In zijn overdonderende essay Galmende geschiedenissen onderzoekt Sinan Çankaya de pikorde van lijden en herdenken. Hoe kan het dat het Westen, dat zich zo bekommert om mensenrechten, de schouders lijkt op te halen voor het Palestijnse leed?
Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant, met bijzondere aandacht voor de koloniale geschiedenis.
Antropoloog en schrijver Sinan Çankaya ziet in de Israëlische vernietiging van Gaza, het uithongeren, opjagen en vermoorden van haar inwoners (‘noem het wat het is, een genocide op het Palestijnse volk’) een mondiale rorschachtest. Zo’n afbeelding van schijnbaar willekeurige inktvlekken op papier die archetypische psychiaters in films hun patiënten voorhouden: wat ziet u?
‘Bijna alle kranten noemen het een oorlog, ik begrijp dat niet’, zegt Çankaya (42) terwijl hij koffie maakt in de keuken van zijn appartement in het westen van Amsterdam, waar hij woont met zijn 6-jarige dochtertje (op het moment van het interview bij haar moeder) en een kitten genaamd Pluisje.
Op de vloer in de woonkamer: een paarse knuffel op een stapel antiracistische literatuur – zijn dagelijks leven in een notendop.
Als hij de koffie op tafel zet, maakt hij zijn zin af. ‘Het woord ‘oorlog’ veronderstelt gelijkwaardige partijen. Dit is een bezetter en een bezet volk, en die bezetter pleegt nu een genocide.’
Een rorschachtest dus. Dat iedereen iets anders ziet, begrijpt Çankaya. We zijn allemaal anders gevormd, getekend en opgegroeid. Maar het verhaal dat in Nederland, in Europa, in het ‘zelfverklaard beschaafde, verlichte, vrije Westen dat zich bekommert om mensenrechten’, de boventoon voert, staat zo haaks op wat hij ziet, dat hij bijna aan zichzelf begint te twijfelen.
Het noopte hem ertoe zich te buigen over de Nederlandse herinneringscultuur, over de vraag welke verhalen worden verteld en welke verzwegen. En: door wie?
En ja, hij ziet het tij keren, de massa toenemen, van mensen die de beelden van de Gazaanse humanitaire ramp niet langer kunnen verdragen. Hoe kan dat ook anders, na meer dan 50 duizend vermoorde Palestijnen, onder wie bijna 20 duizend kinderen?
Maar, zegt hij: ‘Het blijft een minderheid, die bovendien wordt tegengewerkt en weggezet als activistisch. Sterker nog: als antisemitisch. Ondertussen blijft de Nederlandse overheid Israël onverminderd politieke, morele en militaire steun geven.’
Çankaya kan niet anders dan concluderen dat ‘het gros van de Europeanen zijn schouders ophaalt voor het Palestijnse leed, zoals ze hun schouders ophaalden voor antisemitisme, en voor racisme in hun eigen achtertuin’, zo schrijft hij in een overdonderend essay, Galmende geschiedenissen, dat in april verscheen en inmiddels in de bestsellerlijst staat.
Als antropoloog, schrijver en universitair docent (aan de Vrije Universiteit in Amsterdam) mengt Çankaya zich regelmatig in het publieke debat over thema’s als sociale mobiliteit, racisme, integratie en ongelijkheid. Hij promoveerde op een onderzoek naar etnisch profileren, racisme en discriminatie bij de politie. Zijn autobiografische boek Mijn ontelbare identiteiten (2020), waarin hij het eendimensionale hokjesdenken fileert, won meerdere prijzen en werd een bestseller.
In Galmende geschiedenissen verkent Çankaya het morele en maatschappelijke mijnenveld rondom ‘de pikorde van lijden en herdenken’. Dat doet hij tegen de achtergrond van zijn eigen sociale klim: als kind van Turkse migranten klom hij op naar de wereld van de academische intelligentsia. Zijn literaire, eloquente en ondanks het loodzware thema bij vlagen tot grijnzen nopende litanie voert hem langs vrienden, collega’s aan de universiteit, zijn familie, zijn redacteur en een hoofdzakelijk zwijgende psycholoog (maar wat doet dit met jou?).
Hij keert ervoor terug naar zijn jeugd- en tienerjaren in de Nijmeegse volkswijk Hatert, naar zijn leven als student te Kanaleneiland, Utrecht. En hij reist ervoor naar Auschwitz.
Je manuscript was al veel eerder klaar, in februari 2024. Waarom is er nu pas een boek?
‘Ik had een essay geschreven over de Nederlandse herinneringscultuur, met daarin het verhaal van de Palestijnen, de vernietiging van Gaza, de bezetting van de Westelijke Jordaanoever. Het was vijf maanden na de aanval van Hamas. De uitgeverij schoot in een kramp. ‘Het spettert’, zeiden ze. ‘Genocide is een groot woord, het is complex’, zei een redacteur. Zodra je benoemt dat er een genocide gaande is, of een ‘aannemelijke’ genocide, volgens het Internationaal Gerechtshof, stuit je op diepliggend ongemak. Dat mag je eigenlijk niet zeggen.
‘De vraag was niet: boek of geen boek? De vraag was: wat voor boek? Ik mocht mijn verhaal wel schrijven, maar het moest op een bepaalde manier: matigen, mildheid betrachten, ‘de lezer meenemen in mijn woede’. Welke lezer? De lezer waarover de uitgeverij het heeft is geen neutrale, universele categorie. Smaak is macht. Edward Saids kritiek op oriëntalisme is met name een kritiek op de westerse culturele ideeënwereld, waartoe schrijvers en intellectuelen behoren.
‘Het was inderdaad een rauwe tekst, dat was precies wat ik beoogde. Ik ben woedend over wat daar gebeurt, over het moedwillige Nederlandse wegkijken.’
Ligt er nu, een jaar later, een heel ander boek?
‘De kern is hetzelfde, maar ik heb het advies van mijn redacteur erin verwerkt om een ouder plan op te pakken en te schrijven over mijn sociale klim. Met de vraag: welke verhalen mag ik vertellen? De huidige vorm is ook een metafoor en kritiek op de literaire wereld.
‘Het gaat mij niet alleen om de uitgeverij en niet om individuele mensen. Want als je kritiek uit, is de reactie vaak: maar ik ben toch een goed mens, ik bedoel het toch goed? Daar gaat het natuurlijk niet om. Ik heb het over de staat van onze instituties. Over de norm, bij universiteiten, krantenredacties, praatprogramma’s, in het politieke bestuur, in het publieke debat. Het gaat me om de claim van neutraliteit en objectiviteit en de kramp die ontstaat als je die dominante blik, die natuurlijk allesbehalve objectief is, bevraagt, uitdaagt.’
Omschrijf die dominante blik eens.
‘Het is een koloniale, verheven, witte blik op de wereld, die bepaalt welke levens waardig zijn en welke minderwaardig.’
Waarom wit? Je kunt toch ook wit zijn onderaan de ladder, zonder cultureel kapitaal?
‘Ik gebruik het woord ‘wit’ politiek. Ik heb het niet over huidskleur. Dan zouden we het sowieso over beige moeten hebben, of roodgekleurd in de zon. Witheid is een academische term voor de dominante westerse blik.
‘Heel veel migranten laten zich ook verleiden tot witheid. Dat is wat er gebeurt als je als persoon van kleur of klassenmigrant toetreedt tot instituties: je past je aan. Om sociaal te stijgen, moet je je het wereldbeeld en de aannames van de dominante klasse eigen maken. Je maakt je verstaanbaar, verandert, bindt in, nuanceert. In mijn boek wijs ik ook op mijn eigen medeplichtigheid en die van anderen.’
Te vaak gaat het, volgens Çankaya, over wat een mens wint door sociale stijging. Zelden over wat je verliest. Over de prijs die je betaalt om erbij te mogen horen: vervreemding, verlatenheid, ontheemding, een ‘onomkeerbare wederzijdse onverstaanbaarheid’ tussen jou en de mensen die je achterlaat.
In zijn essay schetst de cultureel antropoloog zijn jeugd. Huize Çankaya, aan de ‘verkeerde kant van de rivier in Nijmegen’, was ingericht naar ‘de extravagante smaak van een Turkse import-exportzaak’, het plastic deels nog om de witlederen bank. Het gezin, een maandinkomen verwijderd van armoede, telde vier kinderen, met een ervan deelde Çankaya de baarmoeder (‘zelfs daar was ik kleinbehuisd’).
Zijn baba (vader) maakte dekbedden, verrichtte fysiek zware fabrieksarbeid. Hij is handig, monteert, demonteert en repareert vakkundig alles wat een auto of huishoudelijk apparaat kan mankeren, legt gasleidingen en elektriciteit aan. ‘Hij is een werkpaard, mij vindt hij een prima donna.’
Zijn anne (moeder) boende, schrobde en poetste, haar eigen huis en dat van anderen. Ze voorziet in zelfgebreide truien, de beste schaterlach van de wereld, warme omhelzingen en astrologisch advies.
Çankaya verlangde naar een ander leven. Hij trok naar ‘de overkant’, studeerde culturele antropologie in Utrecht, promoveerde in Tilburg. Om te klimmen op de maatschappelijke ladder liet hij grote delen van zichzelf bij de poort achter. Jeugdvrienden, familie, een gouden ketting met de Turkse vlag.
Om toe te treden tot de culturele elite leerde hij neerkijken, zich schamen voor het leven van zijn ouders, het geluid van zes tv’s, kiloknallers en de Wibra, op Turken en religie. Om erbij te horen pleegde hij klasse- en etnisch verraad.
‘Maar noem het geen particulier verhaal’, zegt Çankaya, terwijl hij ongebrande noten in schaaltjes op tafel zet. Zijn ervaringen bestaan in een maatschappelijke context.
Door maatschappelijke problemen persoonlijk en individueel te maken, maakt de dominante klasse – vooral degenen die ‘nog geloven in de leugen van de meritocratie en gelijke kansen’ – kritiek onschadelijk. Zo horen ‘de outliers van de statistieken’ hoe hun succesverhalen tegen hen worden gebruikt: het is jou toch gelukt, jij bent het bewijs dat het systeem werkt. Çankaya: ‘Dat is volstrekt oninteressant, het gaat natuurlijk om de grote groep bij wie het niet lukt.’
Zijn relaas is kortom een universeel verhaal over klasse verweven met kleur en een migratieachtergrond, in de traditie van postkoloniale denkers over identiteit, representatie en ‘afwijken van de norm’ als de Guyanees-Britse Paul Gilroy en de Jamaicaans-Britse Stuart Hall eind vorige eeuw. En meer recent, van schrijvers als Didier Eribon of Édouard Louis, maar dan met een etnische en raciale dimensie.
Net zomin als zijn klim een persoonlijk verhaal is, is zijn ‘maatschappelijke woede’ dat, benadrukt Çankaya. En toch wordt die woede telkens in een mal gegoten, vertelt hij. Dat van ‘onruststokers gemotiveerd door antisemitisme’.
Zo was hij vanwege zijn betrokkenheid bij de pro-Palestijnse studentenprotesten aanwezig bij een onderhandeling tussen studenten en het college van bestuur van de VU. ‘Een dialoog noemden ze het. Zo voelde het niet. Het ging over neutraliteit en veiligheid. Geen woord over de totale verwoesting van universiteiten en scholen in Gaza, het vermoorden van wetenschappers, onderwijzers, studenten en leerlingen. Na afloop escorteerde een beveiliger ons naar buiten.’
Hoe was het om zo op je werkplek behandeld te worden?
‘Ik dacht: daar gaan we weer. Ik heb al te vaak vergelijkbare situaties meegemaakt, als klassenmigrant van kleur die is doorgedrongen tot de culturele elite. Een studente die erbij was, barstte in tranen uit. Ze vroeg waarom we als criminelen werden behandeld. Toen drong ook tot mij door hoe absurd het is. Het politiegeweld, de ontruiming van de protestkampen: waarom doen jullie dit, denk ik dan. Waarom verschaffen Nederlandse universiteiten morele legitimiteit aan Israëlische universiteiten?
‘De studenten wordt antisemitisme aangewreven. Weet je wie een rabiate antisemiet was? Abraham Kuyper, de oprichter van de VU.’
Hij had voor zijn nieuwe essay een andere uitgever kunnen zoeken, maar dat wilde hij niet. ‘De Bezige Bij is een verzetsuitgeverij, op de gevel staat een gedicht van Remco Campert, een vervolg op Het lied der achttien dooden, dat zijn vader, verzetsheld Jan Campert, in 1941 schreef. Het gedicht werd een symbool van verzet tegen de nazi’s.’
Çankaya nam het gedicht op in zijn boek. Verzet begint niet met grote woorden/ maar met kleine daden, zo begint het. De slotregels luiden: jezelf een vraag stellen/ daarmee begint verzet/ en dan die vraag aan een ander stellen.
De ene herinnering galmt luider dan de andere, schrijft Çankaya, in navolging van de Australische genocide-expert Dirk Moses. De Europese herinneringscultuur rond de Shoah, ‘de misdaad der misdaden’, leidt tot een rangorde van lijden en slachtofferschap. Niet alleen herinneringen aan andere historische Nederlandse wandaden (zoals in de overzeese koloniën) worden erdoor overschaduwd, ook voor ‘nieuwer’ leed, zoals dat van de Palestijnen, bestaat geen ruimte.
Çankaya verdraagt het niet langer: ‘de vergeetachtigheid over het koloniale verleden, het zich moreel superieur wanen, de claim op te komen voor mensenrechten, maar tegelijkertijd wegkijken van een huidige genocide.
‘De ene genocide is de andere niet, geschiedenissen herhalen zich niet, maar ze galmen wel. Dit geen genocide noemen is hetzelfde als de Armeense genocide betwisten.’
Cynisch: ‘Weet je wat het lot van Joden en Palestijnen verbindt? Al ver voor de Tweede Wereldoorlog kon de Europeaan zich niet inleven in de Jood, tegenwoordig lukt het ze niet om te voelen voor de Palestijn.’
Je concludeert dat het leed van de Holocaust tot politiek instrument is gemaakt. Dat niet de empathie voor Joodse slachtoffers maar de wens het eigen geweten te zuiveren vooropstaat.
‘Pas in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw ontstond er in Nederland ruimte voor het Joodse leed, nadat het jarenlang was genegeerd en verzwegen. Ik vind dat choquerend. Ondertussen deed men alsof half Nederland in het verzet had gezeten, en niet slechts een piepkleine minderheid, terwijl de rest zweeg en een aanzienlijk deel collaboreerde.
‘Er is een zelfgenoegzaam verhaal ontstaan waarin het antisemitisme in Europa iets was van de periode 1940-1945, en alleen van de nazi’s. De ontkoppeling van antisemitisme van andere vormen van racisme past daar naadloos in.’
Hoe bedoel je?
‘Ik vind het behoorlijk wrang dat de Europese geschiedenis van antisemitisme in minder dan een eeuw kan worden herschreven, weggelakt. Ineens wordt er gesproken over een joods-christelijke Europese identiteit. Alsof het antisemitisme dat in de uitroeiing van zes miljoen Joden resulteerde zomaar uit de lucht kwam vallen en Joden niet al eeuwenlang de zondebok van christelijk Europa waren.
‘Joden zijn in de raciale pikorde tot favoriete minderheid gestegen. En antisemitisme is een stok geworden om andere minderheden mee te slaan. Zomaar ineens is niet de Europeaan de boosdoener, maar de nieuwkomer: de moslims, Arabieren, Palestijnen, vluchtelingen en asielzoekers. ‘Wij’ in moreel superieur Europa hebben onze les geleerd, ‘zij’ nog niet. Zo blijft het witte zelfbeeld van beschaving en verhevenheid overeind.
‘Niet alleen extreemrechtse politici misbruiken de herinneringscultuur en de strijd tegen antisemitisme door naar moslims te wijzen. Die opvatting is wijdverbreid.’
Çankaya noemt het ‘hallucinant’ dat een partij als Front National – opgericht door Jean-Marie Le Pen, die de Holocaust een ‘detail in de geschiedenis’ noemde – meeloopt in een demonstratie tegen antisemitisme. ‘Neem de PVV. Die is tegen antisemitisme, maar pleit openlijk voor antimoslimracisme. Met die ideologie winnen politieke partijen in Europa verkiezingen. Kijk hoe wijdverbreid racisme, lhbti-discriminatie en de afkeer van migranten zijn. In extreemrechtse kringen voltrekt zich de grootste rehabilitatie van antisemitisme sinds 1945.’
Na een korte stilte: ‘Onze herinneringspolitiek zou over de hele lijn antiracistisch en antifascistisch moeten zijn. Antisemitisme is een vorm van racisme, geen aparte categorie. Partijen die zogenaamd vooraanstaan om Joden te beschermen vinden het namelijk geen enkel probleem om andere groepen voor de bus te gooien: moslims, vluchtelingen, asielzoekers.’ Lacht even. ‘Linkse mensen.’
‘Na 7 oktober 2023 namen antisemitisme én antimoslimracisme toe, maar antisemitisme overheerst elk gesprek. De koloniale logica, die minderheden tegen elkaar opzet, is niet verdwenen. De ontmenselijking van Palestijnen staat niet los van hoe we in dit land omgaan met moslims, vluchtelingen en mensen van kleur. Die voelen dat aan. Dáárom raakt wat de Palestijnen al veel langer overkomt ook mij.’
Je schrijft dat je de ene herinnering niet wil vervangen door de andere. Je wil niets afzwakken of van iemand afpakken. Maar je verzet je ook tegen wat in de recentere geschiedschrijving ‘meerstemmigheid’ wordt genoemd, het uitbreiden van ons collectieve geheugen met onvertelde verhalen. Waarom?
‘Aanvankelijk zat ik ook op die lijn. Want wie kent in Nederland de Nakba, de verdrijving van 750 duizend Palestijnen uit hun dorpen door Israëlische milities, waarbij duizenden werden vermoord, hun land werd gestolen, hun erfgoed uitgewist? De verhalen van in de Holocaust vermoorde Sinti, Roma en homo’s zijn ook later toegevoegd. Caribische Nederlanders hebben gestreden voor een plek in de herinneringscultuur, voor herdenking, om opgenomen te worden in museale collecties.
‘Maar meerstemmigheid doorbreekt de hiërarchie van lijden niet per se. Die andere groepen bevinden zich in de kantlijn, worden tegen elkaar opgezet: dit is de marge die we overhebben voor ‘jullie verhalen’, vecht het onderling maar uit. Als we solidariteit en gelijkwaardigheid willen, moet eerst die koloniale logica het raam uit.
‘Daadwerkelijke solidariteit vereist een mentale dekolonisatie. Ik heb mijn pogingen gestaakt om mezelf in al die knellende kaders te wurmen, te tonen hoe goed ik ben geïntegreerd, hoe succesvol ik ben. Ik concludeer: ik ben een antiracist en een antifacist, en jullie moeten je herinneringscultuur fixen.’
Europa haast zich ondertussen naar de afgrond, schrijft Çankaya. ‘Ik val helemaal niet. Het is als een stilstaande trein, je denkt te bewegen, maar het is de trein naast je. De wereld valt.’
Tolerantie en empathie zijn met de opkomst van autoritaire fascistische regimes definitief begraven in Europa en de VS. ‘De Trumps en Wildersen beloven een terugkeer naar een glorieus, overzichtelijk verleden: Nederland voor de Nederlanders, Amerika voor de Amerikanen, een man een man, een vrouw een vrouw, iedereen terug zijn hok in, of over de muur.’
Wie zijn mens-zijn moet onderbouwen heeft allang aan het kortste eind getrokken, beseft Çankaya. Hij is dat niet langer van plan. Ontstaan vanuit ontluistering is zijn vlammende essay ondanks alles ook een strijdbaar verhaal. Over stijgen, vallen en weer opstaan.
In je vorige boek, Mijn ontelbare identiteiten, constateer je dat je nergens bij hoort. Hoe is dat nu?
‘Inmiddels heb ik mijn ontheemding omarmd, vind ik het oké om aan de randen van groepen te bewegen. Aan een universiteit, binnen de literaire wereld. Met één been erin, één been erbuiten. Precies die positie stelt mij en anderen in staat om scherp te stellen en de zogenaamde beschaving te ontmaskeren die van mensen verlangt dat ze wegkijken van de genocide in Gaza.’
Je hebt toch een groep gevonden?
Glimlach: ‘Ik omring me met andere ontgoochelden en gedesillusioneerden die rouwen omdat ze hun vertrouwen in westerse instituties definitief hebben verloren. Dit collectief is niet ingedeeld naar lijnen van kleur of sociale klasse: iedereen is welkom. Het zijn mensen die blijven vechten voor een eerlijke en rechtvaardige samenleving, waarin solidariteit daadwerkelijk gaat over álle mensen.’
1982 Geboren in Nijmegen.
2002-2005 Bachelor culturele antropologie aan de Universiteit Utrecht.
2005-2006 Master Conflict Resolution aan de universiteit van Bradford.
2011 Promoveert aan de Vrije Universiteit (Amsterdam) op het proefschrift Buiten veiliger dan binnen – In- en uitsluiting van etnische minderheden binnen de politieorganisatie.
2012 Doet onderzoek naar etnisch profileren (De controle van marsmannetjes en ander schorriemorrie).
2015-heden Universitair docent aan de Vrije Universiteit, op de afdeling bestuurskunde en politicologie.
2016-2021 Schrijft voor De Correspondent.
2020 Mijn ontelbare identiteiten, bekroond met de Jan Hanlo Essayprijs Groot, de Sociologische Bril en de E. du Perronprijs.
2025 Essaybundel Galmende geschiedenissen.
Sinan Çankaya: Galmende geschiedenissen. De Bezige Bij; 288 pagina’s; € 22,99.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant