Home

Een sokje, een luizenkam, een aspergemes: je raakt helemaal betoverd door de aanwezigheid van zo veel oude spullen

Op de tentoonstelling Boven het maaiveld zijn vijfhonderd archeologische vondsten uit uiteenlopende tijden bij elkaar gebracht. Dat klinkt overweldigend, en dat is het ook – maar op de allerbeste manier.

schrijft voor de Volkskrant over beeldende kunst en erfgoed.

Het woord ‘oudste’ geeft zelfs de allernederigste items een magische betekenis. De oudste telescoop van Nederland, een pijpje ter grootte van een wijsvinger, 400 jaar oud. Het oudst bekende kindersokje dat in Europa werd gevonden, uit 1550. Het oudste aspergemesje, uit de Romeinse tijd. Zelfs de oudste luizen ooit gevonden, op een kam die dateert uit 0-400 na Chr., liggen prachtig uitgestald en stemmig uitgelicht op de tentoonstelling Boven het maaiveld, 25 jaar archeologische vondsten. Het gaat om vondsten gedaan in de afgelopen 25 jaar in Nederland en de overzeese gebiedsdelen.

500 voorwerpen uit de meest uiteenlopende vindplaatsen en tijdperken – van 700.000 voor Christus tot de opgravingen uit de vuilstort bij Westerbork, later een woonoord voor Molukkers, maken deze tentoonstelling tot de breedste, meest complexe en veelomvattendste die het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden ooit heeft gemaakt.

Die breedte geeft ruimte voor overdenking. Want ja, waarom zijn we zo gefascineerd door die oude rommeltjes? Nederland kent duizenden amateurspeurneuzen die er wekelijks op uit trekken met hun metaaldetector, in de hoop op oude spullen. Sporen van menselijk leven hebben nou eenmaal een enorme aantrekkingskracht. Lang voor wij er waren, liepen er al personen rond over onze delen van de wereld. Ze aten, maakten kleren, versierden zichzelf en elkaar, zongen liedjes en rouwden om hun geliefden. Hun leven was anders dan het onze en toch leek het erop. Hoe uiteenlopend de voorwerpen in het Leidse museum ook zijn, we voelen verwantschap met degenen die ze ooit gebruikten.

Marcus, Beitske, Gera en de oogkas van Krijn

Vermoedelijk geven we hun daarom ook zo graag namen: Krijn de Neanderthaler (90.000-40.000 v.Chr), Gera de Germaanse uit Voorburg (100-300 na Chr.), Beitske de Terpdame van Hogebeintum (600-700 na Chr.), Marcus het jongetje uit Eindhoven (rond 1300 na Chr.). Al deze individuen zijn gereconstrueerd aan de hand van hun skelet en met behulp van de ongelooflijk verfijnde onderzoekstechnologie die archeologen vandaag ten dienste staat. Man of vrouw, huidkleur, leeftijd, dieet, al die dingen kunnen worden herleid aan de hand van DNA-onderzoek. Voor Krijn was een enkel stukje bot boven zijn oogkas genoeg om te bepalen dat hij een jonge man was die een goedaardige hersentumor had, een donkere huid en een vrij stevige lichaamsbouw.

Op de tentoonstelling staan Krijn, Marcus, Beitske en Gera samen in een vitrine, en dan zie je ook iets geks: hoewel hun leeftijden variëren van 90.000 voor tot 1300 na Christus, lijken ze een beetje familie van elkaar. Dezelfde gezichtstypen, smalle lippen, vlasblond haar. Alleen Krijn is niet blond. Hij kijkt ook vrolijker dan de anderen. Een goedmoedige Neanderthaler uit de tijd toen de Noordzee nog een soort savannelandschap was, Doggerland genaamd. Je kunt erover mijmeren hoe hij en zijn soortgenoten zich daar in leven hielden, jagend op bizons waarvan de botten in de bodem van de Noordzee bewaard zijn gebleven. Maar deze individuen blijven reconstructies, gemaakt door een atelier. Daarmee zijn zij fictie, hoe zorgvuldig hun samenstelling ook is. Wellicht zouden ze er anders uitzien wanneer ze uit andere werkplaatsen afkomstig waren. Of wanneer ze over twintig jaar nog eens worden gereconstrueerd, als de wetenschap weer wat verder is dan nu.

Rood kindersokje uit Groningen, 1550

Het verschil tussen fictie en echte sporen raakt een kern van dat waarin de archeologie zich van kunst onderscheidt, en die kern dringt onmiddellijk tot je door wanneer je naar de objecten op deze tentoonstelling tuurt. Een voetafdruk, een kindersok: de allergeringste aanwijzingen van oud leven krijgen een enorme presentie, louter door hun authenticiteit. Ook deze twee items komen uit verschillende tijdperken – de voetafdruk van 10.000 voor Christus, het sokje uit 1550 na – maar voor hun impact maakt dat niet eens zoveel uit. Het is hun onweerlegbare feitelijkheid die je zo raakt.

Daarbij zijn ze zeldzaam. Textiel behoort tot de zeldzaamste archeologische resten, omdat het een zacht materiaal is dat snel vergaat. Onze kennis van kleding uit de 16de en 17de eeuw is grotendeels afkomstig uit schilderijen. Daarvan hebben we er veel, vol mannen, vrouwen en kinderen, vaak goed in de kleren gestoken. Des te scherper voelbaar is het cruciale verschil met zo’n écht kledingstuk. Wie was het kind aan wie dat rode sokje toebehoorde?

Urn met gekookte melk en menselijke resten

De wetenschappelijke revolutie die zich de afgelopen 25 jaar heeft voltrokken in de archeologie heeft een eigenaardig bijproduct opgeleverd: meer raadsels. Zo staat er in een vitrine een prachtige pot, een zogenoemde kegelhalsurn met versiering uit 900-750 v. Chr. Deze urn werd in 2022 gevonden in Tilburg. In die pot werden met behulp van een zogeheten massaspectrometer sporen gevonden van gekookte melk en wat gierst, naast de veraste resten van een gecremeerde vrouw. Dat het hier ging om een vrouw kon worden vastgesteld door bepaalde eigenschappen van de skeletfragmenten, waaronder scheurtjes in het bekken; kinderen baren leidt tot deze specifieke vorm van slijtage.

Maar hoe zat het met die combinatie van melk en as? Was de pot een favoriet stuk huisraad van deze vrouw, door haarzelf eerder gebruikt om pap in te koken, die na haar dood de functie kreeg van drager van haar eigen as? Een beetje vreemd, maar het kan. Of was het anders, en vormde de melk een grafgift? Dat weten we niet. En ook dat niet-weten is een onderdeel van de echtheid van zo’n object. Dit is niet verzonnen, maar afkomstig uit een oude werkelijkheid die door ons maar ten dele kan worden doorgrond.

Drie altaren uit Romeins tempelcomplex

Wat we zeker weten is dat er veel werd geofferd in de oudheid, aan gestorvenen en aan goden. Hoe alomtegenwoordig het rituele gebruik van giften was, blijkt bij een van de grootste archeologische vondsten uit de afgelopen paar jaar: het Romeinse tempelcomplex Herwen Hemeling, nabij het Gelderse plaatsje Herwen. Het oppervlak bestaat uit een gemetselde vloer met altaren, opgedragen aan Romeinse en Egyptische goden zoals Mercurius en Jupiter Serapis, en aan de godheid Hercules Magusanus. Hij behoort tot de goden van de Bataafse soldaten die in dienst van de Romeinen werkten. Magusanus is een typische hybride godheid, half Romeins en half lokaal.

Wat de vindplaats Herwen Hemeling extra diepte geeft, zijn de ruim zeventigduizend vondsten van offers en feestmaaltijden. In het boek dat bij de tentoonstelling is uitgegeven, worden die offers geïnterpreteerd als een soort zakelijke transactie. Je bad om de goede afloop van een veldtocht en stelde een offer in het vooruitzicht. Als je het er dan heelhuids vanaf had gebracht, betaalde je de godheid met het beloofde geschenk, soms een steen met een dankbare inscriptie.

Duitse bommenwerper en spullen uit Westerbork

Dwalend door de tentoonstelling Boven het maaiveld kun je niet anders dan betoverd raken door de aanwezigheid van al die oude voorwerpen. Een Romeins olielampje in de vorm van een voet, een duizend jaar oude snuifinhalator van lamantijnbot uit Saba, een middeleeuwse liefdesring. Sommige zijn echt bedoeld om mooi te zijn, gepolijst, ingelegd, bewerkt met mesjes en beiteltjes, en dat brengt ontroering met zich mee: het besef dat mensen, tienduizenden jaren geleden al, behoefte hadden aan schoonheid, en daar tijd en energie in staken.

Opvallend genoeg ontstaat er af en toe ook een associatie met hedendaagse kunst. Het skelet van een schaapshond die in 120 na Chr. was begraven onder een collectie weefgewichten werkt op de verbeelding, maar ook het overblijfsel van een straalmotor en propeller van een neergeschoten Duitse bommenwerper uit 1944. Zulke objecten doen denken aan het werk van Joseph Beuys, Anselm Kiefer en Berlinde De Bruyckere, die hier dan ook allemaal flink uit hebben geput voor hun kunst.

Sommige voorwerpen zijn ronduit sinister. Dat geldt heel sterk voor de vitrine met overblijfselen uit de afvalput van Westerbork. Maar ook die – een parfumflesje, een kroontjespen, een stuk prikkeldraad en een leren kinderschoentje – hebben een eigen aura, alsof ze een beetje licht geven door de kennis over hun tragische afkomst.

Vijfhonderd voorwerpen uit ver uiteenlopende tijdperken en culturen. Te veel, zou je denken, voor een samenhangend verhaal. Die veelheid is ook sterk voelbaar op de tentoonstelling in Leiden. Het is onmogelijk om alles in je op te nemen, je moet kiezen.

Toch lijken al die spullen en spulletjes een boodschap uit te dragen. Dat de geschiedenis, de echte, authentieke, eigenlijk weinig gemeen heeft met een stroom van daden en consequenties, zoals schoolboeken leren. De echte geschiedenis is een rommelig en rijk vertakt geheel van menselijke pogingen om het leven (en de dood) vorm te geven. Dat is wat de spullen vertellen, de grappige, de raadselachtige, de griezelige en de beeldschone.

Boven het maaiveld

Archeologie

★★★★★

Rijksmuseum van Oudheden, Leiden, t/m 7/9

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next