Home

Na de bommen is honger de ergste vijand in Gaza

Sinds Israël half maart de oorlog in Gaza hervatte, houdt het alle voedseltransporten tegen. Te midden van geweld en wetteloosheid zoeken uitgehongerde Gazanen wanhopig naar eten. ‘Als ik door de straten struin, ben ik bang dat ik omval van de honger.’

Umm Mohammed Deeb is met haar dochters op zoek naar voedsel. Sinds gisteren hebben ze niets meer gegeten. ‘Mijn kleinkinderen hopen dat ik straks terugkom met iets, een beetje brood of wat rijst.’ Het is een week geleden dat ze voor het laatst brood aten.

Deeb (56) is sinds het begin van de oorlog vijftien keer gevlucht. Het aantal familieleden dat is gedood is bijna niet te tellen, zeker niet op de vingers van twee handen. Maar zelfs voor hen die over zijn, lukt het haar niet genoeg voedsel te verzamelen.

Hartverscheurend

Ze staat bij een gaarkeuken in Gaza-Stad, waar Amer Junaid (34) sinds vanochtend vroeg soep bereidt in grote potten op walmend houtvuur. Hij maakt zo’n acht pannen dagelijks, in opdracht van verschillende hulporganisaties.

‘Ik ben blij dat ik iets kan doen’, zegt de werkloze jongeman. ‘Maar de aanblik van uitgehongerde kinderen, die beginnen te rennen zodra we aankomen om uit te delen en elkaar voor de pannen verdringen, dat is hartverscheurend. ‘Alsjeblieft, geef me een beetje! Ik heb honger, alsjeblieft, ik ben wees!’ Dat zijn de woorden die ik hoor.’

Sinds Israël de voedseltoevoer tegenhoudt, vanaf het moment dat het negen weken geleden de oorlog hervatte, slinken de voorraden in rap tempo. Junaid heeft nog voor een kleine maand, schat hij. Wat hij heeft? Olie, rijst, Maggi-blokjes en specerijen. Dat is het, en dat zijn dus de ingrediënten van zijn soep.

Twee oorlogen

Veel mensen in Gaza ervaren twee oorlogen. Er is de letterlijke oorlog, met bombardementen, beschietingen en elke dag weer doden. De tweede: de dagelijkse strijd tegen honger, die ieder voor zichzelf moet voeren, in totale afwezigheid van veiligheid en burgerlijk gezag.

Voorraden die nog aanwezig zijn in de opslagplaatsen van hulporganisaties worden geroofd, deels door wanhopige eenlingen, deels door bendes die daarna de zakken rijst, meel en ingeblikte linzen voor exorbitante prijzen doorverkopen. Deze bandieterij is de laatste weken hand over hand toegenomen. Soms raken voorbijgangers gewond in gewapende straatgevechten.

Volgens Israël speelt Hamas hierin een grote rol: dat zou voedselvoorraden stelen om uit te delen in de eigen gelederen. Hamas stelt juist dat de plunderaars collaboreren met Israël.

Persbureau Reuters, dat zich baseert op ‘bronnen dichtbij Hamas’, schrijft dat de beweging een paar dagen geleden een aantal veronderstelde voedseldieven zou hebben geëxecuteerd, na incidenten waarbij zwaarbewapende bendes opslagplaatsen en gemeenschapskeukens hebben aangevallen. Het is in deze wetteloze en gevaarlijke situatie voor de Volkskrant niet onafhankelijk vast te stellen wie de touwtjes achter de schermen in handen heeft.

God noch gebod

Umm Ali (50), die op de markt in de Al-Rimalbuurt in Gaza-Stad zoekt naar groenten die ze waarschijnlijk toch niet kan betalen – aubergines, courgettes en paprika’s die ondanks de oorlog zijn geteeld op kleine stukjes land – vertelt dat de plunderaars god noch gebod vrezen.

‘We hebben een tijd geleden een zak meel gekocht en ontdekten dat die vol zat met wormen en snuitkevers’, vertelt Umm Ali. Oneetbaar, de geur alleen al was verschrikkelijk. Ik heb gehoord dat sommige handelaren zand toevoegen aan de bloem voor meer gewicht.’

Dawood al-Saqqa (44) heeft een stalletje op die markt en neemt zijn waren nu ’s nachts mee naar huis, net als de andere marktkooplui. Anders is het ’s ochtends verdwenen. Voor de oorlog was hij eigenaar van een winkelcentrum, maar dat is verwoest. Nu heeft hij een stalletje op straat waar hij tonijn in blik, biscuitjes, mayonaise, chocolademelk, jam, ingeblikt vlees, dadels en flessen citroensap heeft uitgestald.

Hoge prijzen

‘Ik krijg vaak verwijten van klanten over mijn hoge prijzen. Een kilo bloem kost 15 dollar. Wat kan ik? Ik moet het voor veel geld kopen bij handelaren die het tijdens het bestand hebben ingekocht. Of het komt uit het zuiden, maar het transport hierheen is vreselijk duur.’

Vrachtwagens met hulpgoederen kwamen altijd in het zuiden van Gaza binnen, en daar zijn de voorraden dus groter. Tijdens het bestand (van 19 januari tot 18 maart) kwam transport naar het noorden op gang.

Maar sinds Israël de oorlog heeft hervat, is de Netzarim-corridor die de Gazastrook doormidden snijdt weer verboden gebied. Israëlische militairen bemannen het checkpoint. Alleen via de kustweg kunnen mensen nog heen en weer, te voet, of met hooguit een tuktuk.

‘Ik kan alleen maar hopen dat het checkpoint weer opengaat’, zegt Al-Saqqa. ‘Mensen gaan kapot aan de hoge prijzen en de zorgen daarover. Ze eten hooguit een maaltijd per dag. Wijzelf ook, we leven op bonen en tonijn uit blik.’

Maar de marktkoopman hééft tenminste nog een soort inkomen – voor veel anderen is de pot allang leeg. Umm Ali gaf haar laatste geld uit om haar beschadigde huis in Shujaiya bewoonbaar te maken, tijdens het bestand. ‘Daarna moest ik vluchten en ik weet niet of het nu nog bestaat.’

Bang om te sterven

Umm Mohammed Deeb had al voor de oorlog weinig te besteden, zoals zovelen in Gaza, en is overgeleverd aan de goedgeefsheid van een ander die nét een kruimel meer heeft.

Ze legt haar hand op haar buik en begint te huilen. ‘Soms klamp ik vreemdelingen aan voor een stuk brood, of ik ga bij mensen langs die een kleioven hebben gemaakt. Die vraag ik om een of twee stukken brood.’

Het is om haar kleinkinderen te voeden, bij wie de tanden beginnen af te brokkelen. Zijzelf neemt de kleinste portie. ‘Ik ben bang dat ik omval als ik door de straten struin, ik ben bang dat we sterven van de honger.’

Steeds kleinere porties

Bij de gaarkeuken van Amer Junaid krijgt ze vandaag rijstsoep. Daarmee gaan zij en haar dochters zo meteen terug naar haar deels verwoeste huis in Al-Shati, het vluchtelingenkamp waar haar familie terechtkwam na de verdrijving uit Israël in 1948. Ze loopt langs groepjes mannen die op straat zitten te praten over de extreme voedselprijzen, tussen vrouwen bij wie de uitputting van hun gezicht is af te lezen, en langs marktkooplui die bijna verveeld antwoorden dat de prijs echt niet lager kan.

Junaid vertelt dat het hem pijn doet als de soep op is voordat hij iedereen iets heeft gegeven. ‘Ik probeer zoveel mogelijk mensen eten te geven, daarom maak ik de porties steeds kleiner.’

Dit verhaal werd geschreven samen met Malak Tantesh, die in Gaza – waar geen journalisten worden toegelaten – woont en in opdracht van de Volkskrant getuigenissen en waarnemingen verzamelt.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next