Van series tot muziek tot taal tot kleding: alles uit Amerika is decennialang hartstochtelijk omarmd. Maar sinds de tweede termijn van Donald Trump is dat veranderd. Wordt het niet eens tijd om een ander rolmodelland te kiezen? Frankrijk, bijvoorbeeld!
is cultuurredacteur bij de Volkskrant.
Het is nog best lastig een goed woord te vinden voor wat we hier in Nederland vrij lang met de Amerikaanse cultuur hebben gedaan, maar wellicht komt ‘dwepen’ toch het dichtst in de buurt. De 60-plussers zijn het ergst, vooral de mannen, eerlijk gezegd. Kijk die oogjes vochtig worden zodra Bruce Springsteen zijn larmoyante The River weer eens inzet of het snerpende stemgeluid van Bob Dylan door de boxen schalt.
Zie ze opveren wanneer ze tijdens het scrollen door Netflix Apocalypse Now tegenkomen, of The Deer Hunter. Wat staat er in hun boekenkast? On the Road van Jack Kerouac. Moby Dick van Herman Melville. Alles van Cormac McCarthy en Philip Roth.
Of zijn de twintigers en dertigers (plus de veertigers en vijftigers die zo aandoenlijk hun best doen erbij te blijven horen) toch nog wat erger? Wat die de afgelopen jaren allemaal niet aan Amerikaanse toestanden hebben geïmporteerd! Om te beginnen natuurlijk de taal, al dan niet foutief vernederlandst. Cringe, ghosten, cancellen, awkward, anxiety, consent. Period. ‘Als in’. Iets ‘adresseren’. ‘Haten op’. ‘De Trump-administratie’.
Maar ook de rest van de cultuur. Halloween. Black Friday. Genderreveal-feestjes. Cupcakes. Woke, #MeToo. Belachelijk veel aandacht voor de Oscars. Nog meer aandacht voor series. Als twintigers tot en met vijftigers de wereld proberen te duiden, halen ze er The White Lotus bij. Ze denken serieus (‘oprecht’) dat die series ‘het debat’ bepalen, en omdat zij dat denken, gebeurt dat ook – in hun bubbeltje dan. Ja, de twintigers etcetera zijn veel erger.
Waren, moet je zeggen. Want er is een kink in de kabel gekomen. Hij heet Donald Trump, werd in januari voor de tweede keer president van de Verenigde Staten en is op 30 april honderd dagen in functie. Bij veel Nederlanders die alles wat uit de VS komt zo hartstochtelijk omarmden, is Donald Trump niet heel populair. En daarmee is er ook een omslag in het denken over de Amerikaanse cultuur.
Onder de kop ‘Het is uit met Amerika’ stelde filosoof Stine Jensen in NRC dat we ‘hoe dan ook moeten nadenken over de vraag of we ons ook cultureel onafhankelijker kunnen maken van Amerika’. Bijvoorbeeld door de Europese cultuur te omarmen.
Hoogleraar Joodse studies Bart Wallet deelde op sociale media het filmpje waarin de Oekraïense president Volodymyr Zelensky wordt afgeblaft door Trump en diens adjudant JD Vance. ‘Dit is wat de oude Grieken noemden de confrontatie tussen beschaving en de βάρβαροι (barbaren)’, schreef hij. ‘Hét moment voor Europa om eenduidig afstand te nemen van de Trump-administration.’
Maar hoezo waren we überhaupt zo gefascineerd door alles wat er uit de VS komt? Zo leuk zijn die Amerikanen niet. Met hun lompe kleren, vette voedsel, dito lijven, dat gezwaai met wapens, gedweep met geloof, hun ziekelijke neiging om voor alles een apparaat te gebruiken, die verslaving aan pillen en poeders, dat schijnheilige puritanisme. Moet dát land je rolmodel zijn? Really?
Je kunt over Trump zeggen wat je wilt, maar als zijn aanwezigheid in het Witte Huis ertoe leidt dat er eindelijk een einde komt aan het Amerikagedweep, mogen we hem dankbaar zijn. Alleen: als je het succesvol met iemand wilt uitmaken, zul je eerst moeten begrijpen waarom het ooit áán was. Hoe wordt een land een rolmodel?
Komende zomer is het tien jaar geleden dat in New York de musical Hamilton van Lin-Manuel Miranda in première ging, waarin acteurs en zangers van kleur met rap, hiphop en r&b de Amerikaanse ontstaansgeschiedenis vertellen. Barack en Michelle Obama zaten nog in het Witte Huis, ze waren fan en ontvingen de cast. Hamilton is ‘de opwindendste geschiedenisles aller tijden’, schreef de Volkskrant. Donald Trump twitterde dat de musical ‘zwaar werd overschat’.
Met de kennis van nu kun je Hamilton, die uitbundige en diverse ode aan al die waarden die de Verenigde Staten van Amerika eind 18de eeuw tot rolmodel bombardeerden, een zwanenzang noemen. Onlangs heeft de producent de shows geannuleerd die voor 2026 stonden gepland in het door Trump overgenomen Kennedy Center, ter viering van 250 jaar Onafhankelijkheidsverklaring.
Hamilton gaat over de founding fathers van de VS (onder wie George Washington, Benjamin Franklin, John Adams, Thomas Jefferson en uiteraard Alexander Hamilton) en hun discussies over vrijheid en gelijkheid, de ideale grondwet en het wezen van de democratie. Hun inspiratiebronnen waren Europese verlichtingsdenkers, onder wie de Franse Charles Montesquieu.
Van hem namen ze het belangrijke idee van de trias politica over, beschreven in De l’Esprit des Lois (1748), waarin Montesquieu uitlegt dat de zeggenschap over een land moet zijn verdeeld tussen een wetgevende, een uitvoerende en een rechtsprekende macht. Dat zou voorkomen dat megalomane types te veel macht verwierven, dacht hij.
De basis onder de Amerikaanse Grondwet, die begint met de fameuze woorden ‘We the People’, is dus Frans. De belangrijkste militaire strateeg tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783), waarbij de dertien koloniën aan de oostkust zich losweekten van het Britse Koninkrijk, was ook Frans, namelijk markies de La Fayette (daarna pakte hij in eigen land door met de Franse Revolutie). Het eerste land dat de onafhankelijkheid van de VS erkende, was Frankrijk, met dank aan founding father Benjamin Franklin. In 1776 reisde hij naar Parijs om politieke steun voor zijn nieuwe land te verwerven en werd er in no time razend populair: zijn beeltenis belandde op snuifdozen, hoeden en handschoenen.
Ook degene die al in het begin van de 19de eeuw wees op de kwetsbaarheid van de Amerikaanse democratie en waarschuwde voor een mogelijke ‘tirannie van de meerderheid’, was een Fransman: Alexis de Tocqueville. De VS kregen Lady Liberty, het Vrijheidsbeeld dat elke bezoeker zo hartelijk verwelkomt, in 1884 cadeau van Frankrijk. Het is ontworpen door Frédéric Bartholdi (Fransman) en wordt bij elkaar gehouden door een vernuftig gietijzeren skelet van Gustave Eiffel (idem).
De VS en Frankrijk, vanaf het begin met elkaar verstrengeld, hebben om beurten de functie van rolmodel voor het vrije westen vervuld, al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat het in het geval van Frankrijk vooral Parijs betreft.
Rolmodellen worden gecreëerd door ons vermogen te dromen, te hunkeren, te streven naar iets hogers en beters. Ze vertegenwoordigen een ideaal waar je bij wilt horen of dat je wilt zijn: machtig, knap, slim, begaafd, rijk. Rolmodellen prikkelen de verbeelding, die er vervolgens mee aan de haal gaat en ze groter maakt. Zonder verbeelding zijn rolmodellen nergens.
In 1867 verscheen ter gelegenheid van de tweede Wereldtentoonstelling in Parijs de Paris Guide – par les principaux écrivains et artistes de la France. De inleiding is geschreven door Victor Hugo. Op de eerste pagina’s vertelt hij hoe de natie van de 20ste eeuw eruitziet.
Het is geen natie maar een beschaving, schrijft hij, of liever gezegd een familie, waarvan alle leden elkaar verstaan, waar geen douanes zijn, geen vooroordelen, waar niemand hoeft te vechten en iedereen vrij is. ‘Deze natie zal als hoofdstad Parijs hebben en geen Frankrijk heten, maar Europa. Ze zal in de 20ste eeuw Europa heten, en in de eeuwen daarna zal ze de Mensheid heten.’
Het is niet zo gek dat Victor Hugo in 1867 het idee had dat Parijs het glorieuze centrum van de hele mensheid zou worden. Frans was de taal van de Europese elite en Parijs wérd al als hoofdstad van de wereld beschouwd, een wereld die, naar men aannam, een schitterende toekomst voor zich had: de wetenschap zou armoede en ziekte uitroeien, de kunst ging alles mooi maken.
In de tentoonstelling Nieuw Parijs: van Monet tot Morisot, nog tot 9 juni te zien in het Kunstmuseum in Den Haag, zijn tal van kunstwerken uit het Parijs van toen samengebracht. Samen brengen ze niet zozeer het échte Parijs tot leven als wel de mythe, het droombeeld, het ideaal: het rolmodel. Het rijke Parijs van keizer Napoleon III, neef van Napoleon Bonaparte, die zijn stadsarchitect baron Haussmann opdracht gaf de middeleeuwse huisjes en krotten in de donkere straatjes te vervangen door schone, lichte appartementsgebouwen, neergezet op nieuwe, brede boulevards, met grote parken waar iedereen naar hartelust kon flaneren – nou ja, niet iedereen: de revolutiebeluste armen werden verdreven naar de randen van de stad.
De wereld ging open. Er waren treinen. Er waren theaters. Er waren warenhuizen en reclamezuilen. Er waren kranten en tijdschriften. En er was dus die Wereldtentoonstelling, waaraan 41 landen deelnamen en waar tien miljoen bezoekers de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van industrie, techniek en wetenschap konden bewonderen. Vanuit de hele wereld trokken aan het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw kunstenaars naar Parijs, ook Nederlandse schilders als Ary Scheffer, Piet Mondriaan, Kees van Dongen en natuurlijk Vincent van Gogh.
Keek Europa destijds dan helemaal niet naar de VS? Heus wel. In de laatste decennia van de 19de eeuw beleefde Amerika zijn Gilded Age, een periode van snelle economische groei die emigranten uit heel Europa trok. De Amerikaanse nieuwe rijken vulden hun protserige huizen met kunst die ze uit het oude Europa haalden. De export van de Amerikaanse (massa)cultuur bestond onder meer uit het rariteitencircus van P.T. Barnum (The Greatest Show on Earth) en de Wild West Shows van Buffalo Bill – de Amerikanen hadden al vroeg door dat je met dom amusement veel geld kon verdienen.
Uiteraard waren ook andere Europese steden dan Parijs cultureel toonaangevend, zeker tijdens het interbellum. Londen werd de grootste stad ter wereld. In het Berlijn van de Weimarrepubliek bloeide een vrijgevochten subcultuur. En volgens de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig kende Wenen van alle steden de ‘hartstochtelijkste drang tot het culturele’, schrijft hij in De wereld van gisteren (1942): ‘Onbewust werd elke burger van deze stad tot het bovennationale, het kosmopolitische, het wereldburgerschap opgevoed.’
Maar Parijs bleef in cultureel opzicht the place to be, ook na WO I. Amerikaanse schrijvers als Ernest Hemingway, T.S. Eliot en F. Scott Fitzgerald trokken er in de roaring twenties (les années folles) naartoe om te werken, net als de eerste Amerikaanse (jazz)musici van kleur, die in Parijs beduidend minder last hadden van discriminatie en racisme dan in de VS.
Parijs was ‘de stad die van alle steden het meest te bieden heeft voor een schrijver om te schrijven’, schreef Hemingway in Parijs is een feest. Het leven was er relatief goedkoop en in de winter konden de armlastige jonge kunstenaars zich opwarmen bij de grote haard op de rue de Fleurus 27, waar schrijver Gertrude Stein ze een pruimenlikeurtje inschonk en tot Lost Generation doopte.
Scott Fitzgerald voltooide zijn ‘Great American Novel’ The Great Gatsby een eeuw geleden niet in de VS, maar aan de Franse Rivièra. De kledingstijl van de flapper girls die hij daarin opvoert, was bedacht door Coco Chanel – Française.
Na WO II keerde het tij. In 1945 hing Europa in de touwen, de steden waren kapotgeschoten, zonder de Amerikaanse bevrijders zou de toekomst van het continent er somber hebben uitgezien. De plek waar de Amerikanen aan land kwamen, was Frankrijk. Bij de herdenkingen van D-Day staat de Franse president van dienst er nog altijd een beetje beteuterd bij, alsof hij het eerlijker had gevonden als de rollen waren omgedraaid.
Evengoed was er in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog in heel Europa ‘maar één plek over waar sprake kon zijn van Europees intellectueel leven’, schreef de Britse historicus Tony Judt in 2006 in Postwar – A history of Europe since 1945: Parijs. De Franse intellectuelen verwierven, aldus Judt, een ‘speciale, internationale status’ als de woordvoerder van hun tijd: ‘Parijs was opnieuw – en nu voor het laatst – de hoofdstad van Europa.’
In het geweldige De mandarijnen uit 1954 brengt Simone de Beauvoir dat intellectuele Parijs, waarvan zij en haar levensgezel Jean-Paul Sartre het middelpunt vormden, tot leven. De intellectuelen van de Rive Gauche discussiëren onvermoeibaar over de impasse waarin hun beschaving is terechtgekomen en over de nieuwe wereldorde die zich aftekent: ‘Wat zal de boodschap van de Franse schrijvers nog voor belang hebben op de dag dat de wereldheerschappij in handen komt van de Sovjet-Unie of de Verenigde Staten? Niemand zal ze dan meer begrijpen; zelfs hun taal zal niet meer gesproken worden.’
Het hoofdpersonage Anne (die veel op De Beauvoir lijkt) wordt kort na de bevrijding verliefd op een Amerikaanse schrijver (net als De Beauvoir, die De Mandarijnen aan deze Nelson Algren opdroeg) en vliegt de oceaan over. Als ze door de straten van Chicago loopt, denkt ze aan Parijs met zijn ‘trieste etalages en slecht verzorgde vrouwen’ en koopt ze van alles, ‘uit alle macht en voor iedereen’.
In de VS puilen de ijskasten uit van de kant-en-klaarmaaltijden en Coca-Cola en staan de voorraadkasten ‘stampvol conserven, toverpoeders, wonderrijst die je alleen nog maar in kokend water hoefde te doen’. New York is ‘de reusachtige droom van een verwend kind’, maar ook ‘te schoon, te volmaakt’. Anne wil er voor geen goud wonen.
In de decennia erna bleef de Franse houding ten opzichte van Amerika achterdochtig. Tegenover de gelikte films uit Hollywood stelde Frankrijk zijn befaamde cinéma français. Waar de VS de vrije markt propageerden, koesterde Frankrijk de publieke sector. Doorwerken tot je dood? Welnee, zo vroeg mogelijk met pensioen. Savoir vivre! Zelfs de Franse populisten moeten weinig van Trump hebben.
Terwijl de Amerikaanse kookboekenschrijfster Julia Child de Amerikanen in haar succesvolle televisieprogramma’s liet kennismaken de superieure Franse keuken, verloor Frankrijk voor Nederland vanaf de jaren vijftig langzaam haar rolmodellenfunctie. Nog een tijdje trokken Nederlandse kunstenaars naar Parijs (Campert, Corneille, Cremer) en vooral journalist Jan Brusse deed zijn uiterste best de liefde voor de stad levend te houden (‘Ik zou u over die Champs-Elysées urenlang kunnen bezighouden. De elegantste Parisiennes komen hier haar laatste toiletjes tonen. Zie hoe mooi ze lopen!’) maar de glans was eraf.
De VS waren spannender, het land van de bevrijders en van de Marshallhulp, van Barbie, John F. Kennedy, Woodstock en de spijkerbroek, van de iPhone, Facebook en Obama. Lang bleef Amerika symbool van de vooruitgang, van iets hogers en beters, net zoals Parijs dat was geweest rond de Wereldtentoonstelling van 1867.
Tot nu dus. Een belangrijke reden voor de al veel te lang voortslepende Amerikadweperij is natuurlijk de taal. Niemand spreekt nog Duits of Frans, maar het Engels is iedereen wel zo’n beetje machtig; in Nederland worden elk jaar weer meer Engelstalige boeken verkocht en podcasts beluisterd.
Maar wonderlijk blijft het. De Amerikanen zijn heus niet van de ene dag op de andere βάρβαροι geworden. De vervlakking van de Europese cultuur, mede ten gevolge van de amerikanisering, is al lang aan de gang. In 2006 wijdde de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco er een fijn boek aan: De barbaren.
Als we per se een rolmodel willen, laat dan Frankrijk weer aan de beurt zijn. Het is mooi, bereikbaar met de trein en het eten is geweldig. Franse vrouwen gooien zich niet vol met botox maar gaan naar een goede kapper. In Frankrijk hebben ze niet alleen atoomwapens maar ook boterige croissants. Je mag er nog vloeken, roken en drinken (de gemiddelde levensverwachting van de Fransen is veel hoger dan die van de Amerikanen). Hier vast een paar woordjes om in de stemming te komen: merde/putain/con (verdomme/kut), c’est ouf! (leuk!), c’est nul (niks aan), à toute (tot zo).
Waar wacht je nog op? Allez-y!
Klaar? Vergeet de doorleessuggesties niet!
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant