Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Joël Feliz (50) reed zes uur om bewijs te vinden voor de moord op een jonge vrouw.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Ik moest naar een dorp in Oost-Groningen waar omwonenden 112 hadden gebeld. Volgens de melding had een vrouw de deur opengedaan voor haar ex, die vervolgens stekend met een mes naar binnen stormde. De vrouw lag levenloos in de gang.
‘Het gekke was: we zagen heel weinig bloed. Het kleine mes dat naast haar lichaam lag, een soort aardappelschilmesje, was ook amper bebloed. De GGD-arts constateerde de dood van die vrouw, maar twijfelde of het door die piepkleine sneetjes in haar hartstreek kwam.
‘Ze werd naar het mortuarium gebracht en onderzocht, omgedraaid en nog eens helemaal bekeken, maar ook de lijkschouwer twijfelde of ze was doodgestoken.
‘Ik belde de officier van dienst, die besloot dat het lichaam zo snel mogelijk voor een sectie moest worden overgebracht naar het NFI, het Nederlands Forensisch Instituut in Den Haag. Het was al avond, en van de plaats delict naar Den Haag was heen en terug zo’n zes uur rijden. Maar ik heb geen moment getwijfeld: we moesten de doodsoorzaak vaststellen. Als haar ex haar heeft doodgestoken, wil je niet dat hij daarmee wegkomt.
‘Met een collega van de Forensische Opsporing reden we in zijn bus, met zwaailichten op het dak en een lijk achterin, alles en iedereen op de snelweg voorbij – een heel surreële ervaring. Bij het NFI was alles al donker en dicht.
‘Een schuifhek ging open en we werden opgewacht door twee forensisch pathologen, een man en een vrouw in werkkleding. Ze stelden zich vriendelijk voor en vroegen aan mij of het de eerste keer was dat ik zo’n sectie ging bijwonen. ‘Ja’, bevestigde ik. Ze zeiden dat ik de ruimte kon verlaten als ik er niet tegen kon. Ik herinner me dat ik het lichaam heb helpen tillen en stond daarna op een afstandje, schuin achter mijn forensische collega, toe te kijken.
‘De ontklede vrouw werd op een stalen onderzoekstafel gelegd, in een ruimte die leek op een operatiekamer met grote lampen en allerlei tangen en apparaten, en ik dacht: daar ligt een mooie, jonge vrouw, levenloos, veel te jong om dood te zijn. Heel verdrietig.
‘Met het wieltje aan een elektrisch zaagje sneden de pathologen haar torso open, dat klinkt als een tandartsboor. Ze tilden het met hun gehandschoende handen het hart eruit, bekeken het van alle kanten en zeiden: ‘Dit is intact’. Ze was dus niet in haar hart gestoken.
‘Toen vreesde ik: ze gaan geen doodsoorzaak vinden. Dan wordt die ex geen verdachte van moord, maar van zware mishandeling, doodslag of poging doodslag. Dat is een wereld van verschil, ook qua straf. Dat is heel moeilijk aan nabestaanden uit te leggen: sorry, moord kunnen we niet bewijzen. Je weet: dat gaan die nabestaanden niet geloven. Dat is heel pijnlijk, wij moeten bewijs verzamelen, je wilt dat burgers op de politie kunnen rekenen, dat er recht wordt gedaan. Dat helpt in het verwerkingsproces.
‘De pathologen tilden één voor één de organen van die vrouw eruit: de lever, longen, nieren. Van alles werd een klein stukje genomen en in reageerbuisjes gestopt. Ik vond het heel bijzonder dat ik daar bij mocht zijn. Wat vooral opviel was hoe netjes het lichaam werd behandeld. Er werd niks onnodig lang bloot gehouden. Zodra een lichaamsdeel was onderzocht, werd het meteen weer met een laken toegedekt, heel respectvol.
‘Het duurde lang, het werd steeds later en mijn vrees nam toe: ze kunnen geen bewijs vinden. De pathologen stopten wattenstaafjes in die kleine sneetjes in de hartstreek, om de diepte en snijrichting te onderzoeken. In de hals van de vrouw, onder haar sleutelbeen, zat ook zo’n klein sneetje. De slagader daaronder werd blootgelegd en in allerlei richtingen gebogen. Ineens zei een van de pathologen: ‘Kijk, hier, in deze slagader zit een piepklein sneetje, van een millimeter. Deze steek is haar fataal geworden. De vrouw is inwendig doodgebloed. Als er een millimeter minder diep was gestoken, had ze het overleefd.’
‘Dat verklaarde waarom we op de plaats delict zo weinig bloed hadden gezien. En toen realiseerde ik me voor het eerst dat je in ons werk heel tegenstrijdige gevoelens tegelijk kunt hebben. Voor me lag een veel te vroeg gestorven jonge vrouw, dat is een tragedie, heel verdrietig, en ik dacht: yes, we hebben hem! Die klootzak komt er niet mee weg. Euforisch appte ik dat meteen naar de OVD, die antwoordde: ‘Goed werk!’
‘En je leert ervan dat alle ketens in de opsporing noodzakelijk zijn: zonder die pathologen hadden wij deze zaak niet opgelost. De dader is veroordeeld. Dat geeft voldoening. Gerechtigheid! En voor jezelf de erkenning dat je het maximale eruit hebt gehaald. Bovendien brengt het rust: niets is zo frustrerend voor nabestaanden als een dader die niet voor zijn daad wordt gestraft. Maar tegelijk heb je, ook nu weer, dat dubbele gevoel: zij krijgen hun geliefde er niet mee terug.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant