Nooit meer doen, hè, zeggen de 4 mei-sprekers, dit mag nooit meer gebeuren. Maar hoe verzoenend we ons ook opstellen op de Dam, vergeving is zo logisch nog niet, stelt schrijver P.F. Thomése.
God, wat haatte ik het!
Ik was 18 en Dostojevski, die bezeten gek, had me aan mijn rode oortjes door de duisterste trappenhuizen en de morsigste achterkamertjes van de menselijke geest gesleurd, meer dan vijfhonderd volgepropte bladzijden lang.
Misdaad en straf, daar heb ik het over, al heette die pageturner avant la lettre toen nog Schuld en boete, want Russische romans werden destijds voor het gemak graag uit het Duits vertaald.
Nooit had ik geweten hoe het was om iemand, om zelfs twee mensen te vermoorden. Met een bijl nog wel. En hoe je na zo’n bloedige slachtpartij nergens meer van op aan kon, vooral niet van jezelf. Terwijl het oorspronkelijke plan zo plausibel had geklonken. Die mensen waren oud en oninteressant, die ene dan. Jij, jong en getalenteerd, kon hun spaargeld veel beter gebruiken. Nou ja, die tweede dode had niet gemoeten. Je werd zelf die moordenaar, als je het las.
Ik vond het beangstigend, weerzinwekkend, maar ik las tomeloos voort - alsof ook ik, net als de van angst ijlende hoofdpersoon, de 24-jarige student Raskolnikov, achter elke plint, in iedere kast naarstig een uitweg zocht.
En toen kwam ie, de bummer die ik zo haatte, ik had ’m totaal niet zien aankomen. Wel had ik van het begin af aan mijn bedenkingen gehad bij de tot inkeer gekomen ex-prostituee Sonja, die de veroordeelde R. als een hondje blijft volgen, helemaal tot in de wildernis van Siberië, waar de dubbele roofmoordenaar na zijn bekentenis en veroordeling naartoe is verbannen. Een bekeerde hoer, wie verzint er nou zoiets? Ja, Jezus Christus misschien. Die is tot alles in staat.
Ach, wat had ik Raskolnikov graag zijn straf gegund, met de bijbehorende vernederingen, fysieke kwellingen, wrede bewakers etc., want rechtvaardigheid kent nu eenmaal zijn sadistische zijde. Ook de lezer, deze althans, is daar bepaald niet van vrij.
Maar vanwege Dostojevski’s gemakzuchtige keuze voor een goede, lees: brave afloop wordt het in de epiloog ineens hosanna en halleluja.
En meteen is de roman afgelopen. De zondaar wordt vergeven en dat is het dan. Bad guy turns into good guy. Meneer de moordenaar is bekeerd tot het evangelie en weg is alle ellende, als bij toverslag is zijn toekomst nieuw en rein en hoopvol.
In twee, drie bladzijdjes is het gepiept. Moord? Waar hebben jullie het over? ‘Wat waren het eigenlijk allemaal, al die angsten van het verleden! Alles, zelfs zijn misdaad, zelfs het vonnis en de verbanning leken hem nu opeens iets uiterlijks, iets vreemds, zelfs bijna een feit dat niet met hem gebeurd was.’
Dostojevski demonstreert hier in een oogwenk en een handomdraai de werking van de genade, dat mysterie waar zo’n beetje het hele christendom op gegrondvest is. Jezus is persoonlijk tot ons gekomen om de zonden van de wereld weg te nemen. Rein als lammetjes zullen we worden. Hoe hij het doet, weet niemand, maar de belofte is dat iedere zondaar (lees: ieder mens) dit geluk kan overkomen. Blijf hopen, blijf geloven en de genade zal uw deel zijn. Ooit, op een dag. Voor of na uw dood, dat kunnen we nog niet met zekerheid zeggen. En zo niet, dan toch, althans misschien, want je weet het nooit zeker met de Here Jezus. Hij blijft ons verrassen, elke dag weer.
‘Genade, genade!’, smeekten wij als jongetjes als we met vechten verloren hadden.
‘Genade? Priklimonade!’, sneerden we terug als we bovenop zo’n jongetje zaten, de bleke binnenkantjes van z’n zielige bovenarmpjes afgeklemd onder onze knieën.
Maar zo waren Dostojevski en Jezus dus niet. Voor hen geen priklimonade.
Toch moet er ook tussen ons, meedogenloos vechtende jongetjes, dat mysterie van de genade en de verlossing werkzaam zijn geweest. Anders lagen wij daar nog steeds op dat naar hondenstront meurende gemeenteveldje, de een boven, de ander onder, onwrikbaar en onoplosbaar in dezelfde situatie vastgeklonken. Op zeker moment moet de genade zich tussen ons voltrokken hebben en zijn we opgestaan om verder te kunnen met ons eigen leven.
Maar ik herinner me dat niet. Als er sprake is geweest van genade en vergeving, dan had ik dat zelf niet door. Ik herinner me alleen dat ik de ene keer boven lag, de andere keer onder, in een onvermijdelijke cyclus van winnen en verliezen, van vergelding en wraak, dader en slachtoffer ineen.
Dit te doorbreken, dit oudtestamentische perpetuum mobile, was Jezus’ missie, op aarde dan, want vanuit de hemel is weinig meer van hem vernomen, al schijnt er door hem nog aan te worden gewerkt.
Ondertussen proberen de mensen overal ter wereld de vergevingsleer van Jezus op hun manier in de praktijk te brengen. ‘Imagine all the people’, zingt John Lennon, ‘living life in peace. (Joe-hoe!) You may say I’m a dreamer but I’m not the only one. I hope some day you’ll join us and the world will be as one.’
Het is de andere wang van Jezus die Lennon bezingt, het goede voorbeeld dat goed doet volgen. Als we onze vijanden omhelzen en onze rancunes, onze haat en onze afgunst vergeten, dan zullen we allemaal vriendjes worden en zal niemand meer op het idee komen om ons in elkaar te slaan, de ogen uit te steken, de keel door te snijden, ons te verminken, te verkrachten of te vergassen.
Soms is een theorie zo goed dat de praktijk er niet aan kan tippen. Vergeving wordt dan iets wat je door de strot geduwd krijgt. Je hebt geen idee of en hoe het werkt. Zoals vroeger met de bittere druppels levertraan. Doe je ogen dicht en slik maar door, het is goed voor je.
Neem bijvoorbeeld de plechtigheden op 4 mei, wanneer traditioneel de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog worden herdacht.
Geen woord over de daders, zo luidt de nationale etiquette.Ja, nooit meer doen hè, wordt er spreker na spreker gezegd.
En er zijn verdomd veel 4 mei-sprekers, en ze zeggen allemaal hetzelfde. Dit mag echt niet meer gebeuren! Maar tot wie is die vermaning eigenlijk gericht, tot de daders of tot de nog-niet-daders? De woorden moeten haast wel tot ons gericht zijn, de nog niet schuldigen. Er spreekt de hoop uit dat wij de (massa)moordenaar in onszelf eronder weten te houden. Wij zijn nog te redden, de daders niet. Zij kunnen hun schanddaden immers niet meer ongedaan maken - zoals Lady Macbeth het onzichtbare bloed niet meer van haar meedogenloze handen krijgt geschrobd.
‘Here’s the smell of blood still: all the perfumes of Arabia will not sweeten this little hand. Oh oh oh.’
De ontzetting over de misdaden zal nooit helemaal weggepoetst kunnen worden, hoe vergevingsgezind we ons ook opstellen, met z’n allen op de Dam in dat stille ontzag voor het onvoorstelbare. Vergeten kunnen we het misschien, meestentijds dan, maar vergeven...?
Over de (on)mogelijkheid tot vergeven na de Shoah heeft de Franse denker Vladimir Jankélévitch (1903-1985) een eigenaardig en fascinerend boek geschreven, Le pardon, waarvan nu een Nederlandse vertaling is uitgebracht: Vergeving - Een filosofische verkenning.
Aanleiding tot dit boek was een besluit van de Franse regering om misdaden, ook die tegen de menselijkheid, al na twintig jaar tot verjaard te verklaren. In 1965 gebeurde dat, twee decennia na de Tweede Wereldoorlog, die in Jankélévitch’ binnenste nog brandde als de hel.
Verbijsterd was hij, zoon van Russisch-Joodse ouders. Verbijsterd en razend. In een polemisch essay in Le Monde beet hij de voorbarige autoriteiten toe dat de met industriële efficiency vermoorde mannen, vrouwen en kinderen de enigen waren die de oorlogsmisdadigers hun genocide zouden kunnen vergeven. Maar die waren dood, afgemaakt, ontmenselijkt. Hoe zouden we de Duitsers hun mensenvernietigingsfabrieken kunnen vergeven, terwijl de gigantische reikwijdte van de catastrofe eerst mondjesmaat tot ons door begint te dringen?
Hoe kunnen we deze grootste misdaad tegen de mensheid al achter ons laten, terwijl we hem nu pas in zijn volle omvang beginnen te leren kennen? Nee, vergeving is uitgesloten.
‘Le pardon est mort dans les camps de la mort.’ Vergeving is gestorven in de dodenkampen.
Zo stellig als hij was in zijn artikel in Le Monde, zo omzichtig gaat hij te werk in Vergeving, dat twee jaar later, in 1967, verschijnt. De zin over de dodenkampen komt er niet meer in voor. Zijn zoekende vertoog vangt zelfs hooggestemd aan met ‘de plicht tot vergeven’.
Hij noemt deze plicht weliswaar een probleem, toch moeten we proberen aan deze imperatief, deze opdracht te voldoen. Maar hoe? Hoe vergeef je als er iets onvergeeflijks is gebeurd en de haat, de woede, de rancune blijven branden, vlammen, nagloeien?
Je krijgt de indruk dat Jankélévitch in de tussentijd zijn generatiegenoot Hannah Arendt (1906-1975) heeft bestudeerd, en in het bijzonder het hoofdstuk ‘Onomkeerbaarheid en de kracht tot vergeving’ in De menselijke conditie (1958). Daarin probeert zij zich een uitweg te denken uit de onomkeerbaarheid van het kwaad. Koud vijftien jaar na de oorlog, na Auschwitz, was zij kennelijk al zo ver.
Hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt, de uitgestoken hand van de vergeving is noodzakelijk om verder te kunnen en niet vol wrok en onmacht te verstenen in het verleden. De eerste stap van de vergeving is de voorwaarde om zich te bevrijden uit de spiraal van wraak en haat die ons steeds terug het verleden in trekt.
Inmiddels is Hannah Arendts bereidheid tot het vergeven van het onvergeeflijke zo’n beetje heilig verklaard. De kortste samenvatting ervan is te vinden in de door haar geijkte term ‘de banaliteit van het kwaad’, inmiddels voor velen een gevleugeld woord om de penetrante walm van de lijkenverbrandingsovens in de vernietigingskampen luchtigjes mee weg te wapperen.
Maar de banaliteit geldt niet Auschwitz zelf! Wat Arendt signaleerde, ook in haar beroemde ‘rechtbankverslag’ Eichmann in Jeruzalem, was een discrepantie tussen de dader en zijn daad. Haar ontdekking was, dat deze monsters, deze beesten, ook mensen waren. Ja, ook zij, ook nazi’s bleken mensen te zijn.
En zelfs al te menselijke mensen, om het met Nietzsche te zeggen. Onbenullig en banaal als de eerste de beste, als iedereen eigenlijk.
Vergeving, zo stelt Arendt, wordt mogelijk wanneer we de dader weten los te zien van zijn daad. Dit erkennen is noodzakelijk om uit het verleden los te komen en aan een toekomst te kunnen beginnen.
Het klinkt praktisch, en dat is het misschien ook, maar gemakkelijk is het allerminst. Het is misschien wel het moeilijkste wat er is, zegt Jankélévitch. Zo moeilijk, dat het in de praktijk wellicht onmogelijk is.
Vandaar dat hij er, in tegenstelling tot Hannah Arendt, niet een hoofdstuk voor nodig heeft, maar een heel boek.
Hij begint met de observatie dat vergeving door het slachtoffer geschonken wordt, onberedeneerd en spontaan, als in een opwelling. Want als je het zou beredeneren wordt het iets anders. Dan verandert het in verontschuldigen of vrijpleiten. En dat is het juist niet, benadrukt hij. De vergeving geldt de schuldige, niet de schuld zelf. Want die blijft bestaan. Jazeker, die onzichtbare schandvlek wast niemand meer weg.
Vergeving is daarom een gift. Iets dus waar niets voor terugverwacht kan worden. In het Frans wordt het woord ‘pardon’ deels gevormd door het woord ‘don’, dat geschenk betekent. Bij ons zit ‘geven’ in het woord ‘vergeven’.
In Jankélévitch’ boek wordt graag en veel met woorden en begrippen gegoocheld. Het is fenomenologie en deconstructivisme van de hogere Franse school, dus een portie onnavolgbaarheid krijg je er gratis bij. Zelf betitelt Jankélévitch zijn exercitie als ‘een negatieve filosofie van de vergeving’. Net als filosofen als Derrida probeert hij zijn onderwerp te definiëren door vast te stellen wat het zoal niet is.
Zo is vergeving geen juridisch begrip. Het valt buiten het recht aangezien het niet kan worden verplicht en afgedwongen. Het aangedane leed kan immers niet vereffend worden met een strafmaat. Het kan niet worden ‘goedgemaakt’, excuses zijn immers geen rechtvaardiging.
Vergeving, als het zich onverhoeds zou voordoen, is door en door irrationeel en passioneel. Het is een daad. Een daad in een opwelling. Want met erover nadenken kom je er niet. Alles begrijpen is alles vergeven, zo werkt alleen onverschilligheid. En evenmin kun je het met het slijten door de tijd bereiken, want de tijd heelt geen wonden. Dat doet alleen de onverschilligheid.
Vergeving kent sowieso geen ‘omdat’, alleen een ‘ondanks’. Jankélévitch noemt vergeving daarom iets ‘haast bovenmenselijks’. Zij moet namelijk ‘een haatinstinct overwinnen’. ‘Vergevingsarbeid [is] een hartverscheurend vergeten’. Het is iets wat steeds opnieuw gedaan moet worden.
Ondertussen probeerde ik de hele tijd door de regels heen te zien hoe hij worstelde met zijn diepgewortelde haat en zijn onverzoenlijke woede, deze briljante alumnus van de exclusieve École normale supérieure in de Rue d’Ulm in Parijs, deze begaafde pianist en musicoloog, deze eigenzinnige denker.
Als Jood was hem tijdens de Duitse bezetting het werken en a fortiori het leven onmogelijk gemaakt. Hij dook onder, vluchtte naar het ‘vrije’, pro-Duitse deel van Frankrijk en ging in het verzet.
Hij overleefde, maar te velen om hem heen hadden niet dat geluk. De oorlog werd een wond die niet meer heelde.
‘We denken er de hele dag aan; ’s nachts dromen we erover’, schreef hij in Le Monde. ‘En aangezien we niet kunnen spugen naar [Duitse] toeristen en ook geen stenen naar hen kunnen gooien, rest ons maar één enkele toevlucht: herinneren, onze gedachten bij elkaar rapen. We kunnen niets ‘doen’, we kunnen alleen voelen, onuitputtelijk. De briljante voorstanders van de wettelijke verjaringstermijn zullen ons ressentiment ongetwijfeld wegzetten als ons onvermogen om met het verleden in het reine te komen. Maar is voor hen dat verleden eigenlijk ooit een heden geweest? Het sentiment dat wij voelen is geen rancune maar afgrijzen – onoverkomelijk afgrijzen om wat er gebeurd is, afgrijzen om de fanatici die dit op hun geweten hebben, om de meelopers die dit geaccepteerd hebben en de onverschilligen die het alweer vergeten zijn.’
In zijn ethische filosofie schijnt loyaliteit een kernbegrip te zijn. Soms noemt hij het fidélité, soms loyauté, maar steevast bepaalt het zijn positie. Het moet te maken hebben met zijn oorlogservaringen. Trouw aan gedeelde principes en aan je medestanders was in het verzet van levensbelang.
In Vergeving spant hij zich tot het uiterste in om deze morele ‘partijdigheid’ te overstijgen en het fenomeen proefondervindelijk aan een beschouwing te onderwerpen. Dus niet meteen gaan spugen en stenen gooien naar Duitse toeristen, maar stukje bij beetje, steentje voor steentje je betoog van de grond af opbouwen.
Ik leerde veel, want Jankélévitch is een scherpzinnige geest, maar ik vergat al verder lezende ook weer net zo veel, dus veel hield ik er per saldo niet aan over.
Nadat mij derhalve uitputtend was gedemonstreerd wat vergeving allemaal niet was, want dat krijg je met ‘negatieve filosofie’, ontwaarde ik in het laatste hoofdstuk een glimp, of eerder een glimpje, van wat het wél zou kunnen zijn. Misschien niet hier en nu, maar dan toch zeker in de ideale wereld.
Glimp of glimpje, zei ik, maar is het niet eerder een sofistische truc waar hij ten slotte mee komt aanzetten? ‘De liefde is sterker dan het kwaad, en het kwaad is sterker dan de liefde’, zo luidt zijn redenering. ‘Ze zijn allebei sterker dan de ander!’ Ik vertaal maar even: de vergeving is sterker dan de haat, maar de haat is sterker dan de vergeving.
Ja, dus?
‘Het mysterie van de onherleidbare en onbevattelijke slechtheid is zowel sterker als zwakker, zowel zwakker als sterker dan de liefde [van de vergeving].’
Ze houden elkaar dus in een houdgreep. Net als twee vechtende jongetjes. Nu eens ligt de vergeving boven, dan weer de onverzoenlijkheid.
Uiteindelijk komt hij niet verder dan deze halfslachtige tussenpositie – enigszins teleurstellend wellicht voor de lezer die dacht aan het einde van de tunnel het licht te gaan zien. Maar nee dus, vergeving zit er niet echt in.
Wel heb ik zelden iemand zo hartstochtelijk de rancune, het ressentiment en de diepgewortelde haat horen verdedigen. Het wordt bij hem iets positiefs, iets edelmoedigs zelfs. Het betekent trouw blijven aan wat er niet meer is, maar wat er nog steeds zou moeten zijn.
De rancune houdt levend wat over de grens van de dood heen intens wordt bemind. Het lijkt daarin sprekend op rouw - die op zijn beurt liefde is.
En zo heb ik die hele Vergeving van Vladimir Jankélévitch gelezen: de geestelijke worsteling van een man die uit liefde voor alles wat hij verloren heeft, trouw moet blijven aan zijn haat, trouw aan een onherstelbaar verleden.
Genade? Priklimonade!
P.F. Thomése debuteerde in 1990 met Zuidland en won prompt de AKO Literatuurprijs. Voor zijn reisverhaal Grillroom Jeruzalem won hij de Bob den Uylprijs. Hij schreef tien romans, waarvan de recentste vorig jaar verscheen: BLACK-OUT.
Vladimir Jankélévitch: Vergeving – Een filosofische verkenning. Uit het Frans vertaald door Ellis Booi. Athenaeum Polak & Van Gennep; 240 pagina’s; € 25.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant