Niet iedereen voelt zich meer thuis bij de formele nationale 4 mei-herdenking op de Dam. Want herdenken is niet alleen een ritueel van selectief terugkijken, maar ook oog hebben voor het leed en de pijn van nu.
Zomaar wat vragen: Hoe herdenken we op 4 mei op de Dam, in het gezelschap van een hoogwaardigheidsbekleder die eerder sprak over de ‘omvolking’ van Nederland en over ‘slavernijgedram’? Hoe herdenken we, samen met leden van een kabinet waarin een extreemrechtse partij voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis een centrale plek heeft bemachtigd? Een partij wier leider eerder om ‘minder, minder Marokkanen’ riep? En hoe herdenken we samen met een regering die aan ‘stille diplomatie’ vasthoudt terwijl een bondgenoot van Nederland genocide pleegt? Een regering die ‘stille diplomatie’ gebruikt als eufemisme voor niets doen en/of business as usual.
Met het verlies van zowel familie in de Tweede Wereldoorlog als nu in Gaza waren dit vragen waar ik vorig jaar al mee worstelde. Ik bleef toen thuis. Maar je hoeft niet dezelfde geschiedenis of achtergrond te hebben om dezelfde worsteling te voelen. Voor veel mensen in Nederland is het simpelweg niet meer te rijmen: herdenken op een moment dat het heden pijnlijke parallellen vertoont met het verleden. Tegelijkertijd groeit juist in deze tijd, waarin extreemrechts en ontmenselijking wereldwijd aan kracht winnen, de behoefte aan herdenken – aan werkelijk herdenken – meer dan ooit.
Over de auteur
Angélique Eijpe is oud-diplomaat en als jurist gespecialiseerd in internationaal recht en mensenrechten.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Dit jaar vindt, op initiatief van een groep burgers, ambtenaren en oud-diplomaten die zich verbonden voelen rondom Gaza, een herdenking plaats. Een herdenking voor iedereen die zich niet (meer) thuis voelt bij de formele nationale 4 mei-herdenking op de Dam, maar wel wil stilstaan. Een herdenking die inclusief is, waar iedereen welkom is, waar aandacht is voor de menselijke gevolgen van oorlog, vervolging en genocide, en waar ruimte is om lessen te trekken uit de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en uit de koloniale oorlogen. Waar erkend wordt dat ook Nederland verantwoordelijkheid draagt – toen én nu.
De zogenaamde ‘witte onschuld’, een begrip dat antropoloog en historicus Gloria Wekker – een van de sprekers bij deze brede herdenking – onder de aandacht bracht, leeft nog altijd voort in onze instituties en in onze blik op de geschiedenis en het heden. In het recent verschenen boek De Tien van Den Haag wordt beschreven hoe de secretarissen-generaal op de ministeries in Den Haag tijdens de Duitse bezetting aanbleven. Aanvankelijk maakten zij bezwaar tegen het ontslag van Joodse ambtenaren: het was in strijd met de Grondwet. De bezetter schrapte daarop het betreffende artikel, waarna alsnog werd ingestemd.
Verzet tegen het tekenen van de Ariërverklaring was er nauwelijks. Slechts een handvol ambtenaren weigerde – onder wie één bij Verkeer en Waterstaat, die vervolgens werd ontslagen. De meeste van deze topambtenaren keerden na de oorlog gewoon terug in overheidsdienst. De focus in onze geschiedschrijving ligt vaak op de NSB of de Duitse bezetter, maar het waren ook onze eigen keurige instellingen die meewerkten aan uitsluiting en deportatie van Joodse Nederlanders. Ook dat is onderdeel van de waarheid die we niet mogen vergeten.
En sindsdien? Er waren de ‘politionele acties’ tussen 1945 en 1949 – in feite een koloniale oorlog, waarbij extreem geweld werd ingezet. Er was Srebrenica. Het duurde dertig jaar voordat de genocide daar, die daar op 11 juli 1995 plaatsvond onder het toeziend oog van Nederlandse militairen, werd erkend als wat het was. Er was de steun voor de inval in Irak, waar naar schatting meer dan een miljoen mensen omkwamen. Soms klonk er protest, ook binnen instituties. Maar dat protest werd keer op keer weggedrukt.
En nu is er Gaza. Achttien maanden lang zien we, bijna in realtime, hoe een volk volledig is gedehumaniseerd en wordt uitgehongerd, verdreven en gebombardeerd. Steeds meer Nederlanders kunnen het niet meer aanzien. Maar het kabinet kijkt nog altijd weg, zo niet instemmend en medeplichtig toe. Er is de afgelopen achttien maanden een inktzwarte bladzijde aan onze geschiedenis toegevoegd.
Wat georganiseerd wordt is een herdenking, geen demonstratie zoals framing vanuit politiek en media wil doen geloven. Deze herdenking draait allereerst om gedeeld verdriet. Om de ruimte om te rouwen, met elkaar. Elk leed telt. Er is geen hiërarchie van pijn. De universaliteit van menselijk lijden staat centraal. Ieders geschiedenis en verhaal krijgt er een plek. Er is geen sprake van concurrentie tussen slachtofferschap, maar van erkenning van menselijkheid in al haar vormen.
Herdenken is pas betekenisvol als het zich niet afsluit voor het heden. Laten we dus niet alleen stilstaan, maar ook vooruitkijken. Naar wat we kunnen, willen en moeten doen – toen én nu. Want herdenken is niet alleen een ritueel van selectief terugkijken. Het is een oefening in moreel bewustzijn, in solidariteit, en in verantwoordelijkheid. Nooit meer is nu.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant