veel te hard had moeten werken. En ik heb ze alle drie gestimuleerd door te leren.

‘Ik heb twee baby’s verloren. De eerste, Anita, stierf een half uur na de geboorte. Ik was in shock. Ze werd meteen weggehaald. Zodra mijn vader kwam, wilde hij weten waar ze was, zodat ik haar kon zien. Het ziekenhuis wilde niet meewerken, totdat mijn vader zei: ‘Ik ga niet weg totdat mijn dochter haar kindje heeft gezien!’ Ik bekeek haar, liggend in een kistje. Ik wilde haar zo graag vasthouden en een kusje geven, maar dat durfde ik niet te vragen. Ik lag op een kamer met net bevallen vrouwen, ’s nachts hoorde ik de baby’s in de kamer naast ons huilen. De hoofdzuster kwam met een baby op haar arm naar mij toe: ‘Kijk eens mevrouw Kunst, mooi kindje hè, het is net een plafondengeltje.’ Hoe kun je dat doen bij iemand die net haar baby heeft verloren? Ik dacht: ze is een non, ze heeft geen gevoel.’

‘De tweede was Marieke, 7,5 jaar later. Ik was 28 weken zwanger toen ik haar op 4 augustus nog voelde, daarna niet meer. Ik was bezorgd en ging naar het ziekenhuis om te vragen of de foetus dood kon zijn. ‘Dat kan niet’, zei de arts, ‘daarvoor is uw bloeddruk te hoog.’ Ik werd steeds misselijker, kon niks meer binnenhouden. Pas drie weken later wilden ze mij geloven en moest ik met spoed naar de ok om de weeën op te wekken. De bevalling duurde twee dagen, een lijdensweg. Ze lieten me vaak alleen, ook toen mijn kind er eindelijk uitkwam. Ze was al in vergaande staat van ontbinding en werd in een bak bij het medisch afval gegooid.

‘Het verlies van Anita en Marieke heb ik alleen moeten verwerken, niemand vroeg hoe het met mij ging. In 2019 las ik in de krant dat het mogelijk was geworden een doodgeboren kind in te schrijven bij de gemeentelijke basisadministratie. Ik moest wel bewijsstukken aanleveren. Van Anita had ik een bericht in het kerkblad, van Marieke een nooit verstuurde brief die ik in het ziekenhuis had geschreven. Dat ze nu allebei staan geregistreerd, bevestigt dat ze hebben bestaan. Er staat een mooie steen voor ze op een herdenkingplaats voor doodgeboren kinderen hier in Spanbroek. Ik heb een gedicht voor ze geschreven:

Kind lief
De zoetste klank
het liefste woord
gaan in het rumoer verloren
Eens werd het stil
doodstil mijn kind
dat was wanneer jij werd geboren

Hoe zou u zichzelf typeren?

‘Zachtmoedig, denk ik.’

En sterk, u heeft veel moeten trotseren en bent 100 geworden.

‘Sterk ben ik misschien ook wel, ja.’

Riet Kunst-Valkering

Geboren: 19 maart 1925 in Obdam

Woont: zelfstandig, in Spanbroek

Beroep: telefonist en taxichauffeur

Familie: nog 3 zussen en 1 broer, 5 kinderen (drie overleden), 7 kleinkinderen, 3 achterkleinkinderen

Weduwe sinds 2012

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next