De debuutroman van Falun Ellie Koos werd met lof overladen en belandde op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs. ‘Ik verlangde naar iets dat ik niet kende, iets waarvan ik nog niet kon bevatten wat het nou was.’
is verslaggever bij Volkskrant Magazine en columnist.
Nee, Falun Ellie Koos (33) is niet heel happig op persoonlijke interviews. Koos denkt namelijk dat hoe je het ook wendt of keert, er talloze micro-misverstanden zullen ontstaan tussen hen en mij, de interviewer – straks, over krap vier uur, hebben we wel 30.000 woorden tegen elkaar gezegd, en dan ga ik daar misschien wel nét de verkeerde uit kiezen.
Het misverstand houdt Koos nogal bezig: dat mensen zo genadeloos langs elkaar heen kunnen praten is een van de belangrijke thema’s uit hun (Koos is non-binair en gebruikt hen/hun en die/diens, red.) romandebuut Rouwdouwers. ‘Ik vind het leuk om personages te schrijven met een hyperspecifiek perspectief, die elkaar nét niet begrijpen.’
Het klopt, we kunnen dit verhaal op een eindeloos aantal manieren beginnen. Je kunt beginnen met de geschiedenis van hun naam, die voornaam ten eerste, Falun: Falúún, niet Falóén, een naam waarvan veel mensen denken dat-ie zelf gekozen is. ‘Dat denken mensen door dat non-binaire, maar Falun is een stadje in Zweden waar mijn ouders ooit op vakantie waren. Ellie en Koos, dat zijn mijn tweede en derde naam, van mijn oma’s. Ik heb mijn achternaam gedropt.’ Falun Ellie Koos is dus een schrijversnaam, ‘ten eerste om esthetische redenen, mijn achternaam vond ik lelijk. Ten tweede omdat ik me een beetje wilde distantiëren van de complexe gevoelens die ik bij die naam heb.’ Daarover later – iets – meer.
Je zou een verhaal over Falun Ellie Koos ook kunnen vertellen aan de hand van de plaatsen waar hen heeft gewoond, zoals Koos dat zelf deed in het essay Bruiklener, waarmee hen in 2022 de Joost Zwagerman essayprijs won: als kind woonde Koos met hun moeder in een sociale huurwoning, nu en dan in een stacaravan, daarna als kunstacademiestudent in een antikraakwoning.
En nu, sinds vlak na het verschijnen van de debuutroman Rouwdouwers, woont Koos in een schrijversresidentie in Amsterdam. Een statig pand, stemmige kleuren, stenen schouwen, hoge plafonds en ergens op de begane grond achterin Koos’ bescheiden woonkamer, een keukentje en een slaapkamer, te bereiken via de tuin. Een geluksvogel, noemde Koos zichzelf tegenover een van de commissieleden die over hun woonlot besloot, maar die zei: ‘Nee hoor, je hebt het gewoon verdiend’. Koos’ debuut is bedolven onder de lof en belandde op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs. ‘Een volkomen onweerstaanbaar debuut’, schreef NRC bij de vier ballen voor Rouwdouwers.
Je kunt ook een verhaal over Koos schrijven aan de hand van de reeks ‘kutbaantjes’ die hen heeft gehad. ‘Tussen mijn 17de en 23ste werkte ik als postbode, aan de lopende band in de vleesverwerkingsfabriek, als schoonmaker. Als ik achteraf terugkijk had ik een depressie, door externe omstandigheden. Ik werd overal als een nummer behandeld en er was veel wantrouwen jegens de medewerkers: ben jij niet aan het stelen, loop je de kantjes er niet vanaf? Uitzichtloos voelde het, en mentaal en fysiek vermoeiend.’ Koos kocht in die tijd elke maand een staatslot. ‘Volgens mij heeft een hoge pipo bij de Staatsloterij ooit gezegd: wij verkopen de mogelijkheid om te dromen. Dat vind ik fucked up. Een loterij speelt in op het idee: er hoeft maar dít te gebeuren of jij bent gered. Maar zo’n belofte maakt het leven ook draaglijk.’
Na die baantjes wilde Koos iets totaal anders doen, waarom het kunstzinnig moest zijn valt niet meer exact terug te halen. ‘Ik verlangde naar iets dat ik niet kende, iets waarvan ik nog niet kon bevatten wat het nou was.’ Het werd Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, en zo werd Koos dus schrijver. ‘Ik mis mijn huisgenoten wel’, zegt hen over de zes jaar in het antikraakhuis, ‘na zes jaar word je een beetje een gezin’. In dat antikraakhuis schreef Koos die debuutroman. En daar, door het hebben van huisgenoten, ontdekte hen hoe zorgzaamheid eruitziet.
Tijdens die studie kwam Koos erachter dat sociaal stijgen ook tot een gevoel van ontheemding leidt. ‘Ik probeerde me aan te passen aan de sociale codes, maar als ik erop terugkijk, denk ik: Jezus, wat was ik toen egoïstisch en teruggetrokken. Ik weet nog dat ik mijn wasmiddel op mijn kamer bewaarde in plaats van in de gemeenschappelijke kast, waar al het wasmiddel stond. Ik was gewoon bang dat ze het gingen gebruiken.’
Als je opgroeit met weinig, houd je je wasmiddel in het zicht?
‘Ja, ik heb natuurlijk mijn stinkende best gedaan om te zorgen dat ze niet zagen hoe ik mijn best deed. Je doet waar je vandaan komt leuker voorkomen dan het was. Toen ik net studeerde, was ik ook bang dat mijn manier van praten te grof was, dat ik niet de juiste woordenschat had. Ik compenseerde door vrij veel te praten, terwijl ik bang was dat wat ik zei niet goed was, dat mijn duiding van werk van anderen simplistisch was. Ik weet niet of ik daarin geslaagd ben, dat zou ik ze eigenlijk moeten vragen.’
Dichter, schrijver en ex-huisgenoot Martin Rombouts vertelt telefonisch: ‘Falun was in het begin erg gespannen, en liet dat later los. Wat het wasmiddel betreft: ik herinner me wel het beeld van Falun die met een fles wasmiddel door de keuken loopt. Ik dacht dat die gewoon vrij specifiek was over hoe dingen georganiseerd moesten zijn.’
Ben je er nu wat geruster op dan in die tijd met het wasmiddel? Het gaat nu maatschappelijk gezien erg goed met je. Een Libris-nominatie, een succesvol debuut.
‘Dat voelt supertijdelijk. Ik probeer het te relativeren: het kan volgende week verdwenen zijn, deze aandacht. En met cultureel kapitaal kun je helemaal niets kopen. Zodra mensen je een keer op televisie zien of in de krant, denken ze dat je een koophuis hebt en een degelijk leven. Maar: nu, met dit huis, kan ik wel de ruimte nemen om iets neer te zetten waarvan ik wil dat het er is. In plaats van dat ik denk dat er snel een tweede boek moet komen, omdat er anders geen plek meer voor mij is.’
Belden ze hier aan om te zeggen dat je op die shortlist stond?
‘Nee, ik had gezegd dat ik op mijn werk was, ik dacht: ik ga niet thuis zes uur op mijn lip bijten. Ik vond het ook een eng idee dat ze hier zouden komen, het is hier klein en de plek voelt best privé. Ik was nerveus en katerig, ik had de avond ervoor de boekpresentatie van Martin (Rombouts, red.). We waren in ons oude huis als vanouds aan het pimpelen, zeg maar. En dan bellen ze aan met draaiende camera’s. Nee, niet mijn lievelingsding.’
Er is nog niet veel over je te vinden online. Hou je er niet van om over jezelf te praten?
‘Nee. Ik zie dit ook echt als werk, dit interview, de foto’s. Als het niet echt heel dom zou zijn om het niet te doen, zou ik het niet doen. Zoiets als dit, daar verkoop je boeken mee, en met zo’n nominatie ook. Ik ben hartstikke blij en dankbaar dat ik genomineerd ben, maar ik maak me geen illusies dat ik ga winnen. Door die nominatie nemen mensen je plotsklaps bloedserieus. En dat voelt als een prijs winnen voor mij.’
Voel je druk om een gesprek als dit te voeren?
‘Ja, ik voel wel een bepaalde druk. Het is lastig om mezelf te vangen en te duiden. Dit soort interviews voelen een beetje alsof je jezelf ergens op vastpint. Daar hou ik eigenlijk niet van.’
Vind je het spannend dat ik nu de baas ben over het eindproduct?
‘Ja, zeker. Ik moet erop vertrouwen dat jij mij ziet. En dat is lastig. Ik denk dat mensen te snel denken dat de manier waarop jij naar de wereld kijkt en dingen ziet, dat dat ook wel zal zijn hoe anderen hem zien. Je komt er altijd weer achter dat dat niet zo is. Je dénkt dat je aan de kapper heel precies hebt uitgelegd wat de bedoeling is, maar dan komt er toch iets heel anders uit. En jij denkt: ik heb het je toch gewoon verteld?’
‘Dat heb ik ook met boekrecensies. Dat ik denk: o, heb je dit eruit gepikt? Oké. Het klopt wel, maar het zit gewoon net op een andere golflengte. O jee, ik moet dit niet te gechargeerd zeggen, want ik heb heel goede, lovende recensies gehad.’
Ben je ook bang dat een interview dat ook over jou en je jeugd gaat, een soort ‘arme mensen kijken’ wordt?
‘Dat ook. Van: jéétje, arm zijn, hoe is dat nou? En dat ze het liefst hebben dat je het nog wat erger maakt dan het was. Toen het boek net uit was, heb ik de autobiografische lezing van mijn boek actief proberen te ontwijken. Ik was bang om in dat hokje geplaatst te worden, van: armoedig mens schrijft precaire jeugd van zich af. Ja, en daarna? Dan is dát het kunstje. Het leek of ik dan geen echte schrijver kon zijn. Ik heb hier lang aan gewerkt en het is echt wel fictie. Het vlechtwerk was het meeste werk. Het leukste werk, ook.’
Ben je ook bang om het boek te demystificeren?
‘Ik zag vanochtend toevallig een filmpje van regisseur David Lynch, waarin hij zegt: je bent jaren aan het zwoegen om een idee, een prikkel in je hoofd, te vertalen naar personages, een script en een beeld. En het eerste wat mensen van je willen zodra het af is, is dat je het terug gaat brengen naar taal. Mensen willen een soort bulletpoints van wat je hebt gemaakt. Ik snap wel dat dat moet, ik moet interesse genereren voor dat boek, maar het is niet heel lonend.
‘Als je kunst maakt, ben je bezig met ergens langzaam omheen cirkelen en in steeds kleinere cirkels kom je dichterbij, maar het is volgens mij niet het doel om het te vatten, dan is het niet leuk meer. Het mooie aan mens zijn is dat we altijd zoeken naar wat belangrijk is, maar ons er ook bewust van zijn dat we er altijd naast grijpen. Die zoektocht is wat kunst maken is, wat filosoferen is, wat wetenschap bedrijven ook is, het gaat niet om het eindpunt.’
Wat nu volgt is een samenvatting van Rouwdouwers, en tegen samenvattingen verzet Koos zich een beetje. Omdat kunst, zegt Koos, ‘iets onzegbaars moet uitdrukken, en iets onzegbaars kun je niet samenvatten’. Maar goed, wat moet dat moet: Rouwdouwers is een gedachtestroom van kunstacademiestudent Ada aan haar broertje Broos, waarin ze terugblikt op hun jeugd. Ze wonen in een stacaravan bij hun spijkerharde vader, een hovenier die zijn kinderen onverkrachtbaar en onverdrinkbaar wil maken, bijvoorbeeld door ze op te dragen elkaar te verdrinken in een meertje.
Met Broos geeft Koos ook ruimte aan het Eigen-Volk-Eerst-sentiment dat hen kent uit hun jeugd. ‘Ik zit nu natuurlijk erg in een linkse bubbel, maar ik ken die kant wel. Ik heb nooit Wilders gestemd, maar de mannelijke familieleden uit mijn gezin wel. Ik kan dan kwaad worden, maar ik zie ook wat ze daartoe heeft gedreven. Ik snap dat je angstig wordt voor de ander als iemand tegen je zegt: díé is de schuldige, dat gaan we oplossen en dan is er meer voor jou.’
Door Rouwdouwers loopt ook Ada’s kunstacademietijd, waarin zich een pijnlijke kloof tussen haar en de andere studenten openbaart – studenten die eindeloos tijd hebben voor jaartjes ertussenuit en zelfontplooiing. Studenten die haar leren over het begrip ‘studiefinanciering’. In Rouwdouwers: ‘En zo kwam ik erachter dat je iedere maand gigantisch veel geld van de regering kunt krijgen. Zomaar, alleen omdat je studeert. Ook als die studie inhoudt dat je een muts maakt van je eigen schaamhaar en die naar de klas meebrengt om te bespreken. Ook daar kun je van de regering geld voor krijgen.’
In hun jeugd kreeg Koos mee dat een uitkering trekken het laagste van het laagste was, en nu leeft hen zelf van, nou ja, geen uitkering, maar toch een soort subsidie. De commissie die over Koos’ residentie besloot vertelde hen dat je hier in principe vijf jaar in een hangmat mag liggen, ‘als dat is wat je nodig hebt’. Dat vond Koos toch een beetje verdacht, schreef hen daarna in Trouw: ‘Een deel van mij voelt zich nog altijd nutteloos wanneer me iets is gegund, al helemaal als ik daar niets voor terug hoef te doen.’
Je komt niet uit een gezin waar kunst of literatuur onderdeel van het leven was, toch?
‘Nee. Mijn vader ging vrij jong weg bij mijn moeder, mijn broertje en mij. In de weekenden gingen we naar hem toe. Mijn moeder was 19 toen ze mij kreeg, ze is lang caissière geweest en werkt nu met verstandelijk beperkte mensen. Mijn vader was tuinman. Er stonden bij mijn moeder een paar boeken van Ronald Giphart in de kast, maar dat was het dan. Ik werd niet uitgedaagd om te lezen. Als puber las ik Harry Potter. Ik ging pas echt lezen op de kunstacademie.’
Hoe werd je dan op die schrijfopleiding toegelaten, als je nooit las?
‘Ja, goeie vraag. Ik weet het niet helemaal. Ik heb ook twee keer auditie moeten doen. Grappig trouwens: ik kreeg bericht van een kennis over een vriend van haar, die niet werd toegelaten tot deze opleiding. Ze zei: wat nu, weet je misschien iemand die we kunnen benaderen of die nog een tweede kans kan krijgen? Mijn eerste reactie was: dat is de gedachtegang van een rijkeluiskindje. Die denkt: ik hóór hier, er kan toch wel iets worden geregeld? Ik dacht aan de keer dat ik werd afgewezen: ik zou het systeem nooit in twijfel trekken. Ik heb een diepgeworteld respect voor hoe die dingen gaan.
‘Ik denk dat veel mensen uit de arbeidersklasse dat zo voelen. Ik voelde altijd de neiging te zeggen: we waren niet straatarm hoor, we hadden gewoon te eten, we hadden kleren en we zijn ook weleens in de Efteling geweest. Dus zo arm waren we niet. Maar het is ook een mentaliteit, arm zijn. Het is een gevoel dat neerkomt op: er zijn systemen, de overheid, de belastingdienst, en daar moeten wij ons naar schikken. Maar voor een kunstenaar is dat niet goed: die moet de systemen juist in twijfel kunnen trekken en kunnen onderzoeken wat die voor effect hebben. Ik denk nu niet dat het systeem tegen mij is. Maar als zo iemand zo’n sluipweggetje zoekt om op de kunstacademie te komen, denk ik: waar haal je het lef vandaan? Eigenlijk is dat verkapte jaloezie. Dat ik denk: dacht ik maar zo.’
Ada is ook wel wrokkig naar de anderen. Zo is ze gefrustreerd over het idealisme van haar geprivilegieerde medestudenten, die haar meedelen dat vliegen eigenlijk niet meer kan. Heb je dat ook gehad?
‘Ja, je pakt dan iets af van mensen die nooit iets hebben gehad. Dit is wel een emotie die ik zelf heb gevoeld. Ik ging op een gegeven moment voor het eerst vliegen, naar Portugal, met mijn partner Teun. Toen ik dat vertelde op school, maakte een klasgenoot een snarky opmerking van: fucking slecht voor het milieu. Ik dacht: ik heb nog nooit gevlogen, waar héb je het over? Ik was 24, 25 en ik was trots dat ik het ging doen, dat ik dat kon betalen. We konden ergens gratis logeren, dat vliegticket was 200 euro of zo en dat vond ik belachelijk veel geld. Die blijdschap werd even, hup, van tafel geveegd.’
Had je ook vooroordelen over anderen toen je ging studeren?
‘Ja, over welgesteld zijn. Dat vond ik verdacht, ik werd er kwaad van. Ik kwam er op een gegeven moment achter dat iemand die nog steeds een goeie vriendin is, best wel rijk is opgegroeid. Dat ze woonde in een studio van haar ouders. En dat voelde toen een beetje als een teleurstelling: ik dacht dat we hetzelfde waren. Ik denk dat ik ook best lang een beetje wantrouwig was naar anderen.
‘Ik vond het raar dat iedereen zo nieuwsgierig naar mij was, want ik was niet nieuwsgierig naar anderen. Ik wilde gewoon zo snel mogelijk proberen te vatten wat de situatie was. Wat is hier de bedoeling, wat ben jij voor iemand? Dat is een manier van leven die voortkomt uit een gevoel van onveiligheid en schaarste. Ik werd een soort kameleon, ik ging observeren en alles dupliceren. Dat is natuurlijk ook desastreus voor een kunstenaar, om anderen te spiegelen, om het juiste te willen doen.’
Je hebt dus de neiging te zeggen dat het je niet echt aan iets ontbrak. Maar wat heb je wél gemist?
‘Tja. De levenslust vergaat me direct als ik woorden als hechtingsproblematiek hoor, maar ik denk wel dat we een veilige bodem misten, mijn broer en ik. Het is grappig: toen ik wat ouder werd, zeiden vrienden weleens tegen mij: ik besef ineens dat mijn ouders ook maar gewoon mensen zijn, dat ze fouten maken. Dat was voor hen een grote klap, waar ze even overheen moesten komen. Maar als ik dat hoorde, dacht ik: ik heb dat idee nooit gehad, dat mijn ouders mensen waren op wie je kunt leunen, die dingen voor je oplossen. En dat zegt alles, denk ik, over hoe ik me als kind voelde.’
Over hun familie, of specifieker: hun vader, met wie Koos een ‘turbulente geschiedenis’ heeft, wil Koos niet te veel uitweiden. Sommige dingen kun je gewoon beter niet opschrijven.
Hoe was het om te vertellen dat je non-binair bent?
‘Ik heb oppervlakkig contact met de mensen met wie ik opgroeide. Het meeste met mijn broertje, hij zei gewoon: oké. Het is voor mij ook niet meer zo’n big deal wat ze ervan vinden. Hoe ouder ik word, hoe belangrijker ambiguïteit voor mij wordt. Een paar jaar geleden was ik vooral op zoek naar duidelijkheid, waar ben ik veilig? Maar in de kunst zoek ik steeds meer de ambiguïteit op. Non-binair zijn is daar een soort uitvloeisel van, dat kwam in 2020 ongeveer. Op de vraag: ben je een man of een vrouw?, denk ik gewoon: nee. Het gaat me dus niet om dat label non-binair, maar om wat ik níét ben.
‘Het is de wereld die duidelijkheid wil over wat je bent. Ik weet ook helemaal niet of ik mezelf zo blijf aanduiden, dat is niet vaststaand. Als ik ervan af zou stappen, denk ik dat mensen zullen zeggen: zie je wel! Terwijl ik denk: we zijn allemaal de hele tijd in flux.’
Wat heb je tegen je familie gezegd over het boek?
‘Ik heb naar mijn familie gecommuniceerd: er komt een boek, je hoeft het niet te lezen, het mag wel, weet dat het fictie is, maar dat het toch pijn kan doen. Vooral naar mijn broertje vind ik het lastig, omdat hij begeleid woont. Hij is emotioneel heel intelligent, maar het duurt vaak langer voor hij dingen begrijpt. Ik had gezegd dat hij het mocht lezen, maar ik had niet gedacht dat hij het zou doen. Dat vond ik intens, omdat het boek vanuit de ik-persoon aan een broer is gericht, en ik dacht: o jee, ik denk echt niet over jou zoals Ada over Broos denkt. Mijn broer zegt dat hij snapt dat het niet over hem gaat en dat hij niet Broos ís. Hij is er tekeningen over gaan maken. Van een stacaravan en van het meer. In zo’n stacaravan woonde mijn vader een tijd. Dat vond ik mooi, dat hij ook bezig is het te verwerken, eromheen te cirkelen, op zijn manier.’
Is je broer ook blij voor jou?
‘Heel blij en trots. En ik ben ook trots op hem, want hij heeft zich echt door hele rottige omstandigheden heen weten te slepen. En hij heeft veel meer te verduren gehad dan ik. Ja, daar ben ik trots op. Hij werd gewoon harder behandeld. Voor mij was iets meer ruimte. Ik was het eerste kind, dan ben je toch ook altijd een beetje het gouden ei. Alles wat ik deed, werd welwillender uitgelegd dan wat mijn broertje deed. Dan ontstaat er een complexe situatie, als de waardering voor jou afhangt van de afkeuring van de ander.’
Met een achtergrond zoals die van Koos en diens broertje, zegt Koos, ben je te druk met je eigen veiligheid om nieuwsgierigheid te ontwikkelen naar anderen, en daardoor ben je ook niet nieuwsgierig naar kunst. Als Ada op de kunstacademie terechtkomt, in Rouwdouwers, bestudeert ze de kunstacademiestudenten zoals een antropoloog een onontdekte stam: ‘Iedereen is de godganse dag bezig met wat ze voelen. Ze doen de hele tijd onderzoek naar wat ze ervaren. En dat vertaalt zich dan naar een muur vol uitgesmeerde kauwgom, bijvoorbeeld. Of een replica van hun kinderkamer geheel gemaakt van bolletjes pluis.’
‘Er bestaan mensen die denken: dat mensen mutsen van hun schaamhaar knutselen, waarom moeten we dat subsidiëren?’, zegt Koos, ‘en dat sentiment heb ik onderzocht via Ada. Het is ook aangeleerd om kunst te wantrouwen.’ Toch drijft iets Ada naar die academie, iets wat ze misschien nog niet aan zichzelf kan toegeven. ‘Ada observeert op een ander moment een schilderijtje met veel aandacht en fijnzinnigheid’, zegt Koos. ‘Dan kom je er volgens mij wel achter dat wat zij roept niet is hoe ze zich voelt.’
De personages van Koos kun je niet op hun woord vertrouwen – die zitten in hun eigen tunnel, net als je kapper, of een interviewer. Zelf vindt Koos helemaal niet dat kunst maatschappelijke meerwaarde hoeft te leveren. Kunst hoeft eigenlijk helemaal niets. Als je in een paar woorden kunt samenvatten waar een kunstwerk over gaat, is het misschien eerder activisme, schreef Koos al eens. Vandaar ook hun huivering zich te profileren als ‘armoedig mens dat precaire jeugd van zich afschrijft’: dat voelt alsof hen probeert te bewijzen dat díé invalshoek hun meerwaarde bewijst. Wat als hen dan straks een boek over ruimtevaarders of hertoginnen wil maken?
Op enig moment ontdekt Ada, als ze bij een houthakker in Spanje woont, een soort zorgzaamheid in haarzelf. Dat je een hond die wil weglopen beter niet kunt slaan als je wilt dat hij blijft. Is dat een les die je zelf ook hebt geleerd?
‘Ja, wel een beetje. Ik omring me ook alleen maar met zachte, rustige, veilige mensen. Without a bad bone in their body. Je hoort weleens dat mensen die onveilig gehecht zijn juist wéér in onveilige relaties belanden. Nou, dat heb ik niet. Als iemand zijn stem verheft, ben ik weg.’
Jouw partner Teun zei ook dat jij goed door mensen heen kunt prikken. Dat hij een beetje de geheimzinnige kunstenaar uithing op jullie eerste date, en dat jij zei: stop daar eens mee.
‘Ja, ik heb denk ik wel een goeie bullshitradar, dat is misschien het resultaat van opgroeien in zo’n wantrouwige omgeving. Ik heb het door als iemand een beetje aan het bluffen is. Om me veilig te voelen, moest hij echt zijn. Mysterie vond ik toen niet aantrekkelijk. Maar dat was toen, inmiddels vind ik mysterie juist weer interessanter. We zijn nu acht jaar samen, je komt er natuurlijk ook achter dat je elkaar niet helemaal kúnt kennen. Dat maakt het ook boeiend, dat iemand altijd grillig en ongrijpbaar blijft.’
‘Door Teun, en door die huisgenoten, heb ik op een bepaalde manier een hechting gevonden die ik in mijn jeugd niet heb gehad. Dat als je ziek bent, iemand gewoon even boodschappen voor je gaat doen. Dat kende ik niet echt. Het was altijd vervelend als ik ziek was, want dan moest er iets geregeld worden. En ik wil het meteen weer nuanceren, want ik denk: ja, maar volgens mij doen veel ouders dit, zeggen: effe twee paracetamol, ga maar gewoon naar school.’
Zou je die neiging om het meteen te relativeren niet eigenlijk moeten afleren?
‘Ja zeker. Dat denk ik ook. Ik heb daar geleerd om zorg te ontvangen. We hadden allemaal eigen ritmes, maar vonden toch geborgenheid bij elkaar. Ik heb moeten ontdooien, op een bepaalde manier. In die tijd in dat antikraakhuis merkte ik dat iedereen maar een beetje aanmoddert, maar in principe wel het beste met de ander voorhad.’
Dat staat haaks op het wantrouwen waarmee je bent opgegroeid. Kun je er ooit echt van overtuigd raken dat mensen het beste met je voorhebben?
‘Ja, maar ik moet het wel tegen mezelf blijven zeggen.’
1 april 1992 Geboren in Utrecht.
2015-2019 Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht.
2020 Kortfilm De vloer is lava.
2022 Joost Zwagerman Essayprijs voor het essay Bruiklener.
2023 C.C.S. Cronestipendium voor beloftevolle auteurs van de gemeente Utrecht.
2024 Debuutroman Rouwdouwers.
2025 Shortlist Libris Literatuur Prijs.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant