De kwartfinales van de Champions League zijn een ode aan de dribbelaars. Over hun aantrekkingskracht, en het ontbreken van het type pingelaar met Nederlandse achtergrond.
is voetbalverslaggever van de Volkskrant.
Het is een betoverende scène, vorige week geregistreerd in het Prinsenpark in Parijs. Chvitsja Kvaratschelia van Paris Saint-Germain dribbelt het strafschopgebied binnen, in zijn typerende stijl met kleine scheenbeschermers en afgezakte kousen.
Op volle snelheid haalt hij de bal onder zijn rechtervoet door naar links, waarmee hij Axel Disasi van Aston Villa tot een tollende, struikelende figurant degradeert. Daarop haalt hij uit met links. Via de paal slaat de bal in het net, achter de verbijsterde wereldkampioen Emiliano Martínez, de doelman. Een fenomenaal doelpunt.
Lamine Yamal van Barcelona passeert op dezelfde avond op zijn ogenschijnlijke gemak tegenstanders van Dortmund, om daarna in volle ren voorzetten te geven, alsof hij met een vriend een balletje overgooit op het strand. Désiré Doué, ook van PSG, heeft een fijnzinnige techniek met ongekend lichte aanrakingen van de bal, luchtkusjes bijna. Is hij geen creatie van AI, neergeplant in het Bois de Boulogne? Nee, Doué is simpelweg de nieuwe sensatie in de stiel.
De dribbelaar danst waarlijk door de kwartfinales van de Champions League. Voetbal, zoals het ooit is begonnen, met een kind, de bal en de lust tot pingelen. De zin van de een om de ander voorbij te gaan, beheerst het miljoenenbal van de volwassenen. Het is genieten geblazen, in de stadions of voor het beeldscherm.
De nieren van de 90-jarige Piet de Visser, de scout die nooit rust vindt, werken lang niet meer op volle sterkte en voor een operatie is hij te oud. Hij wil dolgraag naar zijn voetbalschool in Ghana, maar de dokter schrijft hem iets anders voor: blijf jij maar thuis, in jouw staat, op jouw leeftijd. Rust uit en kijk in de avond maar naar voetbal. Dus ja, het spel houdt hem op de been, onder meer door de wedergeboorte van 4-3-3, het systeem met echte, bijna klassiek te noemen buitenspelers. De kunstzinnigen floreren.
Het 3-5-2, of 5-3-2, een speelwijze zonder klassieke buitenspelers, ontstond mede uit armoede, omdat echte vleugelspelers ontbraken. De verdedigers waren beter dan de aanvallers, het spel zat vast en was statisch. De trainers, ook niet van gisteren, losten die creatieve en speltechnische armoede op door de zogenoemde wingbacks tot speerpunten van hun plannen te maken. Mannen die de hele vleugel kunnen bestrijken, die ergens komen in plaats van ergens zijn, die gevaarlijk kunnen zijn zonder over specifieke wapens te beschikken. Maar hoe goed en waardevol ze ook zijn of waren, ze zijn geen klassieke vleugelaanvallers. De Visser: ‘Denzel Dumfries heeft een geweldige loopbaan, maar hij maakt niet het verschil als dribbelaar. Jeremie Frimpong kan dat wel.’
Het mooie van de huidige eindfase van de Champions League is, dat Europese topclubs met speelse aanvallers op de vleugels voetballen, en dat die mannen ook weten uit te blinken. PSG, Barcelona, Real Madrid, Bayern München, Arsenal. Een keur uit het korps: Gabriel Martinelli en Bukayo Saka van Arsenal, Vinicius van Real Madrid, Kylian Mbappé als hij geen spits is, Ousmane Dembélé van PSG, Raphinha van Barcelona, Karim Adeyemi van Borussia Dortmund, Leroy Sané van Bayern München, en dan Lamine Yamal natuurlijk, Chvitsja Kvaratschelia en Désiré Doué. Natuurlijk, de topclubs hebben geld. Ze kunnen de zeldzame mannen uit het hoogste segment van de voetbalkunde betalen. Ze houden de schaarste op afstand door hun miljoenen.
De Champions League is momenteel de etalage van de edele kunst van de dribbel, op topsnelheid bedreven. Maar in de afdeling daaronder, op de werkvloer bij gewone clubs, heerst relatieve armoede. Iedereen zoekt naar bruikbare buitenspelers, terwijl ze zeldzaam zijn. Kijk naar de eredivisie. Ajax heeft de Belg Mika Godts en oudgediende Bertrand Traoré uit Burkina Faso, Feyenoord Igor Paixão uit Brazilië en Anis Hadj Moussa uit Algerije, FC Utrecht Yoann Cathline uit Frankrijk en Miguel Rodriguez uit Spanje, en zo kun je doorgaan. De Nederlanders?
AZ kan dan nog bogen op Ruben van Bommel, en op de snelle talenten Jayden Addai en Ernest Poku, Go Ahead heeft de Belg Mathis Suray en de Fin Oliver Antman. Een afgevaardigde van Ajax zat zaterdag vlak voor de perstribune in Breda, bij NAC - Go Ahead, onder meer om Antman te bekijken, de razendsnelle rechtsbuiten. Soms zijn de aanvallers op de vleugels spelers uit het derde echelon van de grote voetballanden, maar ze zijn toch goed genoeg om cruciale posities in de eredivisie te bezetten.
Piet de Visser, over het verlangen: ‘Er zijn zoveel spelers op de vleugels die alleen maar naar binnen trekken, liefst om zelf op doel te schieten. Ze geven nauwelijks voorzetten. Je zal maar spits zijn en nooit een bal krijgen. Nee, geef mij maar de echte, klassieke buitenspelers. Antman is zo’n type. Snel, met een dribbel zijn mannetje voorbij en een voorzet geven. Heerlijk.’
Onder Nederlanders zelf is de spoeling dun. Bondscoach Ronald Koeman is altijd op zoek. Grofweg gezegd zijn Cody Gakpo en Noa Lang de besten op de vleugels, met de aantekening dat Lang zo wisselvallig is dat hij vrijwel nooit een vaste waarde is. Hoe kan het, dat die schaarste heerst? De creativiteit is onderdrukt, denken ze hier en daar. Zo stelt Ricardo Moniz, een van de hogepriesters van technische vaardigheid onder voetballers: ‘We zijn niet trouw aan Cruijff en Coerver, niet trouw aan ons verleden. Alles wordt tegenwoordig bepaald door data en performance-coaches.’
Moniz, hoofdtrainer van FC Zürich in Zwitserland, is een van de trouwe aanhangers van de leer van Wiel Coerver, de veertien jaar geleden overleden goeroe van de techniektraining, de dribbel en het passeren. Moniz: ‘De buitenspeler was ons handelsmerk, net zoals de creatieve nummer tien op het middenveld. Ze zijn verdwenen. In het voetbal spelen veel robots, het gaat vooral om de organisatie op het veld. Steeds minder om instinct, om verticaliteit.
‘Vroeger verliep de opbouw via het middenveld, nu via de doelman. Het straatvoetbal is verdwenen en we trekken niet zomaar een blik buitenspelers open. Waar is de zelfwerkzaamheid? Duizend keer tegen de muur trappen. De bal vrijmaken, passen. Edgar Davids trainde op zijn 33ste nog één tegen één. Waar zie je dat nog? Het voetbal is overgeorganiseerd. Het was beter geweest als het Nederlandse voetbal trouw was gebleven aan zijn identiteit, in plaats van heel voorzichtig te zijn, met balbezit en data. Bij Cruijff ging het altijd om lopende mensen, om risico, en elke in de loop meegegeven bal betekent meer risico dan een bal in de voet.’
Hier en daar bezinnen clubs zich op het vergroten van die creativiteit. Directeur Rainel Woerdings van Coerver Coaching, het bedrijf dat de methode uitrolt over de voetbalwereld, geeft aan dat ‘Coerver’ veel meer is dan kappen en draaien. De methode is door de jaren heen geëvolueerd, maar veel clubs in Nederland zijn niet zo geïnteresseerd. Woerdings: ‘Iedereen wil elke keer het wiel opnieuw uitvinden, terwijl wij Wiel Coerver hadden en via zijn methode nog hebben. Van de pakweg drieduizend amateurclubs in Nederland heeft naar schatting een handjevol de methode werkelijk omarmd, terwijl wij bepaald geen verkopers van dromen zijn.’
Voor wie de toekomst voor wil zijn; kijk dinsdag naar Aston Villa - Paris Saint-Germain, of naar Borussia Dortmund - Barcelona. Naar Yamal en Kvaratschelia.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant