Internationaal recht Maandag begint het Internationaal Gerechtshof in Den Haag met hoorzittingen over de manier waarop Israël de Verenigde Naties behandelt. Daarmee lopen er nu drie internationale zaken tegen Israël tegelijk.
Foto ANP / Hollandse Hoogte
Weer een zaak voor een internationale rechtbank over Israël? Jazeker: het Internationaal Gerechtshof (ICJ) in Den Haag begint maandag aan een week van hoorzittingen over mogelijke schendingen van Israël aan het adres van de Verenigde Naties.
Negen vragen over de hoorzittingen.
Voor de derde keer zal het ICJ een zogeheten advisory opinion (meestal vertaald als ‘advies’) over Israël uitvaardigen. De eerste keer was in 2004, toen het hof de Afscheidingsmuur op de Westelijke Jordaanoever als illegaal beoordeelde. En de vorige keer was vorig jaar, toen de Israëlische bezetting van Palestijns gebied illegaal werd verklaard.
Deze keer gaat het om Israëls verplichtingen als VN-lidstaat. De zaak is, op instigatie van Noorwegen, aanhangig gemaakt door de Algemene Vergadering van de VN. Het ICJ zal van maandag tot vrijdag de juridische opvattingen aanhoren van veertig landen en vier internationale organisaties. Het daadwerkelijke advies volgt later.
Israël is scherp tegen de VN gekant. Zo heeft het een verbod uitgevaardigd op de VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen (UNRWA). Ook blokkeert het al sinds 2 maart de noodhulp aan Gaza, die door de VN gedistribueerd zou moeten worden.
UNRWA – voluit de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten – werd opgericht in 1949 om tegemoet te komen aan de noden van de ruim zevenhonderdduizend Palestijnen die Israël een jaar eerder verdreven had. Nog altijd biedt de organisatie onder meer scholing en noodhulp aan de nakomelingen van de vluchtelingen van toen.
Israël is bezig met een grootschalige campagne om UNRWA verdacht te maken. Wie de organisatie googelt, krijgt eerst een gesponsorde post van de Israëlische regering met „de waarheid over UNRWA”. Israël beschuldigt de organisatie onder meer van banden met Hamas. Fundamenteel zit het Israël dwars dat de vluchtelingenstatus niet alleen geldt voor degenen die het in 1948 verdreven heeft, maar ook voor hun nazaten. Evenmin zint het Israël dat UNRWA het internationaal vastgelegde recht op terugkeer van al die vluchtelingen naar Israëlisch grondgebied benadrukt.
Als onderdeel van het staakt-het-vuren, dat op 19 januari van dit jaar inging, spraken Israël en Hamas af dat er dagelijks voldoende vrachtwagens met noodhulp de Gazastrook binnen mochten. Een tijdje ging dit redelijk, totdat Israël op 2 maart besloot de vrachtwagens niet meer tot Gaza toe te laten. Twee weken daarna schond Israël ook eenzijdig het bestand. Sindsdien wordt er weer gevochten. De noodhulp ligt nog altijd stil.
Volgens de VN kampt de Gazastrook inmiddels „waarschijnlijk met de ergste humanitaire crisis” sinds het begin van de oorlog. Sinds het eind van het staakt-het-vuren hebben zeker veertien hulporganisaties gemeld dat hun personeel of faciliteiten door Israëlisch vuur getroffen werden.
De VN genieten bepaalde privileges en een zekere onschendbaarheid. Zo mag een VN-lidstaat niet zomaar VN-gebouwen in eigen land binnenvallen. Ook zijn humanitaire VN-medewerkers onschendbaar; zij mogen niet aangevallen worden.
Die kans is „behoorlijk groot”, zegt Alessandra Spadaro, universitair docent internationaal publiekrecht aan de Universiteit Utrecht. „Israël heeft de VN uit hun hoofdkantoor in bezet Oost-Jeruzalem gegooid, en heeft humanitaire VN-medewerkers aangevallen en gedood. Bovendien staat het de VN niet toe om hun werk te doen.”
Deze zaak werd eind 2023 door Zuid-Afrika aangespannen. In januari 2024 oordeelde het ICJ dat er voldoende aanwijzingen zijn dat Israël genocide pleegt om de zaak voort te zetten, en beval het Israël dat het alles in het werk moet stellen ter voorkoming van daden van genocide in de Gazastrook. Ook droegen de zeventien rechters Israël op om meer humanitaire hulp toe te laten, om te vermijden dat de mensonterende omstandigheden van de bevolking verder verslechteren. Er bestaat „weinig discussie” over dat Israël deze verplichting schendt, zegt Spadaro.
Op 14 april kondigde het ICJ aan dat Israël verlenging heeft gekregen voor het indienen van zijn verweer in deze genocidezaak. Dat had uiterlijk op 28 juli zullen gebeuren, maar nu krijgt Israël de tijd tot 12 januari 2026. Een van de argumenten die Israël in zijn verzoek om uitstel aandroeg, was dat de aanklacht van Zuid-Afrika „problemen met de bewijslast” zou bevatten.
Die andere internationale rechtbank in Den Haag, het Internationaal Strafhof, heeft arrestatiebevelen uitgevaardigd tegen onder anderen de Israëlische premier Benjamin Netanyahu en oud-minister Yoav Gallant (Defensie). Volgens het Strafhof hebben ze de burgerbevolking in Gaza „opzettelijk, willens en wetens onthouden van zaken die onmisbaar zijn voor haar overleving, waaronder voedsel, water, medicijnen en medische benodigdheden, evenals brandstof en elektriciteit”.
Zij zijn vooralsnog niet aangehouden. Verscheidene lidstaten van het Strafhof hebben aangekondigd dat ze zich ook niet zullen houden aan de arrestatieplicht als Netanyahu naar hun land zou komen.
Elke zaak heeft haar eigen invalshoek, maar er is overlap. In alle drie de lopende zaken, zegt Alessandra Spadaro, „wordt de burgerbevolking de mogelijkheid ontnomen om te overleven”.
Source: NRC