Ben je bereid je leven te geven voor vrijheid? ‘Voor mij is dat een heel wezenlijke vraag’, zegt schrijver Jaap Scholten, die sinds ruim drie jaar het Oekraïense leger helpt aan nieuwe voorraden. Vanavond spreekt hij bij de Dodenherdenking in de Grote Kerk van Naarden onderstaande tekst uit.
Vlakbij in Europa is een land waar militairen en burgers op systematische wijze gemarteld en vermoord worden, en kinderen op grote schaal worden afgevoerd naar heropvoedingskampen in Rusland.
In Kyiv in het gebouw van PEN Ukraine zag ik een foto gemaakt door Viktor Hurniak, een jonge fotograaf, een vriend van vrienden, die inmiddels is vermoord door de Russen. Op de foto staat een blond jongetje, een mager jongetje van een jaar of 10. Hij staat voor een pantservoertuig met daarop een geel-blauwe vlag. Hij heeft een blote borst, je kan zijn ribben tellen. Hij houdt twee handen op zijn hoofd en lacht. Zijn stadje in Luhansk is net bevrijd door het Oekraïense leger. Hij kijkt intens blij. Zo blij. Dat wens ik alle kinderen in Oekraïne toe. Dat ze bevrijd worden door het Oekraïense leger, en niet worden weggevoerd naar een kamp in Rusland.
Sinds iets meer dan drie jaar helpen we met een groep vrijwilligers het Oekraïense leger, eerst alleen met Nederlanders, nu samen met Oekraïense vrijwilligers, Litouwse rugbyers en opstandige vrouwen uit Belarus. Een uitdijend leger van verzet. We doen het onder het motto: wanneer we één leven redden, is alles de moeite waard geweest.
Enkele maanden geleden hadden we het geluk bij een van onze konvooien historicus Timothy Snyder te ontmoeten, bij toeval, midden in de nacht – in de schuilkelder van hotel Rus in Kyiv, terwijl de stad werd aangevallen door het Russische leger met Iraanse Shahed-drones.
In zijn kleine, geweldige boekje Over Tirannie noteert historicus Timothy Snyder twintig lessen uit de 20ste eeuw, een soort handleiding hoe als burger tegen de dictatuur op te staan. Les nummer 20 luidt:
‘Wees moedig als u kunt’
‘Als geen van ons bereid is voor de vrijheid te sterven, zullen we allemaal onder tirannie sterven.’
Voor mij is het een heel wezenlijke vraag: ben je bereid je leven te geven voor vrijheid? Zijn wij bereid ons leven te geven voor de vrijheid van onze kinderen en kleinkinderen?
We zaten in de gym in de kelder van het hotel. Timothy Snyder sprak over de voorbeeldfunctie van verzet. Dat iedere daad van verzet, hoe klein ook, de status quo van de agressor doorbreekt. Ieder verzet is belangrijk. Dat benadrukt hij in zijn boek. We moeten niet wegkruipen in onze eigen cocon.
Weerwoord bieden tegen iemand die nepnieuws uitkraamt. Kwaliteitskranten lezen. Contact houden met uw omgeving. Goede doelen steunen. Op een verstandige politieke partij stemmen. De redelijkheid levend houden. Van X en Facebook afgaan. Uw Tesla de deur uitdoen. Geen Pepsi Cola, Mars en Nestlé producten meer kopen. Een Oekraïense vlag voor uw raam hangen. Visnetten verzamelen. Investeren in de Oekraïense tech-industrie. Af en toe Slava Ukraini (Glorie aan Oekraïne) roepen terwijl u fietst.
Het is prettig om iets te doen. Het voorkomt het gevoel van machteloosheid. Actie ondernemen en dapper zijn werkt aanstekelijk, ervaar ik keer op keer in Oekraïne.
Als 8-jarig meisje waarschuwde mijn 90-jarige moeder twee onderduikers in een boerderij van de familie dat de Duitse soldaten boven waren – die waren net binnengestormd op zoek naar onderduikers. De onderduikers zaten verstopt in een kast op de begane grond. Mijn moeder liep er snel heen, tikte op de deur en zei: ‘Eruit nu, ze zijn boven.’ Dat ze het bos moesten invluchten.
Dat doen als klein meisje; dat is dapper.
Eén tak van mijn familie was in de Tweede Wereldoorlog veel dapperder dan alle andere – niet onze tak helaas. Het ging om de tak die afstamde van boer Stork, de oom van mijn grootvader, een oom die niet wilde deugen. Als 12-jarig jochie werd hij dronken met de koeienhandelaren op de markt in Hengelo. Hij wilde boer worden en hertrouwde later met het drie keer jongere, Duitse en katholieke (dat was wel het ergste) kindermeisje van zijn kleinkinderen. Hij verhuisde naar Duitsland en zag de opkomst van Hitler van nabij.
Toen de Joodse huisarts uit het dorp niet meer naar zijn patiënten mocht door de anti-joodse wetten, liet boer Stork zijn rijtuig inspannen, de koetsier z’n mooiste uniform aantrekken, reed naar de huisarts – zodat iedereen het kon zien – en liep bij de arts naar binnen met de woorden: ‘Wanneer jij niet meer bij mij kan komen, kom ik naar jou.’
De kleinkinderen van boer Stork waren uit zijn hout gesneden. Tante Ankie was een van hen. Samen met haar nichtje Anne Maclaine Pont (een andere kleindochter van boer Stork) sloot zij zich aan bij het Kindercomité, waar onder andere Hetty Voute, Rut Matthijsen, Frits Iordens, Jan Meulenbelt, Ger Kempe en Geert Lubberhuizen bij zaten. Het waren allemaal studenten, Utrechtse corpsleden. Ze legden zich toe op het redden van Joodse kinderen.
De kinderen werden uit de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg gesmokkeld. In het gebouw van de Talmoed Torah werden Joodse kinderen ondergebracht zonder ouders. De treinen die vanaf Amsterdam-Centraal naar de vernietigingskampen vertrokken en niet vol waren, werden afgevuld met kinderen uit die crèche.
Het Kindercomité heeft honderden Joodse kinderen weten weg te smokkelen. In de ringmap met de administratie van het comité staan er 280 genoteerd, waarschijnlijk waren het er tegen de 400. Tante Ankie was verantwoordelijk voor het onderbrengen van kinderen in Twente, in de buurt van Nijverdal, waar zij vandaan kwam.
In Lemele was een jonge dominee in de Nederlands Hervormde kerk, Hendrik Berkhof. Hij spoorde de boeren in de gemeente in zijn preken aan tot verzet en werd daarvoor door de Sicherheitsdienst gearresteerd (maar overleefde de oorlog). Dankzij dominee Berkhof was er onder de boeren in Lemele grote bereidheid Joodse kinderen op te nemen.
Tante Ankie bracht kleine kinderen uit de crèche met de trein van Amsterdam naar Zwolle en deed, als 21-jarige, alsof het haar kinderen waren. Vanaf Zwolle ging ze met de fiets met de kinderen achterop naar Lemele, 32 kilometer. Ten minste 35 maal ondernam zij die tocht. Een enkele keer met twee kinderen achterop.
In Lemele overlegde zij met de ouderraad van de boeren op welke boerderij nog plaats was voor een kind en bracht het kind daar. Er waren twee NSB-gezinnen in Lemele, maar die durfden na Stalingrad, na 1943, geen verraad meer te plegen. Ankie bleef kinderloos en onderhield tot het eind van haar leven contact met een paar van die kinderen die ze had teruggevonden, het waren haar kinderen.
De laatste keer dat ik Ankie zag was in 2014, een jaar voor haar dood. We hadden samen gegeten bij een Indonesisch restaurant in Den Haag. Mijn 93-jarige oudtante zette mij met haar autootje af bij het Centraal Station. Bij het uitstappen vroeg ik of zij nooit angst had gehad. Ze antwoordde: ‘Weet je waar het om gaat? Nóóit laten zien dat je bang bent. Want dan ben je verloren. Dan hebben ze je.’
Een half jaar na haar dood gaf ik een lezing in de bibliotheek in Almelo. Ik sprak over Horizon City, het boek waarin tante Ankie voorkomt. Er was een klein dametje met zwart haar die een grote stapel boeken van mij bij zich had en teutte om als laatste aan de beurt te zijn. Toen iedereen weg was, verscheen ze aan mijn tafeltje, keek me met een krachtige blik aan en zei: ‘Ik was één van die kinderen.’
Jaap Scholten is schrijver en bevoorraadt met zijn organisatie Protect Ukraine brigades van het Oekraïense leger. Deze lezing wordt op 4 mei uitgesproken bij de Dodenherdenking in Naarden.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant