Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant
De meeste mensen over wie ik tegenwoordig lees zijn 100 jaar. De rest is 7, en zit tussen de knuffelberen op een slaapkamertje.
100 ben ik nooit geweest, 7 wel. Een jaar lang, staat me bij – verder weinig. Iets zinnigs heb ik er niet over te vertellen.
Zo, dit was mijn column, tot volgende week.
Nee, grapje, aan het werk. Het is nota bene 1 mei, Dag van de Arbeid. (Vandaag al niet meer, toch stroop ik de mouwen op.)
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Oké, van mijn zevende levensjaar herinner ik me twee romans die ik las. Ik leende ze allebei in een bus die op donderdagen voor de school parkeerde. De bibliobus, heette het voertuig. Waar hij vandaan kwam, en van wie hij was, heb ik me nooit afgevraagd. Interesseerde me kennelijk niet.
De eerste roman was van B.J. van Wijckmade, en heette Wipneus en Pim en de oude paraplu. Ik vond het een meesterwerk. In een weergaloze stijl beschreef Van Wijckmade de belevenissen van twee kabouters die over een paraplu beschikten waarmee je kon vliegen. Aan de steel zaten zitjes, en een tafeltje. En die twee kabouters zwaaien! Fantastisch.
Ik had in die levensfase een konijn, Elvis geheten, en als ik The King paardenbloemen voerde, blies ik er wel eens eentje kaal, en dan wenste ik een –
‘Vliegende paraplu.’ Mijn vriendin Jet, die zich ermee bemoeit.
‘Nee’, zeg ik. ‘Juist niet. Ik was toen al drie keer zo groot als een kabouter. Je zou eraan moeten gaan hangen. Of staan op die stoeltjes met dat opgeklapte scherm onder mijn reet. Gevaarlijk en niet cool. Nee, wat ik wenste was een broekzak met briefjes van vijf.’
Daarover ging het andere boek dat ik las – ik was nog niet klaar. Hoe dit werk van kinderliteratuur heette, ben ik vergeten, maar het verhaalde van een jongen die een broek had waarin altijd 5 gulden zat. Hoe leg ik dit uit. De protagonist stak zijn hand in zijn broekzak en voelde een briefje van vijf, trok het eruit en kocht er iets mee, snoep, of een bouwpakketje. Als hij dan zijn hand wederom in die zak stak, zat er een vers vijfje in. En dit ad infinitum. Dit was pas echt een meesterwerk!
Nee, zo’n paraplu is typisch iets voor domme kabouters.
Ik herinner me het inslapen op die broek. Heel levendige fantasieën over het tevoorschijn trekken van vijfjes bij Bart Smit, voor een enorme bommenwerper. Mijn vader kon zijn baan opzeggen, ik zorgde wel voor iedereen. Naar school hoefde ik niet meer per se. Ik kon er mijn beroep van maken, ’s ochtends op tijd die broek aantrekken, en dan tot de lunch vijfjes uit mijn zak trekken, een pauze van een uur, en dan tot kwart voor vijf door.
Alles komt weer boven. Ik heb destijds op mijn rekenmachine berekend hoeveel guldens je op een dag kon delven, als je er je baan van maakte. Twintig keer per minuut moest lukken, en dat keer vijf… en dat dan weer keer zestig doen… en dat keer acht.
48 duizend gulden per dag. Jet! Moet je horen!
Wat mijn vriendin Jet antwoordt, is dat we tegenwoordig euro’s hebben, dus dat het minder is.
Oké, 20 duizend per dag. Ook grandioos.
Maar wat nog teleurstellender is voor je, zegt ze, is dat guldens niks meer waard zijn. De Nederlandsche Bank hoeft ze niet eens meer. Dus dan moet je je vijfjes op Marktplaats zien kwijt te raken, denk ik.
Ik zwijg.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.