Naast hoogleraar is bioloog Menno Schilthuizen ook reisleider voor burgers die nieuwe diersoorten hopen te ontdekken. Daarvoor hoef je niet ver van huis, schrijft hij in zijn nieuwe boek.
is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
‘Stel je een stad voor’, droomt Menno Schilthuizen hardop in zijn nieuwe boek Darwin in de achtertuin – op ontdekkingsreis in je eigen stad, ‘waar bomen, en idealiter alle planten, zich grotendeels spontaan mogen vestigen. De lucht en het water van de stad zitten vol met zaden en sporen van planten die bezig zijn te evolueren tot perfect aangepaste stadsplanten.’
Die gedroomde stad zou veranderen in een oase van ‘biodiverse, op natuurlijke wijze samengestelde ecosystemen in plaats van de kunstmatige soortencombinaties die grotendeels afhankelijk zijn van de grillen van menselijke openbare groenbeheerders’, schrijft de evolutiebioloog.
Schilthuizen, hoogleraar aan de Universiteit Leiden en tegenwoordig prominent ambassadeur voor de burgerwetenschap, mag graag met open blik de wereld bekijken. In zijn boek Darwin in de stad (2018) beschreef hij voor een breed publiek de invloed van toenemende verstedelijking op de evolutie van mens, dier en natuur. Met zijn eigen reisbureau voor burgerwetenschappelijke expedities ontdekt hij geregeld nieuwe diersoorten, zoals de sluipwesp die hij – naar de Amsterdamse vindplaats – Aphaereta vondelparkensis doopte, en de Grouvellinus andrekuipersi op Borneo, genoemd naar astronaut André Kuipers.
De speelse en onderzoekende geest zat er al vroeg in bij Schilthuizen, vertelt hij vanuit de Verenigde Staten, waar hij onder meer verblijft voor de lancering van de Engelstalige versie van zijn boek (The urban naturalist). Dankzij een vader die zijn vrije tijd besteedde aan optica, chemie, fossielen, elektronica en het verzamelen van mineralen. Die ontwierp zelf zijn apparatuur, zoals geigertellers om de radioactiviteit van mineralen te meten, of zaag- en polijstmachines die hij maakte met oude wasmachinemotoren. Dat werkte aanstekelijk.
‘Al vroeg kreeg ik interesse in elektronica, scheikunde, sterrenkunde en archeologie. Mijn vader stimuleerde dat enorm, zelfs als het ten koste ging van mijn schoolwerk. De interesse voor de natuur kwam tot bloei dankzij een biologieleraar op de middelbare school. Al had ik ook chemicus kunnen worden, of archeoloog. Ik hield me wel bezig met dieren, maar een half jaar later konden het ook 17de-eeuwse pijpenkoppen zijn. Inmiddels zijn de biologie en ik wel al heel lang met elkaar verankerd.’
In 2016 was u 50, u zat als hoogleraar en hoofd van een onderzoeksafdeling op het hoogtepunt van een academische carrière, toen u besloot uw hart te volgen: grotendeels weg uit de academische wereld en terug naar de burgerwetenschap. Wat was er gebeurd?
‘Er was niet per se één moment, wel gemengde gevoelens die al langer sluimerden. Ik merkte dat ik in de academische wereld steeds meer tijd kwijt was aan beleidsvergaderingen, het omgaan met managers en invullen van formulieren om werkzaamheden te mogen verrichten die ik altijd als mijn eigen core business beschouwde.
‘Steeds meer onderzoeksactiviteiten worden gecentraliseerd, zodat het voor onderzoekers steeds moeilijker wordt om hun eigen jongenskamertje met collecties en een laboratorium onder eigen beheer te houden.’
Hoe komt dat?
‘Het is een soort efficiëntiedenken dat je in de gehele wetenschappelijke wereld ziet. Logisch, het is ook niet efficiënt als iedere wetenschapper zijn eigen collectie en financiën en laboratorium beheert. Ik heb het zelf ook zo aangepakt toen ik korte tijd hoofd onderzoek was bij Naturalis. Maar ik ben opgegroeid met een romantisch beeld, misschien té romantisch, van de wetenschap. Alle zaken die het voor mij waard maken wetenschapper te zijn, geef ik liever niet uit handen. De vreugde van het wetenschapper zijn werd te klein.’
U bent vast niet de enige met die frustratie.
‘Ik hoor er veel collega’s over klagen. Maar het zit hun waarschijnlijk niet zo hoog dat ze dezelfde stap kunnen of willen nemen. Ik zag mogelijkheden om de oude romantiek weer terug te pakken door voor mezelf te beginnen. Met Taxon Expeditions heb ik een eigen biodiversiteitsinstituutje, dat volop burgerwetenschappers inzet en erover publiceert.’
Uw boek leest als een lang pleidooi voor de burgerwetenschap. Wat is daar zo mooi aan?
‘Ik werd weer helemaal verliefd op mijn eigen vakgebied en op het leven als natuurvorser door het besmettelijke enthousiasme van deelnemers. Ze krijgen er geen salaris voor, hebben de opleiding vaak niet en missen wat middelen. Maar hun motivatie en voldoening zijn vergelijkbaar met professionele wetenschappers.
‘Tijdens expedities in het veld kreeg ik al vaak vragen van passanten die vroegen of je je ergens kon aanmelden om mee te doen. Veel mensen die er wel de hersenen en analytische vermogens voor hebben, denken dat wetenschap voor hen niet is weggelegd omdat ze de opleiding niet hebben. Terwijl het zoveel voldoening kan schenken, juist om je eigen omgeving meer te leren waarderen. Ik wens het iedereen toe om wetenschappelijk actief te worden. Dankzij digitale toepassingen als Merlin, Obsidentify en iNaturalist is het toegankelijker dan ooit om verzamelde gegevens en waarnemingen te delen. Daarom probeer ik dat te stimuleren met dit boek.’
Kan de burgerwetenschap meer dan de academische?
‘De burgers zijn in elk geval met veel meer. Ik beweer niet per se dat de wetenschap erop vooruit zal gaan, maar het zou door die aantallen best kunnen. Maar het gaat mij meer om het levensgeluk van de deelnemers. Door hun deelname ontstaat meer begrip en waardering voor de wetenschap, en dat verkleint de kloof tussen wetenschap en de rest van de wereld.’
U vindt met uw expedities geregeld onontdekte soorten. Is het waarnemen in de natuur in deze tijd van uitsterven en afnames niet vooral het meten van achteruitgang?
‘Op langere termijn is dat ontegenzeggelijk waar. Maar vaker zie je dat mensen meer tegenkomen dan ze verwacht hadden. Dat is dus een positieve verrassing.’
Volgens schattingen zou nog zo’n 80 procent van al het leven op aarde te ontdekken zijn.
‘Zeker. Ook in Nederland. In elke gemeente kun je wel 90 procent aan biodiversiteit toevoegen aan wat bekend was. Natuurlijk geen zoogdieren of vogels, maar wel insecten, mijten, nematoden, spinnen. Over die bulk van de biodiversiteit weten we nog heel weinig. Voor burgerwetenschappers valt daar dus veel te ontdekken.’
Als u maar genoeg nieuwe diertjes opgraaft, neemt de biodiversiteit statistisch toe in plaats van af. Maar het blijft een papieren werkelijkheid.
‘Mensen vragen me vaker hoe het kan dat de biodiversiteit afneemt terwijl we voortdurend nieuwe soorten ontdekken. Het kan natuurlijk allebei tegelijk. Als elk jaar twintigduizend soorten uitsterven, hebben we een hoop soorten daarvan nooit gekend. Tegelijk: als je nu ergens vijf nieuwe soorten ontdekt, zouden daar honderd jaar geleden misschien wel tien nieuwe soorten hebben gezeten. Naarmate we meer ontdekken, weten we ook beter welke soorten uitsterven. Dat is relevant, want zo’n anoniem uitsterven is makkelijker te verteren dan een niet-anoniem uitsterven.’
De stad is de ideale plek voor burgerwetenschap. Ga bijvoorbeeld eens kijken wat zich aan leven ontwikkelt tussen kunstgras, schrijft u.
‘Het verwerpen van kunstgras is gemakkelijk, en dat moeten we ook doen, maar tegelijk heeft elke ingreep gevolgen voor biodiversiteit. Ook tussen kunstgras. Ga dus maar eens kijken welke organismen zich daarin vestigen. Ik denk dat de stad heel snel tot nieuwe ontdekkingen en ontwikkelingen zal leiden, zoals meerkoeten en andere vogels die plastic zwerfvuil gebruiken voor hun nesten. Urbane biologie vergt bovendien geen reiskosten of dure terreinwagens. Ook voor het onderwijs is het heel handig: met studenten in Leiden begint het veldwerk al vlak vóór het universiteitsgebouw. Zelfs binnenshuis kun je onderzoek doen.’
Kunt u eigenlijk nog onbekommerd door de stad lopen?
‘Nee, ik sta altijd aan, merk ik. Naar ieder vlekje op straat of muur kijk ik even: is dat een beestje? En wat dan? Gewoon winkelen is er niet bij.’
U keert zich ook tegen groenbeheerders.
‘Er is wel beweging gaande, maar ik denk dat in Nederland nog steeds een sterk netheidsideaal leeft in de openbare ruimte. Wij zijn het meest aangeharkte land ter wereld, dat is slecht voor de biodiversiteit. De beste stukjes zijn de terreintjes waarvan de buurt zich afvraagt waarom daar niets aan gebeurt. Zet daar een bordje neer met uitleg waarom het terrein niet gemaaid wordt en het begrip neemt toe.’
Intussen planten gemeenten exoten aan en slepen toeristen onder hun schoenzolen uitheemse zaden mee die hier ontkiemen en dankzij klimaatverandering gedijen. Is dat erg?
‘Ik kijk daar pragmatisch naar. Je hebt er weinig invloed op. Vooral kruiden verspreiden zich zo massaal dat het niet valt te beheersen. Maar floristen zitten met de handen in het haar. Aangeplante planten mag je niet invoeren op Waarneming.nl, terwijl ze hier wel een rol krijgen in het ecosysteem. Ze moeten er op eigen kracht gekomen zijn, vinden de floristen. Daar wringt iets tussen de ecologische werkelijkheid en de acceptatie. Ik zeg: laten we die werkelijkheid accepteren. Ecologische interacties gaan toch wel door, ongeacht de lijsten die mensen ervan maken.’
Wat zou u de beginnende burgerwetenschapper aanraden?
‘Ten eerste: sluit je aan bij een actief platform voor biodiversiteitsregistratie, zoals waarneming.nl. Dat is een snelle manier om soorten te leren kennen. En gelijkgestemde mensen, dat is ook van belang. Stap twee: leg een verzameling aan van de soorten die je interesseren. Je gaat zoveel beter kijken wanneer je soorten verzamelt, prepareert – je gaat echt een intieme relatie met ze aan, veel meer dan wanneer je er alleen een foto van maakt.’
Dan gaat het vooral over planten en insecten, en toch niet over vogels en zoogdieren, mag ik aannemen?
‘Inderdaad. Maar je kunt van elk organisme wel iets verzamelen zonder schade aan te richten. Veren van vogels, botjes van zoogdieren, schedels. Het bezoeken van een natuurmuseum helpt ook, maar nadat ik dat als jongetje had gedaan, begon ik direct een verzameling aan te leggen. Ik zou zeggen: onderdruk die neiging niet.’
We kunnen toch niet met z’n allen op jacht naar de laatste vlinders?
‘Je hoort vaker het verwijt: stel dat iedereen dat zal doen… Maar dat zal niet snel gebeuren. Ik denk dat de voordelen van het aanleggen van een verzameling voor je ontwikkeling als burgerwetenschapper niet onderschat moet worden. Wel moet je je altijd rekenschap geven van de kosten en gevolgen van je daad.
‘Het meenemen van schelpen, zaden of kleine insecten die in grote getallen voorkomen, heeft voor de natuur grotere voordelen dan nadelen. Met elke verzamelaar kweek je een natuurbeschermer. Je bent je dan veel beter bewust van wat er is. En dus van wat verloren kan gaan.’
Menno Schilthuizen: Darwin in de achtertuin – op ontdekkingsreis in je eigen stad. Uitgeverij AtlasContact. € 24,99
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant