Home

In de (eindelijk!) verschenen oorlogsdagboeken van Nescio en Carmiggelt wordt het ergste verzwegen en toch veel gezegd

Eindelijk zijn de oorlogsdagboeken uitgegeven van twee van Nederlands grootste schrijvers: Nescio en Simon Carmiggelt. Met verbluffende verbeeldingskracht beschrijven ze de gewone dingen in een ongewone tijd.

schrijft voor de Volkskrant over Nederlandstalige literatuur.

‘Bewaar dezen brief’, schreef Nescio, pseudoniem van J.F.H. Grönloh, op 13 december 1944 aan zijn dochters Bob en Miep en hun gezinnen in Groningen, ‘dan kun je misschien later nog eens nagaan hoe een Amsterdammer was en leefde in December 1944.’

De volgende dag voegde hij er nog aan toe: ‘Soms heb ik ’t gevoel dat ik een dagboek schrijf, dat plotseling af zal breken. Zoo vinden ze dagboeken van omgekomen poolvaarders.’

Een tijdreis. Dat is het effect als je de brieven leest van Nescio uit de Hongerwinter, bezorgd door zijn biografe, Lieneke Frerichs, onder de titel Zingen in het donker. Je bent erbij als Frits Grönloh en zijn vrouw Agathe, die ‘Ossi’ werd genoemd, zich door de laatste maanden van de oorlog heen scharrelen en de moed erin proberen te houden in hun bovenwoning aan de Linnaeushof, midden in de Amsterdamse Watergraafsmeer.

‘Het was heel gezellig’

‘Na het eten’, schreef Nescio op eerste kerstdag 1944, ‘hebben wij lang in het donker gezeten en gepraat en van alles gezongen. Buiten was heldere maneschijn, eerst was het lang dag gebleven met dat heldere weer, er waren wat flauwe sterren. Het was heel gezellig, zoo schijnt alles eenige vergoeding mee te brengen. Je beleeft nu dingen die je nooit beleeft en dit leven op leven en dood brengt je weer nader tot elkaar.’

In haar inleiding bij Zingen in het donker merkt Frerichs terecht op dat Nescio natuurlijk geen gewone Amsterdammer was in een ongewone tijd. Als schrijver beschikte hij juist over uitzonderlijke talenten, die hem onderscheidde van de talloze oorlogsgetuigen van wie we de dagboeken en brieven inmiddels ook kennen. Hij wekt de desolate stad, de gaarkeukens, de kaalgezaagde bomen en de toevallige voorbijgangers op zijn hongertochten gloedvol tot leven. ‘Toen kwamen we een mannetje tegen met een karbonkelneus en traanoogies en een stalen bril en een zakje op z’n schouer en toen vroegen we ‘hebt U daar turf?’ Zoo doe je tegenwoordig.’

Glasheldere, tragikomische verhalen

De oorlog in stukjes, een bundel ‘cursiefjes’ en ‘Kronkels’ die Simon Carmiggelt tussen 1945 en het midden van de jaren tachtig in Het Parool publiceerde – nu samengesteld door zijn zoon Frank – heeft een vergelijkbaar effect. In glasheldere, tragikomische verhalen laat Carmiggelt het dagelijks leven van gewone Amsterdammers tijdens de Duitse bezetting voor je ogen verschijnen.

In het openingsverhaal uit de bundel, ‘Honger’, gaat Fien in de Hongerwinter elke avond met haar ‘moeizame ouwe-vrouwenstap’ de trap op, en wekt zo argwaan bij haar hospita, juffrouw Wolsma, die tegen haar man zegt: ‘Alsjeblieft – negen uur, daar gaat ze weer.’

De man, nauwelijks zichtbaar bij het bibberend schijnsel van het drijvertje, haalde zijn schouders op. ‘Ze gaat een slokkie water nemen’, zei hij. ‘Dat zegt ze’, siste juffrouw Wolsma, conspiratief fluisterend, ‘maar ik verzeker je dat ze wat op d’r kamer heeft. Ze eet.’

‘Honger’ verscheen oorspronkelijk onder pseudoniem op 9 januari 1945 in het illegale Het Parool, de krant waaraan Carmiggelt met gevaar voor eigen leven werkte in de drukkerij van Johannes Jesse aan de Nieuwezijds Voorburgwal in het hart van Amsterdam. Jesse vertelde na de oorlog, toen Carmiggelt inmiddels de beroemdste journalist van Nederland was: ‘Hij verzorgde de opmaak en het foutloos-maken van de krant. We wisten niet dat hij ook nog kon schrijven. Toen ’t uitlekte dat hij dat verhaaltje ‘Honger’ had geschreven, schaamde hij zich een beetje om die onthulling.’

Dromen van een bohemienbestaan

Nescio en Carmiggelt bevonden zich tijdens de oorlog in zeer verschillende posities. Grönloh was een zestiger, al met pensioen als directeur van de Holland Bombay Trading Company. Sinds de publicatie van zijn meesterlijke, melancholieke verhalen ‘De uitvreter’, ‘Titaantjes’ en ‘Dichtertje’, gebundeld in 1918, was er nauwelijks nog iets van zijn hand verschenen. Nescio was net zo’n wonderlijke kerel als Japi uit ‘De uitvreter’, dromend van een bohemienbestaan, maar tegelijk een burgerlijke, angstige man die te nerveus was om tijdens de Duitse bezetting iets illegaals te ondernemen.

Simon Carmiggelt was 27 jaar op 10 mei 1940, toen de Duitsers Nederland binnenvielen. Opgegroeid in een rood nest was hij, net als zijn oudere broer Jan, verslaggever voor de Haagse editie van Het Volk. Nadat de bezetter de leiding over die krant overnam, namen beide broers, anders dan de meeste van hun collega’s, ontslag. Jan ging bonnen voor onderduikers regelen en Joden helpen, werd verraden en naar kamp Vught gestuurd, waar hij stierf in een ziekenbarak.

Simon kwam via een schoolvriend bij Het Parool. Hij verhuisde met zijn vrouw Tine en hun jonge kinderen uit Den Haag naar Amsterdam om daar dat ‘illegale blaadje’ – de verkleinwoorden zijn van hem zelf – te blijven maken.

Opgepakt tijdens een razzia

In ‘Klucht’ beschreef Carmiggelt in een Kronkel uit 1978 hoe hij begin 1945 werd opgepakt tijdens een razzia. Hij had een tas bij zich met kopij, drukproeven en een paar oude nummers van ‘het krantje’ en was samen met een aantal andere mannen een groentewinkel ingevlucht. De vrouw van de groenteboer zette het op een gillen, de winkelier probeerde haar te kalmeren door haar door elkaar te schudden. Gealarmeerd door het geblèr viel de Grüne Polizei binnen.

‘Ik had mijn tas in de huiskamer onder een stoel geschoven, maar Duitsers waren en zijn hinderlijk gründlich. Een Polizist met een sterretje op zijn kraag kwam even later naar buiten, met mijn tas in de hand, en vroeg wie de eigenaar was. De vrouw van de groenteboer stond ontredderd naast hem. Ze snikte nog steeds. Ik dacht: mijn naam is haas. Maar de man die haar aan de schouders heen en weer geschud had, riep: ‘Der da!’ En hij wees op mij. Toen kwam de Grüne naar me toe. De tas was open. Hij pakte er een hand vol drukproeven en krantjes uit, hield ze me voor en zei, niet zonder medeleven: ‘Mensch, hast du aber Pech’.

Hij werd opgesloten in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. In ‘Ochtend’ kijkt Simon, nog voor hij verhoord gaat worden, door een kijkgaatje in het matglas van zijn cel hoe drie jongens worden afgevoerd door SS’ers om te worden geëxcuteerd. Hij voelde hoe een primitief angstgevoel bezit van hem nam. ‘Ik zweette hevig. Mijn lichaam deed wat mijn geest niet kon.’

Carmiggelt werd na een paar dagen weer vrijgelaten omdat uit zijn tas de illegale kopij wonderbaarlijk was verdwenen. Bovendien bleek hij in staat om zich tijdens zijn verhoor onschuldig voor te doen. Gered door zijn talent de mensen iets op de mouw te spelden.

Louter een paar dichtregels

Carmiggelt was tijdens zijn latere leven zwijgzaam over de oorlog. Over het allerergste dat hem trof – dat hij zijn hoogzwangere schoonzusje en zijn vader had moeten vertellen dat zijn broer Jan in het kamp was gestorven – schreef hij louter een paar dichtregels. Dat is geen toeval. Hij kon er nauwelijks over praten.

Pogingen van uitgevers om hem te bewegen om zijn autobiografie te schrijven, liepen op niets uit. Alles wat hij over zichzelf kwijt wilde, zat verstopt in zijn stukjes.

Nescio was ten minste net zo gesloten. Ondanks het feit dat hij zijn dochters aanraadde om zijn brieven uit de oorlog te bewaren, waren diezelfde dochters er jarenlang van overtuigd dat die niet aan de openbaarheid prijs mochten worden gegeven.Goddank dachten zijn kleinkinderen er – jaren na zijn dood – anders over en stelden brieven en dagboeknotities ter beschikking, zodat Lieneke Frerichs in haar biografie (2021) overtuigend kon aantonen dat Nescio als schrijver veel autobiografischer te werk was gegaan dan altijd was gedacht.

Altijd een enigma

Toch zal Nescio – dat ‘ik weet niet’ betekent – altijd een enigma blijven. Hoezeer hij ook van zijn vrouw en dochters hield en zich om hen bekommerde, zelfs met hen leek hij niet altijd in staat echt verbinding te maken. Het meest bizarre voorbeeld in de brieven is de manier waarop hij omging met het tragische lot van de echtgenoot van zijn dochter Miep.

Louis Boas was als Joodse onderwijzer met een vervalst persoonsbewijs naar Frankrijk vertrokken, maar werd gearresteerd toen hij eind juni 1944 even terugkeerde voor een bezoek aan vrouw en kind. Hij werd op 3 september 1944, met een van de laatste transporten uit Westerbork, in dezelfde trein als Anne Frank, ‘doorgestuurd’ naar Auschwitz.

‘Van het bericht over Louis schrokken wij toch even, al waren wij er al lang op geprepareerd, Ossi moest huilen’, schreef Grönloh op 29 oktober 1944. ‘Maar wie weet, ook dit komt misschien ten slotte nog terecht.’

En verdomd, het kwam terecht. Boas overleefde het vernietigingskamp en stuurde op 27 mei 1945 een briefje uit Marseille naar een buurman of die zijn schoonouders wilde waarschuwen dat hij ‘heelhuids en in prima conditie’ op weg naar huis was. In zijn brief aan zijn dochter Miep, die uitzinnig van vreugde moet zijn geweest, reageerde Nescio koeltjes en zonder medeleven. Anders dan Ossi feliciteerde hij zijn dochter niet. ‘Op Mieps ondoordachte briefkaart zal ik maar niet antwoorden. Ik moet evenwel nadrukkelijk verzoeken van een dergelijken toon verschoond te blijven.’

Carmiggelt was een groot bewonderaar van Nescio. Op 23 juni 1956 is Carmiggelt bij zijn collega op bezoek gegaan om hem te feliciteren met zijn 75ste verjaardag en daarvan deed hij verslag in een Kronkel – die natuurlijk niet is opgenomen in De oorlog in stukjes. ‘Ik heb altijd zoveel mogelijk stil gehouden dat ik schreef’, zei de jarige, ‘want ik heb mijn leven lang op een kantoor gezeten en als ze in zulke kringen merken dat je zulke neigingen hebt, denken ze alleen maar, dat je niet deugt voor je werk.’

Nescio vertelde zijn jongere, beroemde collega spottend dat hij ook een heleboel van hem had gelezen. ‘Ja ik lees tegenwoordig alléén maar dingen, waar ik niet bij hoef na te denken.’

Achterop de fiets

De verbluffende verbeeldingskracht van beide schrijvers schuilt voor een deel in wat ze niet schrijven. In het verzwegene. Carmiggelts verslag van zijn arrestatie eindigt niet met de dramatische verwoording van de doodsangst waarin hij moet hebben verkeerd, maar met een geestig beeld. Het stukje heet niet voor niets ‘Klucht’. Hij vertelt op laconieke toon dat hij niet door een Duitser, maar door een Nederlandse SS’er naar het Huis van Bewaring werd gebracht. Achterop de fiets.

‘Ik zat, als een amazone, op zijn bagagedrager, met de tas in mijn ene hand, terwijl ik me met mijn andere hand vastklemde aan zijn koppelriem. In de Spuistraat passeerden we een mij vaag bekende jongeman, die me wel eens zijn gedichten liet lezen. Het waren mooie gedichten. Toen hij me zo vertrouwelijk bij een Hollandse SS’er achterop zag zitten, verstijfde hij van ontzetting. Je kon zien dat hij vreesde zijn vertrouwen aan een verkeerde te hebben geschonken. Ik probeerde terug te kijken of ik zeggen wilde: ‘Ik leg het je, bij gelegenheid, nog wel eens uit.’ Maar ik heb hem nooit teruggezien. Nou ja, misschien leest hij dit stukje.’

Tachtig jaar na de bevrijding is het werk van Nescio en Carmiggelt onaangetast door de erosie van de tijd. De zwaarmoedige humor, klare taal en het stilistisch meesterschap hebben hun glans behouden. Wat een geluk dat hun brieven en stukjes bewaard zijn gebleven en uitgegeven – ze brengen de oorlog schrijnend nabij.

Nescio: Zingen in het donker – Brieven uit de hongerwinter. Van Oorschot;
215 pagina’s; € 22,50.

Simon Carmiggelt: De oorlog in stukjes. De Arbeiderspers; 168 pagina’s;
€ 19,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next