is media- en cultuurredacteur van de Volkskrant.
Het had weinig gescheeld of we waren historicus Maarten van Rossem kwijt geweest, omdat hij zijn leven aan God wilde wijden.
Als kind had hij eens gruwelijke kleurenfoto’s van seksueel overdraagbare aandoeningen onder ogen gekregen. Dan maar de kerk in en een aseksuele dienaar van de Heer worden, dacht de jonge Van Rossem. ‘Ik ga hier niet aan beginnen.’
Maar ja, kloosterlingen moeten zo vroeg opstaan, en dat is niks voor een nachtdier zoals hij, vertelt Van Rossem in het EO-programma Adieu God?
‘Ja, ja…’ reageert presentator Tijs van den Brink met duidelijk hoorbare teleurstelling in zijn stem. Bijna hadden ze (christenen) hem (Van Rossem) binnen, maar uitslapen vond hij belangrijker.
Fijn, nuchter begin van dit EO-programma. En precies wat de seculiere kijker nodig heeft na een week waarin media massaal de schoorsteen op de Sixtijnse Kapel in de gaten hielden.
Natuurlijk, de verkiezing van een nieuwe paus is een gebeurtenis van belang, zoals collega Jarl van der Ploeg vorige week vrijdag terecht schreef. De nieuwe kerkvader leidt een geloofsgemeenschap van meer dan 1 miljard mensen, heeft aanzienlijke politieke invloed, en kan wereldleiders wijzen op een gebrekkig moreel kompas.
Maar uiteindelijk gaat het toch om religie, om een onbewezen geloof in een opperwezen, en een eeuwig hiernamaals dat verdeeld is in twee afdelingen: een soort vijfsterrenresort enerzijds, en een soort Gaza keer duizend anderzijds.
Een ‘infantiele wensvervulling’ noemt Van Rossem religie in Adieu God? En Jezus, dat is volgens de historicus maar een ‘leptosome slapjanus’.
‘Ik vroeg mij af’, onderbreekt een onverstoorbare Van den Brink, ‘wat is een leptosome slapjanus?’
Een slome slapjanus, legt Van Rossem uit. Ja, eigenlijk is dat dubbelop, gewoon ‘slapjanus’ had volstaan.
Overtuigde christen versus een geharnaste atheïst, verwacht je na deze uitwisseling. Maar die spanning verdwijnt al snel uit het programma als Van Rossem zich van zijn tolerante kant laat zien.
Hij snapt heus wel dat religie mensen tot steun kan zijn. En als professor aan de universiteit kon hij het goed vinden met christelijke studenten. Die waren studieus, ernstig, en kwamen altijd op tijd.
Daar begint Van den Brink te glunderen. Een positief woord over christenen, hij ziet een opening en probeert Van Rossem te verleiden om dieper in te gaan op een periode in zijn leven waarin hij in een mini-existentiële crisis verkeerde. Dat was toen Van Rossem als dertiger zijn dissertatie maar niet afkreeg en hulp zocht bij een psychiater. Het bleef bij één sessie, meer had hij niet nodig om de draad weer op te pakken.
‘Hoe ben je eruit gekomen?’ blijft Van den Brink proberen.
Van Rossem, droogjes: ‘Door het boek af te maken.’
Wat Van Rossem zich voorstelt bij een hemel, wil Van den Brink tot slot weten. Als-ie bestaat, dan graag een plek met krokussen, ontelbaar veel boekwinkels en heel veel musea, antwoordt Van Rossem.
‘Ik denk niet dat die hemel bestaat, maar ik gun hem je wel’, sluit Van den Brink af. Gesproken als een ware gelovige – met grote stelligheid iets beweren dat we helemaal niet kunnen weten.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant