Ook inheemse bewoners van Canada vochten in de Tweede Wereldoorlog in de bevrijdingslegers. De Nijmeegse onderzoeker Mathilde Roza verzamelde hun verhalen voor een tentoonstelling. ‘Ik ben al jaren geïnteresseerd in inheemse culturen, maar hier had ik nog nooit van gehoord.’
schrijft voor de Volkskrant over historische onderwerpen.
Tussen de witte marmeren grafstenen van de Canadese oorlogsbegraafplaats in Groesbeek zoekt Mathilde Roza de rustplaats van Harold Jamieson uit Brantford, een stadje in het zuidwesten van Ontario. Jamieson, gesneuveld op 2 april 1945, 26 jaar oud, is een van de minstens 61 inheemse Canadese soldaten die hier begraven zijn.
Roza, universitair hoofddocent amerikanistiek aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, probeerde de afgelopen jaren de namen en verhalen van inheemse soldaten bij elkaar te puzzelen. Dat deed ze samen met onderzoeksgroepen in Groesbeek en de twee andere grote Canadese militaire begraafplaatsen in Holten en Bergen op Zoom én met hulp van de Nederlandse tak van veteranenorganisatie The Royal Canadian Legion. Ze ging bovendien op zoek naar inheemse soldaten uit het Amerikaanse leger. Een tentoonstelling over de vergeten groep bevrijders opende donderdag in het Vrijheidsmuseum in Groesbeek.
Harold Jamieson is een van de soldaten van wie Roza het verhaal bovenhaalde. Tussen de lange rijen stenen en het perfect gemaaide voorjaarsgras vertelt ze hoe zijn graf kort na de Tweede Wereldoorlog werd geadopteerd door een jonge man uit Groesbeek – iets wat destijds vrij gebruikelijk was. ‘Zo ontstond een briefwisseling met de familie in Canada. Die vroeg deze Nederlandse jongen, Jan Lamers, of hij de plek van Harold op de boerderij wilde innemen. Jan is uiteindelijk naar Canada geëmigreerd en door de familie opgenomen.’
In Groesbeek liggen 2.617 oorlogsgraven, elk met een verhaal. Waarom heeft u als onderzoeker juist belangstelling voor inheemse soldaten?
‘Dat begon eigenlijk toen ik een paar jaar geleden een verhaal toegestuurd kreeg. Een documentje met de biografie van een Amerikaanse soldaat die hoorde tot de Lakota Sioux en die hier in Nijmegen is gesneuveld, bij de aanval op de spoorbrug in september 1944. Ik ben al jaren geïnteresseerd in inheemse culturen én in geschiedenis en politiek, maar hier had ik nog nooit van gehoord. Ik had me nooit gerealiseerd dat er ook inheemse soldaten vochten in de bevrijdingslegers.’
Roza ging op zoek naar namen en verhalen van inheemse soldaten tijdens de Bevrijding. Eerst in de VS, maar dat bleek onverwacht lastig – meer dan 80 procent van de persoonlijke militaire dossiers van Amerikaanse soldaten is in 1973 bij een brand verloren gegaan. De overgebleven stukken zijn nooit gedigitaliseerd, waardoor ze vanuit Nederland niet, of alleen tegen hoge kosten, beschikbaar zijn.
‘Daarna heb ik de zoektocht uitgebreid naar Canada. Dat bleek veel makkelijker te zijn en het bleek eenvoudiger om contact te leggen met familieleden van soldaten en mensen uit inheemse gemeenschappen.’
Canada heeft drie hoofdgroepen oorspronkelijke inheemse bewoners. Veruit de grootste groep zijn de First Nations – in documenten uit de oorlog aangeduid met de verouderde term ‘indianen’. Daarnaast zijn er de Métis, die afstammen van oorspronkelijke bewoners en Franse pelshandelaren en kolonisten in de 18de eeuw, en de Inuit. Het overgrote merendeel van de inheemse soldaten hoorde tot de First Nations of de Métis, vertelt Roza. Hoewel het mogelijk is dat tijdens de Bevrijding ook Inuit vochten in het Canadese leger, zijn er voor zover bekend geen Inuit-soldaten in Nederland gesneuveld.
Onderzoek van Roza leidde in 2021 tot de tentoonstelling Albert en Theo: een bijzondere vriendschap, eerst in het Vrijheidsmuseum, later in de Nijmeegse Stevenskerk, over de kameraadschap tussen Theo Smolders uit Nijmegen en de Amerikaanse parachutist Albert Tarbell, een soldaat van Mohawk-afkomst. Smolders, destijds 15 jaar, en Tarbell leerden elkaar kort na de gevechten rond Nijmegen kennen en trokken in het najaar van 1944 wekenlang met elkaar op. Het leidde tot een levenslange vriendschap.
Sindsdien verdiepte Roza zich in tientallen andere verhalen. Ze verzamelde namen en gegevens van inheemse soldaten op de drie grote Canadese oorlogsbegraafplaatsen in Nederland. Tot nu toe vond ze er 63 in Groesbeek, 34 in Holten en 21 in Bergen op Zoom, waar Canadese slachtoffers van de Slag om de Schelde zijn begraven. Maar, waarschuwt ze: ‘Waarschijnlijk zijn de getallen hoger. Misschien zijn het er in Groesbeek wel twee keer zoveel.’
Waarom denkt u dat?
‘Simpel gezegd: er werd niet goed geadministreerd. Het Canadese ministerie van Defensie heeft ooit een telling gedaan waarbij ze voor de hele krijgsmacht uitkwamen op ongeveer drieduizend mannen en tachtig vrouwen, maar daar zijn bijvoorbeeld niet de Métis in meegerekend. Die werden destijds niet gezien als een inheemse groep. Als ik zou moeten schatten, dan denk ik dat het werkelijke aantal inheemse soldaten dichter bij de zesduizend ligt.’
Is het mogelijk om het aantal ooit met zekerheid vast te stellen?
‘Nou nee. Je zou stuk voor stuk de persoonlijke dossiers van alle soldaten moeten nagaan om op aanmeldingsformulieren etniciteit na te zoeken. En dan nog lukt het niet, juist omdat het bij de Métis en de zogeheten ‘non-status Indians’ niet werd geregistreerd. Het gebeurde ook dat mensen gewoon niet toegaven dat ze inheems waren, of dat het de officier aan de andere kant van de tafel niet interesseerde.’
Hoe gaat u dan te werk als u de herkomst van soldaten probeert te herleiden?
‘Soms werden soldaten van de First Nations geregistreerd als ‘wit’, maar als je dan gaat bladeren in iemands militair dossier, zie je bijvoorbeeld dat na overlijden de uitbetaling van achterstallige soldij is gelopen via wat toen heette een ‘indian agent’. Dat is een goede aanwijzing. Het gebeurt ook dat ergens in de stukken staat dat iemand naar een residential school is geweest – verplichte kostscholen waar kinderen uit reservaten onder dwang moesten assimileren. Dat zijn twee dingen waar ik altijd op let.’
De persoonlijke dossiers van tijdens de Bevrijding gesneuvelde Canadese soldaten staan sinds een paar jaar online. Mede door die verbeterde beschikbaarheid is het in ieder geval in theorie mogelijk om reconstructies en verhalen te maken op basis van alleen archieven. ‘Maar dat moet je niet willen’, zegt Roza. ‘Eigenlijk vind ik het noodzakelijk om familieleden te vinden. In ieder geval moet je daar je best voor doen.’
Hoe verloopt het contact met families?
‘Het lukt niet altijd om familie te vinden, maar áls het lukt, dan zijn de reacties heel positief. Families vinden het eigenlijk zonder uitzondering belangrijk om verhalen te delen. En mensen vinden het fijn dat er aandacht komt voor hun familieleden in het leger.’
Is dat omdat er aandacht is voor een familielid, of zit daar ook een andere dimensie aan: het is fijn dat er aandacht komt voor de oorlogsinspanning van inheemse volken?
‘Dat laatste speelt zeker een rol.’
Inheemse Canadezen die zich vrijwillig meldden voor het leger – Canada introduceerde pas in de laatste maanden van de oorlog militaire dienstplicht – hadden te maken met allerlei racistische vooroordelen, negatief maar óók min of meer positief. Terwijl ze aan de ene kant werden weggezet als ‘onderontwikkeld’ en ‘dom’, werden ze aan de andere kant op handen gedragen als ‘uitstekende verkenners’ en ‘goede scherpschutters’. Tegelijkertijd was het leger in vergelijking met de Canadese samenleving betrekkelijk egalitair. Voor veel inheemse rekruten was de oorlog een periode van relatieve vrijheid, vertelt Roza.
Hoe was voor inheemse soldaten de thuiskomst na de Tweede Wereldoorlog?
‘Een veelgehoorde uitspraak van veteranen is: in het leger was ik een Canadees, maar toen ik thuiskwam was ik weer een indiaan. Het racisme en de discriminatie gingen gewoon op oude voet verder.
‘Gewone soldaten konden na de oorlog een stuk grond krijgen via de Veteran’s Land Act. Veel First Nations waren daarvan uitgesloten ‘omdat ze al reservaten hadden gekregen’. Inheemse veteranen waren ook vaak uitgesloten van allerlei financiële regelingen en mochten geen lid worden van veteranenorganisaties. Dat is een enorme bron van woede en frustratie geweest.’
We hebben het tot dusverre vooral over het leger. Hoe ging het eraan toe bij de luchtmacht en de Canadese marine?
‘De luchtmacht en de marine hadden tot respectievelijk 1942 en 1943 expliciet discriminerend beleid. De marine had zelfs de bepaling dat rekruten van ‘pure European descent and the white race’ moesten zijn. Een van de argumenten was dat de bemanningsleden op een onderzeeër wel héél dicht op elkaar zaten, en daar wilden ze geen inheemse jongens bij. Een ander argument, het wordt een beetje hilarisch, is dat destijds de indiaanse bevolking geen alcohol mocht drinken. In de marine was het gebruik om ’s middags één glaasje verdunde rum te drinken. Dus ja, dat kon niet.’
Is dit een onderwerp dat in Canada ook leeft bij militair historici?
‘Dat vind ik moeilijk om te zeggen. Ik schaar mezelf niet in het veld van militaire historici of iets dergelijks. Helemaal niet zelfs. If anything ben ik een pacifist, en ik vind militaire geschiedenis – hoe verliep die veldslag, wat voor tanks gebruikten ze – ook niet heel interessant. Ik vind het wel boeiend om de persoonlijke verhalen te horen. Het gaat me om de impact van oorlog op mensen.
‘Ik vind het ook belangrijk om, zoals hier rond Nijmegen, namen aan plaatsen te kunnen koppelen. Ik hoop dat dit bij mensen tot herkenning leidt. In Nederland weten we erg weinig over inheemse mensen en hun geschiedenis – dat zij hier in Nederland vochten, laat zien dat er wel degelijk een connectie is. Dat je een naam ziet en denkt: hé, die was betrokken bij de bevrijding van mijn stad.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant