Home

Moeten we nou hoop hebben of alleen optimistisch zijn?

Zodra het er niet bepaald de tijden voor zijn, beginnen mensen vaak over hoop en optimisme. De afgelopen maanden was het verschillende keren raak. Eind vorig jaar verscheen het boek Hoop. Over een verstandige verhouding tot de wereld van de Duitse historicus Philipp Blom, die beweert dat hoop houden ondanks een meervoudige existentiële crisis ‘toch nodig’ is. Prima, denk je, gaan we doen. Toen was daar afgelopen week ineens Tommy Wieringa, die in zijn essay voor de Maand van de Filosofie juist pleit voor „optimisme zonder hoop”, want zonder hoop „ontdoe je je ook meteen van de hopeloosheid” – denk daar maar even rustig over na. En dan was er nog de Britse auteur Sumit Paul-Choudhury, auteur van The Bright Side. Een optimistische geschiedenis van de mensheid, die zich, zo las ik onlangs in deze krant, in zijn boek afvraagt of optimisme niet gewoon een ander woord is voor hoop: „Ik ben er ambivalent over.”

Ja heren, wat is het nou? Misschien voortaan eerst even met elkaar om tafel gaan voordat jullie het volk moed in proberen te praten.

Drie mannelijke schrijvers met montuurloze brillen die voor hoop, optimisme of allebei pleiten, als dat geen teken is om onmiddellijk een noodpakket aan te schaffen weet ik het ook niet meer. In mijn pakket kan ook het boekje van Wieringa, al mag de eindtijd niet te lang duren, want het beslaat slechts 89 pagina’s en ik heb het voor deze column al een keer gelezen. De eerste 75 pagina's is er inderdaad niet echt aanleiding voor hoop en ook niet voor optimisme. Wieringa dreunt onvermoeibaar de feiten op: hittegolven, warmterecords, alternatieve feiten, Trump fout, Musk slecht, ja echt wel. „In juni 2024 bereikte de CO2-concentratie in de atmosfeer het recordgemiddelde van 426,91 ppmv [parts per million by volume]. Honderd jaar eerder was dat nog 305 ppmv.” Klinkt alarmerend, is het natuurlijk ook. En voor wie alleen emoties begrijpt, schrijft Wieringa dat een vriendin met ogen „vol tranen” op de stoep staat na de tweede verkiezingsoverwinning van Donald Trump en dat bij hemzelf „de tranen in de ogen schieten” als hij denkt aan de wereld die zijn dochter en haar kinderen te wachten staat.

Als de droge feiten en natte tranen in het essay van Wieringa niet keihard binnenkomen, is dat mogelijk omdat je een hedonist bent en niet behoort tot, zoals Wieringa schrijft, de mensen die „het beest in de bek kijken” en die „de aarde trouw blijven, kortom, en rouwen”. Of het is omdat de akelige feiten vooral Wieringa’s expertise lijken te moeten onderstrepen. Hij heeft kaas gegeten van klimaatverandering en techmiljardairs en dus heeft hij het recht ons te vertellen welke houding we nu het best aan kunnen nemen: optimisme zonder hoop. Als Wieringa afval opraapt op de dijk voor zijn huis, want dat doet hij, doet hij dat vanuit optimisme zonder verwachtingen. Naast hem, schrijft Wieringa, loopt de Chinese filosoof Lao Zi, die mompelt dat je mensen ondanks hun slechte aard niet hoeft af te schrijven. En Lao is er ook voor ons.

De kans dat we binnenkort ook meer vrouwen zullen zien pleiten voor optimisme, „een motor van verzet en subversie. Van openheid, spontaniteit en scheppingsdrang in moeilijke tijden, kenmerken van een vrij mens”, is waarschijnlijk niet groot. Het verwijt naïef of zweverig te zijn ligt op de loer en de meeste vrouwen zullen zich sowieso minder snel geroepen voelen om anderen te vertellen welke basishouding ze in het leven moeten aannemen. Het waren altijd al de mannen – pastors, biechtvaders, aflaatpredikers – die mochten aangeven of er nog hoop was. Voor dit jubeljaar pakte de rooms-katholieke kerk flink uit met het thema ‘pelgrims van hoop'. Daarnaast publiceerde paus Franciscus zijn autobiografie, als eerste paus ooit. De titel: Hoop.

Source: NRC

Previous

Next