Charlie Porter was een van de invloedrijkste modejournalisten ter wereld, maar nu zijn eerste fictieboek een feit is, wordt hij liever schrijver genoemd. Zijn specifieke smaak leent zich misschien niet voor een bijbaan als ontwerper, maar als Gids komt die goed van pas.
‘Alles gaat hier zo heerlijk kalm en organisch’, zegt schrijver en modejournalist Charlie Porter terwijl hij vanaf de bovenverdieping van boekhandel Athenaeum uitkijkt over het Spui in Amsterdam. De 51-jarige Brit is hier om zijn derde boek – en fictiedebuut – Nova Scotia te promoten. Een roman over queerliefde voor, tijdens en ver na de aidsepidemie van de jaren tachtig en negentig.
Op het plein rijdt een tram op een haar na twee toeristen omver. ‘In Londen’, gaat hij onverstoorbaar verder, ‘botst iedereen constant tegen elkaar op.’ Zijn handen kneden onzichtbaar deeg om te tonen hoe dat er ongeveer uit moet zien. ‘En dan zeggen ze vervolgens sorry, maar die sorry betekent niets. Het is een excuus om lomp te zijn.’
Het kneden gaat over in opgewonden gefriemel. ‘Dat constante botsen zie je terug in hoe Londenaren zich kleden: een wilde mix van stijlen en texturen. Outfits zijn vaak opgebouwd vanuit een idee van contrasten en tegenkleuren.’
‘I love it, I love London.’
Jarenlang leende Porter zijn scherpe oog en uitgesproken smaak – neem alleen al zijn ring met daarop een groot blauw oog – uit aan de grote instituten. Door zijn artikelen en recensies over kunst en mode in onder meer The Guardian, The Financial Times, The New York Times en toonaangevende modemagazines als Fantastic Man en GQ, wordt Porter gezien als een van de invloedrijkste modejournalisten ter wereld.
Inmiddels wordt hij in plaats van journalist of criticus liever schrijver genoemd. ‘In 2019 zat ik in de jury van de Turner Award, de meest prestigieuze Britse kunstprijs. Een grote eer, maar daarna voelde ik heel duidelijk: wegwezen, het is tijd voor iets anders.’
Hij werd definitief schrijver in 2021, met het verschijnen van zijn wereldwijde bestseller What Artists Wear, een reis langs beroemde outfits van beroemde kunstenaars. In 2024 verscheen Bring No Clothes, waarvoor Porter jaren onderzoek deed naar de kleding van de Bloomsbury Group, een groep intellectuelen uit de jaren twintig waartoe ook Virginia Woolf behoorde.
In zijn eerste roman Nova Scotia laat hij de mode achter en onderzoekt hij het litteken dat de aidscrisis heeft achtergelaten. De lezer neemt plaats in het hoofd van Johnny, wiens gedachten heen en weer vliegen tussen een tijd voor, tijdens en na de aidscrisis, aan wie hij zijn partner Jerry verloor.
Porter: ‘Door een gebrek aan kwalitatieve bronnen uit die tijd, was fictie nodig. Het boek moet een soort monument zijn, een plek waar we mogen rouwen om alles wat verloren is gegaan.’
In Porters schrijfstijl winnen komma’s het van punten, waardoor Johnny’s gedachten als een grote slang van woorden over het papier kronkelen. ‘Ik wilde zo diep mogelijk in zijn hoofd kruipen en zijn manier van denken vangen in het ritme van mijn schrijven.’
Voor zijn eerste twee boeken zat hij uren achter de laptop, maar fictie schrijft hij met pen en papier. Trots haalt hij zijn schrift tevoorschijn en toont hij pagina’s vol handgeschreven blokletters. ‘Alles moet in hoofdletters omdat die ene seconde extra die het kost om in hoofdletters te schrijven, me toestaat na te denken over het volgende woord.’ Hij heeft de smaak te pakken. Terwijl hij druk door de pagina’s bladert: ‘Ik zit alweer twintigduizend woorden in een nieuw boek.’
Is er dan nog wel meer dan schrijven? ‘Zeker! Na lange schrijfdagen in The British Library plof ik het liefst op de bank voor een aflevering Real Housewives.’ Bij gebrek aan een respectabel nieuw seizoen haalde de serie over welgestelde huisvrouwen zijn lijstje favorieten echter niet.
Ook maakt, en draagt, Porter sinds kort zijn eigen kleding. Met een voorliefde voor onregelmatige en imperfecte broekspijpen en mouwen zou zijn kleding wat hem betreft ‘totaal ongeschikt’ zijn om in winkels te verkopen. Maar onzeker over wat anderen ervan vinden is hij niet. ‘Het boeit me niet. Mijn smaak is heel specifiek en ik heb totaal geen behoefte om anderen te overtuigen van wat ik mooi vind. Misschien ben ik daarom ook niet echt geschikt als kunstcriticus.’
Maar wel als Weekendgids. Hoe specifieker, hoe beter.
‘Meer dan tien jaar heb ik een queerfeest georganiseerd in Londen, genaamd Chapter 10. Ik was altijd op zoek naar nieuwe muziek om te draaien. Hoewel ik nu half met dj-pensioen ben, hou ik van muziek ontdekken en sinds kort ben ik totaal geobsedeerd door Junction 4 Recordings.
Het is een klein label uit Manchester dat housemuziek uitbrengt, te beluisteren op online muziekplatform Bandcamp. Het is heel trouw aan de Britse house uit de jaren tachtig, maar tegelijkertijd voelt het nergens alsof ze iets willen imiteren uit die tijd. Het is perfecte voguemuziek. De essentie van wat house toen geweldig maakte, de ongeëvenaarde energie die vrijkomt, is niet veranderd. Dat voel je in hun muziek. Ik luister naar ze als ik in de ochtend naar The British Library loop. Niet tijdens het schrijven, dan staat Bach op.’
‘Op dit moment is er een sensationele show in het Tate Modern in Londen die in het teken staat van het werk en leven van Leigh Bowery, een Australiër die in 1980 naar Londen verhuisde voor de Britse punk. Hij stierf tijdens de aidscrisis.
Bowery staat voor nachtleven, performance, fashion, dans en nog zoveel meer. Hij had ervoor kunnen kiezen zichzelf kunstenaar te noemen, maar hij haatte het zo beperkt gedefinieerd te worden, of zijn eigen werk te definiëren. Dat maakt hem zo geweldig. Zijn lichaam was zijn canvas en hij droeg waanzinnige kostuums. Bowery is eigenlijk de belichaming van waar we het in het begin over hadden, die constante clash van stijlen die Londen kenmerkt.
Dat het Tate, een van de meest vooraanstaande Britse kunstinstituten, een grote tentoonstelling organiseert rondom een kunstenaar die zichzelf geen kunstenaar noemde, vind ik opzienbarend, en een mooie stap voor het instituut in het verleggen van de grenzen van wat kunst kan zijn.’
‘Eens in de zoveel tijd opent deze pop-upkledingwinkel in Londen, en het is een soort fashion community geworden. Een beetje als een nachtclub, maar dan overdag. Eigenzinnige ontwerpers verkopen er hun handgemaakte kleding en het geld gaat direct naar de ontwerper zelf.
De winkel zet zich af tegen de moderne mode-industrie, waarin grote merken veel winst maken onder de naam van lang geleden overleden ontwerpers. Ik vind het belangrijk om onderscheid te maken tussen luxe en mode, want mode bestaat zonder luxe. Ja, iets moois kopen kost geld, maar als ik shop bij Fantastic Toiles weet ik dat ik betaal voor het werk van de ontwerper, die ervan moet leven. Een luxeproduct kost al snel duizenden euro’s, maar dan betaal je meer voor het merk dan voor het ambacht.’
‘Eigenlijk ga ik dus niet meer zoveel uit. Wat kan ik zeggen, ik ben ouder geworden. Maar áls ik uitga, dan zijn Blasha en Allatt mijn droom-dj’s. Ze waren ooit te gast bij Chapter 10 en ze braken de tent af.
Ze wonen in Manchester maar ze zijn vaak op tour door Europa. Ze spelen in clubs als de Berghain in Berlijn. Ze draaien alleen maar vinyl, en voornamelijk harde techno. Wat hen zo leuk maakt, is dat ze ondanks de hardheid altijd met een glimlach draaien. En hun muziek heeft karakter.
Toen ik nog uitging, kon ik echt dansen tot de ochtend en helemaal opgaan in een parallel universum. Hoewel ik nu minder in een uitgaansmodus zit, vind ik het belangrijk het niet de rug toe te keren, omdat het me veel heeft gebracht. Ik heb zoveel mooie mensen ontmoet in de nacht. Zo ben ik bijvoorbeeld bij Fantastic Man terechtgekomen.’
‘Zijn werk wordt abstract genoemd, maar ik haat dat woord. Want wat is abstract? Ik snap niet wat dat is. Zijn werk draait om de spanning tussen kleur en vorm en alles wat daarbinnen mogelijk is. Voor mij gaat zijn werk over queer zijn, en de vraag wat dat in deze wereld betekent.
Zijn schilderijen hebben overigens wel een duidelijk startpunt. Hij maakt foto’s van een detail in zijn omgeving, zoals bijvoorbeeld hoe dit tapijt afsteekt tegen het blauw van de vloer. Dan zoomt hij in op een deel van de foto en begint hij vanuit daar te schilderen.
Tijdens de terugreis naar Londen maak ik speciaal een tussenstop in Brussel om zijn nieuwe expositie in galerie Xavier Hufkens te zien.’
‘Dit boek is echt een parel. Aan de hand van echte opnamen van de lesbische hulplijn in de jaren negentig creëert Elizabeth Lovatt een ontzettend diepgravend boek en maakt ze inzichtelijk hoe het was om een queer vrouw te zijn, toen, maar ook nu. Door die verhalen weeft ze haar eigen coming-out. Die verschillende lagen maakt het heel rijk.
In Engeland waren hulplijnen voor gays en lesbiennes, in een tijd vóór smartphones en internet, zeer populair. De vraag kon zo simpel zijn als ‘Weet je een bar waar ik heen kan gaan?’, maar ook: ‘Ik heb juridisch advies nodig’, of gewoon: ‘Ik denk dat ik lesbisch ben, ik weet niet wat ik moet’. De hulplijn was een reddingsboei voor mensen die met niemand over hun seksualiteit konden praten.’
‘Een geweldige radioshow, gehost door Dan Beaumont en Nadia Ksaiba. Een keer per maand zijn ze te horen op NTS. Met Dan organiseerde ik Chapter 10, en laatst mocht ik langskomen in de show om voor te lezen uit Nova Scotia.
Ze draaien twee uur lang ontzettend goede housemuziek, tussendoor roddelen ze over van alles en nog wat. Of eigenlijk andersom: ze roddelen, en tussendoor draaien ze hele goede housemuziek.
Precies die formule maakt het nachtleven zo leuk: de muziek, de goede gesprekken en de lieve mensen. De show vangt die sfeer heel goed, waardoor het voor iemand die niet meer uitgaat als een fijne vervanging voelt. Het heeft ook weer die kwaliteit van een nachtclub, maar dan overdag. Ja, ik mis het uitgaan wel, maar ik heb mijn slaap nodig om te kunnen schrijven.’
‘Opera is heel belangrijk voor mij. Dat is het altijd geweest. De eerste keer dat ik ging, was ik een tiener. Ik snapte er niets van, maar ik vond het geweldig. Toen was het zo overweldigend dat ik er bijna angstig van werd. Later zag ik in Parijs Die Zauberflöte van Mozart, de eerste keer dat ik als volwassene een opera zag. Vanaf dat moment was ik om. Nu ga ik zo vaak als ik kan.
Die Walküre, deel 2 van Die Ring des Nibelungen van Wagner, opent 1 mei bij de Royal Ballet & Opera in Londen en ik kan niet wachten. Voor het eerst in de lange tijd dat ik operafan ben, ga ik alle delen van de Ring achter elkaar zien.
Opera is magisch omdat het je onderdompelt in een combinatie van prachtige zang, een indrukwekkend decor en grote emoties die vrij spel krijgen. Opera is voor mij het ultieme vluchten van de realiteit. Ik ga altijd alleen, en na afloop wil ik er met niemand over praten.’
‘In 2007 had je op het Glastonbury-festival – wat eigenlijk meer een soort dorp is – voor het eerst een queer-podium, genaamd NYC Downlow, een soort club. Van buiten lijkt het een vervallen pand in New York, maar binnen vindt het beste feest ter wereld plaats.
In plaats van dat het publiek naar de dj toe danst, is de dj er echt voor de feestgangers. Er is een catwalk waarop de hele nacht drag-artiesten, performers of gewoon uitslovers rondparaderen. Het is altijd volstrekt onhelder hoe het geregeld is, maar ze wisselen elkaar af op het podium en soms zijn ze er ineens allemaal tegelijk voor een ingestudeerde dans.
Er is een waanzinnige performer genaamd The Dairy King. Vorig jaar liep die urenlang het publiek op te jutten, met een uier om diens buik en een kreeftenschaar als hand. Het is een heerlijke smeltkroes van muziek, performance en seks in de Downlow.’
Onze gids dit weekeinde is een rubriek in Volkskrant Magazine waarin een bekend persoon (op velerlei terreinen) uit binnen- of buitenland ons gidst langs zijn of haar favorieten.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant