Journalist en Oxford-onderzoeker Simon van Teutem snapt als geen ander waarom het aantrekkelijk is om bij een bank of op de Zuidas te werken – zoals de ‘knappe koppen met betekenisloze banen’ in zijn zojuist verschenen boek. Toch zegt hij: doe het niet.
is mediaverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft vooral over televisie, podcasts en boeken.
In de eetzaal van Nuffield College in Oxford luncht de journalist Simon van Teutem (27) met zes internationale vrienden. Ze zitten op houten stoeltjes – de roodgestoffeerde exemplaren rond de ‘high table’ aan het einde van de ruimte, pal onder het familiewapen van de eerste burggraaf van Nuffield, zijn alleen bestemd voor professoren en speciale gasten.
Over koetjes en kalfjes gaat het niet. De twintigers bespreken onder meer waarom er in Australië, ondanks de aanwezigheid van uranium, nauwelijks kernenergie wordt gewonnen en hoe inwoners van Long Island, een eiland in de staat New York, voorkomen dat windturbines hun uitzicht verpesten. Dat België slechtere wegen heeft dan Nederland, komt door bestuurlijke versnippering, zegt Josh, een Amerikaanse politicoloog die magna cum laude is afgestudeerd aan Harvard en nu, net als Van Teutem, aan zijn proefschrift werkt aan Nuffield. Dat is een van de 36 colleges die binnen Oxford University een mini-universiteit vormen met eigen studenten, docenten, gebouwen en tradities.
Als leergierige tiener wilde Van Teutem graag de domste van de klas worden en op weinig plekken kan dat makkelijker dan in Oxford. In zijn eerste jaar leerde hij er hyperintelligente leeftijdgenoten kennen die vastbesloten waren het klimaat- of armoedeprobleem op te lossen. Maar ondanks die grootse idealen, zegt Van Teutem, koos vrijwel geen van hen uiteindelijk voor een baan bij de overheid of Unicef. In plaats daarvan gingen ze werken voor een van de grote ‘corporates’, waar ze dagenlang zitten te pielen in Excel of PowerPoint.
In het maandag verschenen De bermudadriehoek van talent – Hoe knappe koppen verdwijnen in betekenisloze banen onderzoekt Van Teutem waarom zoveel ambitieuze studenten uiteindelijk verstrikt raken in het bankwezen, de zakelijke advocatuur en consultancy (spoiler: lang niet alleen door het geld), en hoe overheden en universiteiten de talentverspilling kunnen stoppen.
Het carrièrepad van studenten in Oxford, waar Van Teutem woont met zijn vriendin en werkt aan een proefschrift over de populariteit van extreemrechtse partijen, is geen uitzondering. Van de studenten van de Amerikaanse universiteit Harvard koos bijna de helft na het afstuderen voor het bankwezen of consulting. In de jaren tachtig, toen Michael Douglas als Gordon Gekko in de film Wall Street zijn ‘greed is good’-speech gaf, was dat nog een op de vijf. In Nederland, zo bleek in 2017 uit een onderzoek, ambieert 40 procent van de studenten met bovengemiddelde cijfers een baan in de consultancy.
Zij werken het liefst bij McKinsey, dat jaarlijks uit een miljoen sollicitaties zo’n zesduizend mensen aanneemt. De Boston Consulting Group (BCG) en Bain & Company zijn iets minder prestigieus, maar behoren eveneens tot de ‘Big Three’.
Ook bij de banken is er een duidelijke topdrie: Goldman Sachs, J.P. Morgan en Morgan Stanley. Rechtenstudenten dromen van een plek bij de ‘magic circle’, waartoe Allen & Overy, Clifford Chance en Freshfields behoren. Deze Britse kantoren hebben ook een vestiging in Amsterdam. Onder de Nederlandse Zuidas-kantoren zijn De Brauw Blackstone Westbroek, NautaDutilh, Stibbe en Loyens & Loeff het meest vooraanstaand.
In het vorig jaar verschenen boek Morele ambitie riep schrijver Rutger Bregman ambitieuze net-afgestudeerden ook op hun talenten te wijden aan de publieke zaak en niet zozeer aan banken of grote ondernemingen. Het boek van Van Teutem onderscheidt zich door zijn antropologische onderzoek naar de (ex-)bewoners van de Zuidas, Wall Street en de Londense City. Hij interviewde ruim tweehonderd van hen en maakt inzichtelijk waarom zij zich magnetisch tot die zakencentra voelden aangetrokken – en waarom velen van hen daar, hoewel het werk vaak saai was en slopend zwaar, vervolgens ook grote delen van hun carrières bleven.
Ook baseert hij zich op eigen ervaringen: in Amsterdam liep hij in 2022 stage bij McKinsey en in Londen een jaar eerder bij Morgan Stanley. Beide deden hem een baanaanbod.
Maar hij verkoos de journalistiek. In 2023 maakte hij samen met NRC-journalist Bas Heijne de podcast Heijne & Van Teutem. Hij schrijft nu over migratie, ontwikkelingssamenwerking, onderwijs en woningbouw voor het Britse platform Our World In Data en het Nederlandse De Correspondent.
‘Door zijn stukken bleek al snel dat hij veel te slim was voor zijn leeftijd’, zegt Rutger Bregman, die hem leerde kennen bij De Correspondent, telefonisch. Op het omslag prijst hij Van Teutem aan als ‘een van de veelbelovendste jonge denkers van Europa’. De eerste versies van zijn manuscript van Morele ambitie legde Bregman voor aan Van Teutem.
‘Hij gaf me nuttige feedback’, zegt Bregman. ‘Toen ik schreef dat er niets vervelends zou gebeuren als alle consultants van McKinsey gaan staken, vond hij dat retorisch effectbejag. Het punt is volgens hem niet dat consultants nutteloos werk doen, ze doen soms best nuttig werk, het punt is alleen dat ze veel nuttiger werk zouden kunnen doen – ze spelen geen rol in de grote uitdagingen van deze tijd.’
Van Teutem wil altijd gaten schieten in een betoog, ook in dat van hemzelf, zegt Bregman. ‘Die intellectuele eerlijkheid, op die leeftijd al, heb ik altijd bijzonder gevonden. Niet voor niets werkt hij nu aan een absolute topuniversiteit.’
Na de lunch leidt Van Teutem rond langs plekken in Oxford die hem hebben gevormd, vertelt hij hoe hij in de bakermat van de Britse elite terecht is gekomen en waarom ook hij dreigde te zwichten voor de verleidingen van McKinsey – maar dat uiteindelijk toch niet deed.
Wandelend richting een ander college, Merton, waar Van Teutem drie jaar heeft gewoond en Philosophy, Politics and Economics (PPE) heeft gestudeerd, vertelt hij dat het intellectuele vuur is gaan branden op zijn 14de. ‘Mijn vader was blij met zijn baan bij de lerarenvakbond, maar had eigenlijk romanschrijver willen worden en kwam er toen door zijn kankerdiagnose achter dat hij die tijd niet meer zou krijgen. Daardoor was ik me er tijdens mijn puberteit erg van bewust dat ik geen tijd moest verspillen.’
Toen hij zich in 2018 aanmeldde voor Oxford, lag zijn vader, die troost haalde uit de gedichten van T.S. Eliot, op sterven. ‘Een dag na zijn begrafenis werd ik uitgenodigd voor twee sollicitatiegesprekken bij Merton College’, zegt hij. Toen hij er informatie over opzocht, kreeg hij een lijstje met beroemde alumni. Een van hen was T.S. Eliot. ‘Dat was heel bijzonder.’
Inmiddels staat hij voor de middeleeuwse toegangspoort met ringvormige deurklopper van Merton College, dat dateert uit de 13de eeuw. ‘Private members of Merton College only’, aldus een bord. Van Teutem raadt de fotograaf aan zijn apparatuur mee naar binnen te smokkelen.
‘Dit vind ik het mooiste deel van Oxford’, zegt hij staand in de Fellows Garden, waar geelbruine gebouwen met puntgevels, rondboogvensters met gotische elementen en smeedijzeren hekken met krullende motieven associaties oproepen met toverschool Zweinstein.
Hij toont een van de oudste eetzalen van Oxford. ‘Alle eerstejaars dragen tijdens het diner een commoner’s gown, een eenvoudige mantel’, zegt hij. ‘Maar de 30 procent die de hoogste cijfers heeft gehaald, krijgt voor het volgende jaar een scholar’s gown met elegante plooien. Zo’n statusspel klinkt dom en ijdel, maar werkt supergoed, ook bij mij. McKinsey maakt daar ook gebruik van: daar maken medewerkers elke twee of drie jaar kans op promotie, op een nieuw level.’
Veel Oxford-studenten zijn ‘insecure overachievers’ die constant bevestiging van anderen nodig hebben, zegt hij. ‘Ik ben dat ook. In een nieuwe omgeving bespeur ik snel sociale hiërarchieën en als mensen tegen wie ik opkijk mij niet boeiend lijken te vinden, ben ik daar gevoelig voor. Als zij dan naar McKinsey vertrekken, maak ik daaruit op dat daarbij horen het ultieme statussymbool is en wil ik bewijzen dat ik daar ook een voet tussen de deur kan krijgen, al heb ik geen enkele intrinsieke motivatie om daar te werken.’
Zijn fascinatie met de apenrots heeft met zijn achtergrond te maken, denkt hij. ‘Ik ben best vaak een buitenstaander geweest. Op het tweetalige gymnasium in Zeist, waar ik mijn bekakter aan te danken heb, was ik de enige uit Bunnik, wat door sommige van mijn rijke klasgenoten als een boerendorp met tokkies werd gezien. Voordat ik naar Oxford ging, heb ik een jaar gestudeerd in Rotterdam, waar ik lid werd van het corps. Maar ik had nog nooit geskied, met mijn ouders gingen we altijd kamperen. En in Oxford ben ik helemaal een vreemde eend in de bijt. Het aantal studenten hier dat naar een Europese staatsschool is gegaan, is op twee handen te tellen.’
Op intellectueel gebied kwam Van Teutem aan zijn trekken bij Merton College, maar hij miste er extraverte types en maakte weinig vrienden. Die vond hij wel bij de Oxford Union, de beruchte debatclub waar hij na een korte wandeling arriveert en langs portretten loopt van de vier voorzitters van de Union die later premier van het Verenigd Koninkrijk zijn geworden – Boris Johnson komt voorbij.
Hier leerde Van Teutem speechen – zijn pleidooi voor het toestaan van religieuze symbolen in het openbare leven, staat op YouTube. ‘En wat ik hier van mensen heb afgekeken, is een bepaalde vorm van zelfvertrouwen’, zegt hij in de zaal waar voorafgaand aan debatten wordt gedineerd. ‘Ook toen er bijzondere gasten langskwamen, zoals Calvin Klein, bleven alle studenten gewoon zichzelf. Het was bijna nonchalant, maar ik merkte dat het goed werkte.’
De grote debathal is dicht, dus eindigt Van Teutem zijn rondleiding met een wandeling naar zijn favoriete koffiezaak. Achter een kop thee zegt hij daar dat hij zich met zijn boek richt op de mensen bij wie het competitiegevoel ontvlamde tijdens het zien van de uitslag van de Cito-toets. ‘Ik weet nog dat ik op de wc het briefje opende en zag dat ik drie fout had. Er stond ook bij dat ik tot daarmee tot het allerhoogste percentiel behoorde. Wauw, dacht ik, dit is vet.’
De ‘homo competitivus’ wil constant de beste blijven en de McKinsey’s van deze wereld voelen dat feilloos aan, zegt Van Teutem. ‘Zij investeren veel in persoonlijke ontwikkeling, zoals een mba (Master of Business Administration, een prestigieuze, peperdure managementopleiding, red.).’
Bij veel leeftijdsgenoten bespeurt Van Teutem ‘loopbaanbindingsangst’. ‘Ze willen hun opties openhouden. Recruiters van consultants en advocatenkantoren spelen daarop in door te zeggen dat niemand daar lang blijft werken, en als je er na drie jaar vertrokken bent, zeggen ze, heb je wel hun kwaliteitskeurmerk achter je naam.’
De bedrijven schermen met beroemde alumni uit de politiek. Van Teutem somt het rijtje op. ‘Alexander De Croo, oud-premier van België, ex-BCG. Wopke Hoekstra, ex-McKinsey. Eric Wiebes, ex-McKinsey. Emmanuel Macron, voormalig zakenbankier bij Rothschild. Rishi Sunak, ex-Goldman Sachs. In de Verenigde Staten staat Goldman Sachs bekend als Government Sachs omdat zoveel medewerkers ervan uiteindelijk de politiek ingaan.’
Maar, zegt Van Teutem, zij vormen een minderheid. ‘Het merendeel blijft gewoon of gaat daarna voor een klant werken als Shell, Heineken of Tata Steel.’ Dat komt door ‘de gouden handboeien’. ‘Als je gewend bent aan een bepaald uitgavenpatroon, is het moeilijk rondkomen van een overheidssalaris.’
Nadat hij zich twee uur terugtrekt om te werken aan een artikel, vervolgt Van Teutem het gesprek bij zijn favoriete noedelrestaurant. Na het bestellen van groentedumplings zegt hij dat geld een verklaring is voor de populariteit van de grote bedrijven, maar zeker in het begin geen allesbepalende. Een startsalaris bij zakenbank Morgan Stanley ligt, exclusief bonussen, rond de 5.000 euro per maand.
Dat is niet exorbitant veel, ook gezien de werktijden. Werkweken van tachtig uur zijn geen uitzondering. Goldman Sachs besloot in 2015 dat stagiairs nog maar zeventien uur per dag mogen werken, oftewel van 8 uur ’s ochtends tot 1 uur ’s nachts. Het fenomeen waarbij Londense bankiers ’s nachts alleen naar huis gaan om te douchen en de taxichauffeur buiten blijft wachten, staat bekend als de magic roundabout, de magische rotonde.
Het salaris bij Morgan Stanley vormde voor Van Teutem slechts 10 procent van de aantrekkingskracht. In zijn boek zet hij in percentages uiteen waar het voor hem óók om draaide toen hij daar stage ging lopen: het charisma van de werknemers (20 procent), competitiedrang (10 procent), sociale status (10 procent), kansen voor persoonlijke groei (10 procent) en het idee dat de bank een mooie springplank vormde naar interessantere banen (30 procent). De aard van het werk, dat hij omschrijft als het uitvoeren van repetitieve klusjes zonder enige intellectuele uitdaging, noemt hij niet.
De stage bij McKinsey vond hij leuker en zinvoller. Dat hij er uiteindelijk toch niet tekende, kwam deels door zijn vader. Vlak voordat die in 2017 overleed, drukte hij zijn zoon nog iets op het hart, zegt Van Teutem geëmotioneerd. ‘Hij zei het belangrijk te vinden dat ik mijn talenten zou inzetten voor andere mensen, voor kwetsbare mensen. Ik moest niet gedreven worden door ijdelheid of status. Het was een soort afscheidsgesprek dat ik heb opgenomen, ik heb dat door de jaren heen best vaak teruggeluisterd. Na het doen van die belofte aan mijn vader was het moeilijk aan mezelf te verkopen als ik bij een grote consultant aan de slag was gegaan.’
Wat hem in de journalistiek aantrok, was niet het riante salaris. ‘Bij Morgan Stanley had ik op deze leeftijd vier keer zoveel kunnen verdienen, rond de 200 duizend euro. Wat de journalistiek wél heeft, maar de bankenwereld niet, is dat je er je nieuwsgierigheid kunt voeden op een manier die veel kan betekenen voor kwetsbare mensen en dieren.’
Na een podcast of talkshowoptreden krijgt Van Teutem regelmatig ‘persoonlijke shit’ over zich heen. ‘Daardoor heb ik mijn persoonlijke motieven weleens in twijfel getrokken. Ben ik een ijdele hufter? Maar vaak klinkt in de kritiek ook jaloezie door. Waarom wordt hij zo door Rutger Bregman en Bas Heijne bij de hand genomen – en niet ik?’
Je moet je werk serieus nemen, zegt Van Teutem, niet jezelf. ‘Maar Arnold Schwarzenegger zei ook dat de helft van je werk is je werk doen en de andere helft is je werk verkopen. Zeker in de mediawereld zit daar wel een kern van waarheid in. Dus zat ik vanochtend om kwart over 6 een bericht voor LinkedIn te schrijven. Maar daarbij moet ik telkens een afweging maken. Nemen mensen me serieuzer als ik opschrijf dat ik van de 250 studenten de hoogste cijfers voor politicologie heb gehaald, of vinden ze me dan een klootzak?’
Van Teutem ziet de journalistiek ook deels als een springplank. Maar waarheen? Drie van de laatste zes Britse premiers (Rishi Sunak, Liz Truss en David Cameron) studeerden, net als Van Teutem, Philosophy, Politics and Economics in Oxford. Aan die baan kleven bezwaren, zegt hij. ‘Mijn omgeving zou dan bagger over zich heen krijgen. Maar de overheid is een belangrijke hefboom van belangen en ik ambieer wel een baan waarin ik het meeste goed kan doen, of dat nu is als Tweede Kamerlid, minister, premier of adviseur bij een ministerie of gemeente.’
Weinig ambitieuze studenten willen nu werken bij de overheid, zegt Van Teutem. ‘Er is maar één overheidsinstituut dat qua prestige in de buurt komt van de Zuidas-bedrijven en dat is het klasje van Buitenlandse Zaken. Alleen al aan het woord ‘klasje’ snap je de aantrekkingskracht. Het suggereert exclusiviteit én een springplank – een klasje leidt je op. Waarom hebben niet alle ministeries een klasje?’
Van Teutem beseft dat hij ervoor pleit dat het ambtenarenbestaan meer op een ratrace moet gaan lijken. ‘Ik had graag geschreven dat we ons minder moeten gaan meten met anderen, maar dat zou vrees ik geen verandering bewerkstelligen. In The Discourse of Inequality schrijft Rousseau (Franse filosoof, red.) dat er in het brein van de moderne mens een sterke competitiedrang zit. Veel mensen wíllen hard werken, door steeds hogere hoepels springen.’
De vraag is of het een ramp is dat het gros van de ambitieuze studenten niet voor de publieke zaak gaat werken. Van Teutem wekt niet de indruk bij McKinsey en Morgan Stanley te zijn omringd door wegkwijnende genieën. ‘Je hoeft geen raketgeleerde te zijn om duurzaamheidsprojecten te copy-pasten of teksten op PowerPoint-slides uit te lijnen’, schrijft hij ook in zijn boek. Hij citeert een jonge ondernemer die zegt dat Wall Street een goede plek is voor de middelmaat.
Maar, voegt de ondernemer daaraan toe, voor de beste 5 procent is het een ‘jammerlijke verspilling van tijd’.
En ook die 5 procent belandt uiteindelijk dáár, zegt Van Teutem. ‘Hoe zou de wereld eruitzien als zij zich volledig zouden concentreren op start-ups die zich richten op malariavaccins of koolstofafvangtechnologie?’ Hij verwijst naar een onderzoek waaruit blijkt dat bedrijven van topstudenten meer innoveren en succesvoller zijn dan die van de gemiddelde ondernemer.
Nederland en de EU moeten het aantrekkelijker maken om start-ups of goede doelen te beginnen, zegt Van Teutem. Hij vertelt over het succes van Charity Entrepreneurship, een Britse ngo die helpt bij het opzetten van goede doelen. Een daarvan is het Lead Exposure Elimination Project (Leep), opgericht door Lucia Coulter, een arts, en Jack Rafferty, een oud-consultant. Dankzij de inspanningen van Leep worden de komende jaren naar schatting honderdduizenden kinderen behoed voor de desastreuze gevolgen van loodvergiftiging.
Hij schetst een toekomstdroom. ‘Ik geloof dat er in 2040 een wereld kan zijn waarin een 32-jarige hoogvlieger niet meer investeringsmemoranda schrijft voor grote oliebedrijven, maar op de Prinses Beatrixlaan in Den Haag een nieuw toeslagenstelsel presenteert bij de Belastingdienst, terwijl tegelijkertijd haar oud-klasgenoot in Rotterdam, in plaats van bij McKinsey te werken, 300 miljoen euro ophaalt voor een start-up in kweekvleestechnologie. Volgens mij kan dat allemaal best de werkelijkheid worden, maar we zijn er nog heel ver van af.’
Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant