Home

Opinie: Het verzet tegen de bezuinigingen op hoger onderwijs ontbeert iedere vorm van zelfkritiek

Het hoger onderwijs is volgens diverse onderzoeken een belangrijke aanjager van maatschappelijke verschillen. Daarom mogen best kanttekeningen worden geplaatst bij de financiering ervan.

Het zijn bijzondere tijden om te werken aan een universiteit. Zo stemde de Eerste Kamer begin april in met stringente hoger onderwijsbezuinigingen, waarop minister Eppo Bruins stelde ‘Vrees niet, het ergste moet nog komen’. Want naast demografische krimp zal de nieuwe Wet Internationalisering in Balans (WiB) namelijk onherroepelijk leiden tot nieuwe maatregelen.

Inmiddels hebben universiteiten via ‘zelfregie’ in ieder geval al voorgesorteerd op die wet en aangekondigd te stoppen met een aantal internationale bacheloropleidingen. Ondertussen stelde een coalitiepartij deze week dat ze liever ‘nog een stuk verder waren gegaan, maar tevreden moeten zijn met wat ze hebben’. Zodoende, het zijn bijzondere tijden.

Natuurlijk begrijp ik het verzet tegen deze bezuinigingen op hoger onderwijs, die uiteraard niets minder zijn dan een anti-intellectuele aanval. Of zoals de Britse Brexit-minister Michael Gove stelde: ‘We have had enough of experts!’ Dus ik begrijp dat verzet. Maar ik steun het niet. Want het ontbeert iedere vorm van zelfkritiek. Zelfkritiek die juist nu noodzakelijk is.

Op de gangen van mijn universiteit hoor ik vooral veel onbegrip. Hoe is dit mogelijk? Waarom wij? Dat is ook de retoriek bij WOinActie, actievoerders bij de estafettestaking en bij hoogleraar en voormalig minister Robbert Dijkgraaf. Hij stelde in een recent interview met deze krant dat ‘onderwijs juist een van de weinige krachten is in de samenleving die er níét toe leidt dat degenen die meer hebben, nog meer krijgen. […] We zien de verschillen in de maatschappij steeds groter worden. Maar het talent waarmee je wordt geboren, heeft niets te maken met wat je ouders doen of in welk land je bent geboren. Het onderwijs en uiteindelijk ook de wetenschap heeft de taak dat talent te laten groeien.’ Met andere woorden: Onderwijs is goed voor ons allemaal. Onderwijs is een emancipatiemachine. En dus moeten we investeren in onderwijs. Vintage D66.

Maar iedere onderwijssocioloog kan aantonen dat dit meritocratische ideaal niet langer opgaat voor iedereen. Sterker nog, hoger onderwijs is juist een belangrijke aanjager van maatschappelijke verschillen. Zowel nationale als internationale studies laten namelijk zien dat hoger onderwijs vooral degenen met ouders met geld, diploma of de juiste contacten dient. Zie ook de NPO documentaire Klassen of rapporten van de Onderwijsinspectie.

We weten dus inmiddels dat er zand in die onderwijsmotor zit en dat hoger onderwijs veranderd is van oplossing van het probleem, in een onderdeel ervan. En toch geloven velen, net zoals Dijkgraaf, nog steeds in dit meritocratische ideaal.

Echter, Dijkgraaf vervolgt in datzelfde interview: ‘maar dat gaat in de praktijk niet altijd goed. De Amerikaanse topuniversiteiten zijn daarvan een extreem voorbeeld. Je komt op zo’n instelling alleen na een jarenlang voortraject, en het helpt enorm als je ouders er hebben gestudeerd of als ze je veel geld kunnen meegeven. Op die manier is het hoger onderwijs in de Verenigde Staten een machine geworden die de elite versterkt. Dat ondergraaft het draagvlak en daarvan krijgen ze nu de rekening gepresenteerd’.

Dus zelfs Dijkgraaf moet bekennen dat de praktijk er anders uitziet. Dat onderwijs niet langer zijn idealen waarmaakt. Hij refereert daarbij aan de Amerikaanse situatie, want ‘daarvan krijgen ze nu de rekening gepresenteerd’. Maar ik zou zeggen: daarvan krijgen nu wij de rekening gepresenteerd. In de vorm van miljardenbezuinigingen en nieuwe wet- en regelgeving.

Welnu, als het in die praktijk niet altijd goed gaat, wat gaat er dan exact mis? En als er nu een rekening wordt gepresenteerd, waarom krijgen wij die nu? Laat ik drie punten noemen.

Allereerst zijn wij in het hoger onderwijs gefixeerd geraakt op groei, net zoals in de landbouw. Vanaf 1950 is het namelijk jarenlang de Haagse inzet geweest om de landbouw ‘op te schalen’ en te intensiveren om de productiviteit te stimuleren. Door grootschalige ruilverkaveling, minimumprijspolitiek en invoerheffingen transformeerde de boerderij naar een agrarische fabriek en de landbouw tot geïndustrialiseerde agricultuur.

Ook in het hoger onderwijs is vanuit Den Haag jarenlang de inzet geweest om ‘op te schalen’ en te internationaliseren. Aangezien de bekostiging van hoger onderwijsinstellingen is gebaseerd op outputfinanciering – bekostiging per uitgereikt diploma – werd het lucratief om vooral méér studenten te werven. Omdat de vijver in Nederland beperkt is, zijn universiteiten en hogescholen elders gaan vissen en als marktpartij gaan opereren op een ‘internationale studentenmarkt’. Want meer studenten betekende meer groei, en dus meer inkomsten.

Als gevolg daarvan hebben hoger onderwijsinstellingen flink geïnvesteerd in internationaal onderwijs en afdelingen international affairs. Er kwamen speciale ‘groeifondsen’ om te digitaliseren en internationaliseren. Het aantal internationale bachelorstudenten groeide sinds 2011 met 144 procent en het aantal internationale masterstudenten nam zelfs toe met 179 procent. Daarmee speelde het hoger onderwijs Den Haag behoorlijk in de kaart, want terwijl het aantal studenten sinds 2000 met 68 procent groeide, daalde de rijksbijdrage per student met 25 procent. Met andere woorden, die ‘internationale studentenmarkt’ was niet alleen een verdienmodel voor onderwijsinstellingen, het kwam ook Den Haag goed uit; er kwam meer voor minder.

Dit is vergelijkbaar met het landbouwbeleid. Ook wij zijn – net als de boeren – jarenlang opgestuwd met de holle retoriek van opschalen, innovatie en groei. Ook wij hebben jarenlang geïnvesteerd in ons werk, onderwijsmateriaal en docenten om dat groeibeleid mogelijk te maken. En ook wij hebben als sector geprofiteerd en hebben de externe effecten afgewenteld op de samenleving. Want wat voor boeren bekend is als stikstof, heet bij ons een woningtekort.

Ten tweede is het hoger onderwijs, juist door die doorgeschoten internationalisering, haar publieke taak uit het oog verloren. Sinds hbo’s zichzelf zijn gaan zien als Universities of Applied Sciences, zijn ze meer gericht op internationalisering en onderzoek. En ook universiteiten zijn doorgeschoten. Zo werd aan mijn eigen Rotterdamse universiteit geïnvesteerd in nieuwe internationale bachelors, digitale masters en honours programma’s en werd een University College en een European University opgericht. Ondertussen werd ons avondprogramma voor professionals opgedoekt en werd het ‘hoger onderwijs voor ouderen’ wegbezuinigd.

Het is een beweging naar een verdere internationalisering en exclusiviteit van het hoger onderwijs. Mede als gevolg daarvan zijn Nederlandse academici in steeds mindere mate in staat zich te verhouden tot Nederlandse vraagstukken. Niet toevallig is juist binnen de maatschappijwetenschappen meermaals een alarmbel afgegaan.

Zo concludeerde de Nederlandse Sociologische Vereniging dat ‘de sociologie steeds meer van de Nederlandse samenleving lijkt te vervreemden’. De Nederlandse politicologie riep op tot ‘minder bescheidenheid in het publieke domein’. Enkele bestuurskundigen concludeerden recentelijk dat de bestuurskunde te vaak ‘te laat of zelfs afwezig is als maatschappelijke issues spelen’. En als zelfs de maatschappijwetenschappen hun maatschappelijke meerwaarde betwijfelen, dan is dat een veeg teken. Zodoende zijn we onze publieke taak op verschillende manieren uit het oog verloren.

Ten derde zijn wij hofleverancier van de diplomademocratie en -samenleving, waar degenen met de hoogste diploma’s het hoogste woord hebben. Uit onderzoek blijkt dat mensen met een hoger onderwijsdiploma meer verdienen, gelukkiger zijn, gezonder en langer leven. Daarnaast was in 2021 bijna 65 procent van de kiezers praktisch opgeleid, tegenover 7 procent onder Kamerleden. Sterker nog, ruim 75 procent van de Kamerleden heeft een universitaire achtergrond, tegenover 14 procent van de kiezers. Niet zo wonderlijk dat politieke belangen van theoretisch opgeleiden beter worden vertegenwoordigd dan van praktisch opgeleiden.

Dit vormt die diplomademocratie. Maar zoals hoogleraar Mark Bovens stelt: ‘wat goed is voor universiteiten en voor academici is niet per definitie ook goed voor de rest van Nederland’. Want universiteiten zijn een belangrijke spil geworden in het vergroten van sociale scheidslijnen tussen degenen met en zonder diploma. Dat is tot daaraan toe, maar we hebben vooralsnog geen adequaat antwoord op de meritocratische ravage die we daarmee hebben aangericht.

Met die doorgeschoten internationalisering, maatschappelijke vervreemding en diplomademocratie, lijkt het me eerlijk gezegd niet zo gek dat een politiek signaal niet lang uitblijft in een goed functionerende democratie. Sterker nog, wij hebben het zover laten komen dat de wetgever nu meent in te moeten grijpen. Zo hangt een betere wetshandhaving op het gebied van de Nederlandse taal al minstens drie kabinetten boven ons hoofd. Het is dus allesbehalve een incidentele vorm van politiek ressentiment.

Zodoende meen ik dat we met de huidige situatie een niet onlogische rekening krijgen gepresenteerd. Daarom doen we er goed aan om voorbij de simpele reactionaire respons te komen van ‘geef ons geld, want wat wij doen is inherent goed’. Want het is inmiddels aantoonbaar duidelijk dat wat wij doen niet voor iedereen inherent goed is. Daarom is er dus alle aanleiding voor zelfkritiek.

Vorige week stelde Robbert Dijkgraaf ineens in een Amsterdams debat: ‘ik voel dat we nu op een sleutelmoment zitten. De wetenschap met die prachtige traditie van altijd kritisch kijken naar alles en iedereen, moet nu kritisch in de spiegel kijken naar zichzelf’.

Het zijn bijzondere tijden. Dus laten we deze nieuwe realiteit op waarde schatten. En de tijd nemen voor serieuze reflectie en zelfkritiek. Laten we als academici het momentum aangrijpen om binnen en buiten de universiteit maatschappelijk te herbronnen. En laten we vooral nadenken welke publieke universiteit we in de toekomst willen en kunnen zijn. Daar lijkt me een wereld te winnen. Niet zozeer ondanks, maar juist dankzij deze maatregelen.

Over de auteur

Mark van Ostaijen is is bestuurssocioloog aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en columnist voor de Volkskrant. Dit essay is een bewerking van een lezing uitgesproken tijdens het In Duplo Congres op maandag 14 april in Arminius te Rotterdam.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Alinea

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next