Schmieren, het fenomeen waarin acteurs (te) nadrukkelijk op de lach spelen, wordt in theaterkringen vaak gezien als ijdeltuiterij: kijk eens wat ik in huis heb. Maar wat is er eigenlijk mis met lekker grotesk spel? En kan het een voorstelling ook beter maken?
schrijft voor de Volkskrant over theater.
Hou het klein, zegt Roman Derwig (20) gedecideerd tegen zijn vader, de gerenommeerde acteur Jacob Derwig (55), halverwege de voorstelling Hamlet. ‘Het snijdt me door mijn ziel als ik zo’n uitslover een prachtige tekst aan flarden zie spelen, alleen maar om te laten zien hoeveel hij in huis heeft.’ Jacob Derwig, gespeeld verbaasd: ‘Heb je het nou over mij?’ Roman bevestigt, en voegt er geagiteerd en vol jeugdige overmoed aan toe dat ‘iedere overdrijving in strijd is met de bedoeling van theater’.
Het is een prachtige scène, die wint aan betekenis omdat de toeschouwer hier niet alleen kijkt naar het personage Hamlet dat in het kasteel een onbekende toneelspeler instrueert, maar ook naar een jonge zoon met toneelaspiraties, die op het podium zijn beroemde vader de les leest.
Die vader geniet zichtbaar van dit dubbelspel en speelt het spelletje vrolijk mee: achter zijn rug om relativeert hij zijn zoons bravoure met vaderlijke grapjes en veelbetekenende blikken richting zaal. Het publiek geniet weer met hem mee, want het wordt met al die knipoogjes en kwinkslagen ruimhartig betrokken bij dit persoonlijke onderonsje tussen vader en zoon.
Je zou het een onvervalst gevalletje schmieren kunnen noemen, wat Jacob Derwig zich hier halverwege Shakespeares beroemde tragedie eventjes permitteert. Schmieren is het fenomeen waarin acteurs heel nadrukkelijk op het komische effect spelen. Vaak wijken ze dan af van de afspraken die ze met hun medespelers en de regisseur hebben gemaakt, om een lach aan de zaal te ontlokken en die vervolgens zo lang mogelijk te rekken.
Het woord is afgeleid van het Duitse woord Schmiere: van oudsher een rondtrekkende groep acteurs van lage klasse, die onder meer op kermissen, jaarmarkten en het platteland hun kunsten vertoonden. Ook Nederland kende tot de Tweede Wereldoorlog verschillende ‘schmieretroepen’. Ze speelden theater dat makkelijk te verhapstukken was, puur gericht op lol en vermaak.
In theaterkringen heeft schmieren tegenwoordig vooral een negatieve connotatie. Het wordt vaak gezien als de schwalbe van het toneel: een vorm van ijdele aandachttrekkerij, makkelijk scoren en artistiek minderwaardig. In Hamlet zegt Roman Derwig tegen zijn vader: ‘Als jij gaat staan schmieren, dan kan het publiek daar misschien om lachen, maar het zal de liefhebber pijn doen.’
Schmieren als zwaktebod dus, een verwerpelijke noodgreep voor onzekere acteurs die wanhopig naar bevestiging van hun publiek hengelen. Maar daar lijkt verandering in te komen.
Met name bij de jonge garde neemt de schroom om publiek met groot en grappig spel bij de voorstelling te betrekken, zichtbaar af. Nieuwe makers als Collectief Blauwdruk, De Theatertroep en Buysse & Joossen winden met hun spitsvondige taalfeestjes en lekker groteske spel het publiek vrolijk om hun vingers. Maar ook voor een gearriveerd theatermaker als Sarah Moeremans, sinds dit jaar de baas van Het Zuidelijk Toneel, is de lach een belangrijk ingrediënt.
Voor hen hoeft theater niet per se serieus en zwaar te zijn om belanghebbend en diepgaand te zijn. Zo belandt schmieren steeds vaker op een theatraal voetstuk.
En terecht: dit vrolijke freewheelen met de toeschouwer is niet per definitie een goedkoop komediantentrucje: het kan een waardevol bondje scheppen tussen personage en publiek, een handig stijlmiddel om een ingedutte voorstelling uit het slop te trekken of een vette relativerende knipoog die de codes van het theater – we doen allemaal alsof het echt is – even vrolijk ontregelt.
Schmieren mag, vindt acteur Jeroen Spitzenberger, op een voorwaarde: als het óók iets vertelt over het personage. Deze maanden speelt hij de titelrol in Cyrano, een uitbundige komedie over een dichtende militair die zwelgt in liefdesverdriet. Cyrano is een baldadige maar innemende donderstraal, die heimelijk onzeker is over zijn uiterlijk en om dat te maskeren alles uit de kast haalt voor een lach van zijn publiek.
In dit geval is schmieren dus ook een vorm van compensatiegedrag, zegt Spitzenberger. ‘Cyrano is bij uitstek een brokkenmaker, een provocateur en een komediant. Hij is iemand die scherp aan de wind zeilt, bewust reacties uitlokt en zijn omstanders manipuleert.’
Acteur en personage lopen daarbij soms expres een beetje door elkaar: Spitzenberger laat zijn eigen spelplezier zichtbaar doorschemeren, in vrolijke terzijdes richting toeschouwer of lollige actuele referenties die hij ter plekke bedenkt.
Bijvoorbeeld als de welbespraakte Cyrano zijn stamelende medesoldaat Christian vanuit de struiken souffleert tijdens een romantische balkonscène. ‘Ik kan het vaak niet laten om stiekem de zin ‘Hou het klein, hou het dicht bij jezelf’ van De Jeugd van Tegenwoordig erin te fietsen, puur in de hoop dat toeschouwers in de zaal erop aangaan. Een onvervalst schmiermomentje.’
Schmieren heeft bij uitstek ‘een ontheiligende functie’, zegt Peter Van den Eede van het Vlaamse collectief De Hoe. Als iemand de finesses van het betere schmieren verstaat, is hij het: met een onuitputtelijk gevoel voor zelfspot en onnavolgbare retorische trucjes ontregelt hij steevast met stalen gezicht zijn eigen voorstellingen.
En publiek smult daarvan. ‘Het is fijn om af en toe uit het verhaal te kunnen stappen, waardoor het publiek al tijdens de voorstelling met een kritische afstand naar het stuk kan kijken. Voor mij is schmieren een poging om zware materie licht te maken. Het kan daardoor iets wat heel pijnlijk of tragisch is, toch verteerbaar maken.’
Op dit moment is hij te zien in de voorstelling De sitcom, waarin hij een aan lagerwal geraakte comedyacteur speelt die zijn gevoel voor humor kwijt is. ‘We zijn nu een aantal weken op tournee, en ik merk dat we steeds beter weten wat de essentie van de voorstelling is. Daardoor durven we wat meer jazzy te spelen, nemen we meer ruimte voor improvisatie en permitteren we het ons vaker om te schmieren.’
Schmieren kan voor toeschouwers heel leuk zijn, maar doseren is het sleutelwoord. Een acteur die er in doorschiet wordt irritant en helpt een voorstelling definitief om zeep.
Volgens Xander van Vledder, speldocent op de toneelschool in Amsterdam, is de grens tussen goed spelen en schmieren soms verraderlijk dun: ‘Ik leer studenten dat ze zo optimaal mogelijk gebruik moeten maken van het hier en nu. Alles wat er in het stuk gebeurt, maar ook alles wat zich in de zaal voordoet, is onderdeel van het moment en moet je als acteur meenemen. Schmieren is het moment dat je de voorstelling uit het oog verliest.’
Soms stuurt hij studenten tijdens de les subtiel weg van het schmieren. ‘In iedere klas zit wel iemand waarvan je meteen doorhebt dat-ie zichzelf graag hoort praten op het toneel. Tegen zo iemand zeg ik bijvoorbeeld: wees nu eens minder met je eigen personage bezig, concentreer je vooral op de ander.’
Op de Toneelacademie Maastricht stuurt speldocent Laura De Geest er bij haar studenten soms juist heel bewust op aan. ‘Soms geef ik mijn studenten de opdracht om zo slecht mogelijk te spelen. Omdat ze dan ineens gekke wendingen nemen, het absurde opzoeken. Als je te hard bezig bent met dat het goed moet zijn, schiet je in een verkramping en word het slecht. Als je gaat schmieren, ga je vanzelf op zoek naar de uitersten van je personage: daar wordt het interessant. Ik zou het geen gek idee vinden om een heel lesblok op de toneelschool aan schmieren te wijden.’
Natuurlijk heb je ook varianten van schmieren die niet interessant zijn om naar te kijken. Soms krijg je als toeschouwer de indruk dat acteurs aan het schmieren zijn uit pure verveling: vaak gebeurt dat als halverwege een lange tournee de klad erin komt. Dan zijn spelers meer met zichzelf of elkaar bezig dan met de toeschouwer, en dat is funest voor elke spanningsboog. Ook als spelers té virtuoos aan het schmieren zijn is het minder interessant, omdat je als toeschouwer voelt dat er niets op het spel staat.
Het kan volgens Jeroen Spitzenberger heel leuk zijn om de boel een beetje op te poken met het publiek, maar schmieren kan een theateravond ook onherstelbaar beschadigen. ‘Als je er in doorschiet, kan het gebeuren dat het publiek op een gegeven moment heeft besloten dat het ‘een avondje lachen’ wordt. Dan is het heel moeilijk om dat nog bij te schakelen.’
Dat maakte Peter Van den Eede eens mee. Hij herinnert zich dat hij 25 jaar geleden met Damiaan De Schrijver in Leuven de voorstelling My Dinner With André speelde. Dat was een ruim drie uur durende theateravond waarin de acteurs op de speelvloer een uitgebreide maaltijd nuttigden en waarin volop ruimte voor improvisatie was ingebouwd.
‘De voorstelling had net allerlei prijzen gewonnen op theaterfestivals, dus we waren behoorlijk overmoedig en blij. De avond ging goed, heel goed, té goed: het werd zo’n hilarische avond dat de mensen na drie uur uitgeput waren, niet meer in staat om de diepte van het laatste halfuur te verdragen. We waren gaan vliegen, maar het lukte ons niet meer om het vliegtuig weer aan de grond te krijgen.’ Dat was een levensles, vertelt hij: ‘Zoveel hilariteit mogen we ons nooit meer permitteren.’
Dat schmieren niet alleen maar vrolijk afdwalen op een zijspoortje hoeft te zijn, maar een wezenlijk onderdeel van een voorstelling, bewijzen ook de populaire familievoorstellingen die regisseur Pieter Kramer en schrijver Don Duyns tussen 2007 en 2022 maakten, zoals Lang & Gelukkig, Snorro en De gelaarsde poes.
Aan de buitenkant waren dit vrolijke, groteske sprookjesvoorstellingen voor kinderen. Maar via het schmieren spraken de toneelspelers ook voortdurend het volwassen publiek aan, met verstopte foute seksgrapjes en parodiërende verwijzingen naar het nieuws.
Daardoor waren de voorstellingen lange tijd zeer geliefd bij jong en oud. Volgens acteur Dick van den Toorn, die verschillende keren meespeelde, zocht Kramer heel bewust acteurs bij elkaar die dat schmieren bij uitstek leuk vonden. ‘Arjen Ederveen is er een meester in: als hij het podium opkwam, begon hij niet met de scène, maar stak eerst even zijn grote teen in het lauwe water om de temperatuur van de zaal te voelen. In Lang & Gelukkig speelde ik zijn aangever: mijn taak was vooral om hem de ruimte te geven om los te gaan.’
Ook Van den Toorn is weleens doorgeschoten in de kolder van het schmieren: ‘In 2018 was ik koning Claudius in Hamlet, de familievøørstelling. Halverwege speelde ik in een scène waarin ik woedend op de wc zat te poepen – ‘mijn koninkrijk voor een wc-rol!’ – en waar de zaal helemaal plat om ging. Maar dat werd soms zo grappig dat de scène erna eronder leed.’
Acteurs kunnen de tournee gebruiken om aan te voelen hoever ze in het schmieren kunnen gaan, zegt actrice Keja Klaasje Kwestro. Ze wordt geroemd om haar lekker grote, onsubtiele speelstijl, waarmee ze net zo makkelijk komedies naar een hoger plan tilt als dat ze de broodnodige lucht in tragedies pompt.
Ook Kwestro maakte vlieguren bij de familievoorstellingen van Pieter Kramer. In De gelaarsde poes speelde ze een schitterende rol als stikverwende prinses die koste wat het kost met een jongen wilde tongen. ‘Halverwege de voorstelling moest ik een enorme, woedende huilbui spelen. Pieter had tijdens de repetities gezegd dat ik het niet te lang mocht rekken, maar gaandeweg de tournee merkte ik dat het publiek het echt heel leuk vond. Op een gegeven moment dacht ik: ach, Pieter komt toch niet altijd kijken, het kan best iets langer.’
Tijdens die scène moest Alex Klaasen zich omkleden van reus naar lakei. Aanvankelijk was dat een haastklus, waar hij nog geen minuut de tijd voor had. ‘Maar aan het eind van de tournee had ik het zo lang opgerekt dat hij zei dat hij zich wel drie keer op z’n gemak kon omkleden.’
Op dit moment is Kwestro te zien in de voorstelling F*ck Lolita van Het Zuidelijk Toneel. Daarin speelt ze een zelfbewuste, hedendaagse versie van Lolita, het 12-jarige romanpersonage dat Vladimir Nabokov in 1955 de wereld in stuurde en dat sindsdien als ‘vroegrijp, verleidelijk meisje’ bekendstaat – in plaats van het seksueel misbruikte, kwetsbare kind dat ze in wezen is.
Het verschil tussen Kwestro’s schmierende spel in de eerste scènes – als ze speels, huppelend en overvloedig oogknipperend de toeschouwers verleidt – en haar afgemeten, lege blik tegen het einde van de voorstelling, is hartverscheurend: het contrast maakt pijnlijk voelbaar hoe het misbruik Lolita heeft beschadigd.
Een beetje onderling schmieren gebeurt volgens haar ook weleens om een voorstelling bewust wat te ontregelen. Zeker tijdens een lange tournee, als het gevaar dreigt dat acteurs wat meer op de automatische piloot gaan spelen. ‘Elkaar een beetje uitdagen kan ook voor toeschouwers heel spannend zijn om naar te kijken. Een vorm van positieve concurrentie tussen de acteurs: ik sla nu onverwacht deze weg in, stel er maar iets tegenover.’
Inherent aan schmieren is dat je als acteur de onderlinge afspraken loslaat. Het is daarmee ook een letterlijke vorm van uitbreken uit beperkende kaders: een schmierende acteur weigert zich te laten beteugelen door tekst, regie of medespelers.
Bij Club Lam bijvoorbeeld is een beetje schmieren bewust onderdeel van de strategie. Het jonge theatercollectief maakt nieuwe versies van klassiekers uit de culturele canon, waarin vrouwen zich aan de dwingende mannelijke blik ontworstelen.
Bijvoorbeeld in de theatersatire My Fair Human, een feministische reactie op de musical My Fair Lady. Daarin speelt actrice Ella Kamerbeek een aanvankelijk luide alleenstaande millennial, waar publiek steevast hard om moet lachen. Als haar personage later in een indringende monoloog vertelt hoe ze door haar gebrek aan een kinderen in een sociaal isolement raakte, voel je je als toeschouwer met terugwerkende kracht schuldig om het plezier dat je aan haar beleefde. ‘Door in de eerste helft op de stereotiepe grap te spelen en daarna op de pijn, maken we het publiek als het ware medeplichtig.’
Ondanks de toenemende herwaardering, zijn acteurs zelf vaak nog terughoudend met over zichzelf zeggen dat ze schmieren. Kamerbeek benadrukt dat ze het woord zelf niet snel zou gebruiken. En Keja Klaasje Kwestro: ‘Zelf vind ik helemaal niet dat ik schmier, maar toen ik dat tegen mijn regisseur Sarah Moeremans zei, antwoordde zij heel veelbetekenend: nou Keja…’
Overigens kun je ook ten onrechte van schmieren worden beticht, merkte Kamerbeek. ‘Bijvoorbeeld omdat je er opvallend uitziet. Zelf ervaar ik dat geregeld omdat ik dikker ben dan commercieel aanvaard is. Ik heb het gevoel dat er bij mij vaak bij voorbaat al wordt gelachen als ik wat zeg op toneel, zonder dat ik daar actief op aanstuur.’
Als voorbeeld noemt Kamerbeek een kwetsbare dialoog in My Fair Human, waarin het voortzetten of beëindigen van een zwangerschap wordt bediscussieerd. ‘Het gekke is: er zit geen enkele grap in die tekst, we hebben er zelfs een rustig muziekje ondergezet, maar toch wordt om bijna alles wat ik zeg hard gelachen.’
Daardoor lijkt de scène veel platter dan de bedoeling is. ‘Het zegt vooral veel over het ongemak dat de toeschouwers proberen weg te lachen. In dat geval is het eigenlijk niet de speler, maar de toeschouwer die aan het schmieren is.’
Hamlet van Theater Rotterdam, t/m 12/9; Cyrano van Bos Theaterproducties, t/m 13/7; De sitcom van De Hoe, t/m 20/6; F*ck Lolita van Het Zuidelijk Toneel, t/m 9/10; My Fair Human van Club Lam en Toneelschuur Producties, t/m 11/5
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant