Home

Een knokige bedoening met kuilen, builen en spleetjes: de kasseien zijn weer klaar voor Parijs-Roubaix

Op de dinsdagochtend voor ‘de Hel van het Noorden’ verzamelen organisatoren en journalisten zich voor een laatste verkenning van de beruchte kasseienstroken. Die liggen er als vanouds levensgevaarlijk bij.

schrijft voor de Volkskrant over wielrennen.

Een glooiende D-weg door het Noord-Franse platteland. Vergezichten tot aan de stad Valenciennes, bij uitzonderlijk mooi voorjaarsweer. Aan de horizon spuugt de thermische centrale van Bouchain rookwolken ter herinnering aan de nijverheid die dit grove deel van Frankrijk überhaupt bestaansrecht biedt.

Kolen, vee en akkerland. Gekromd volk, getekende gezichten. Gehard in de mijnen, berooid na de sluiting. Geen cent te makken, sla schrijver Édouard Louis er maar op na. Ook Vincent van Gogh had er in zijn donkere jaren wel raad mee geweten.

In dat landschap hangen felgele bordjes met zwarte pijlen erop. ‘Paris-Roubaix’ staat erboven. Deze volgen het parcours van de 121ste editie van l’Enfer du Nord, de Hel van het Noorden. Ineens naar rechts, de D400 af, een boerenweggetje in dat op de kaart niet eens een naam heeft. Het verbindt de gehuchten Famars en Artres met elkaar, dwars door de velden, hemelsbreed het snelst van A naar B, maar je zou wel gek zijn als je hier zonder tractorwielen overheen wilt.

Ook met de auto is het geen pretje. Halverwege trilt de inhoud uit het dashboardkastje.

Met de hand gerenoveerd

De ondergrond bestaat uit keien van 15 bij 15 bij 15 centimeter. Kasseien liever, 14 kilo per stuk. Gehouwen uit graniet of zandgesteente. Met de hand gelegd rondom de puinhopen van de Eerste Wereldoorlog en tegenwoordig nog altijd met de hand gerenoveerd – door leerlingen van plaatselijke land- en tuinbouwscholen, boeren met tijd te veel of leden van Les Amis de Paris-Roubaix, een stichting die zich inzet voor het behoud van de kasseien in Noord-Frankrijk.

Betekent niet dat ze er perfect bij liggen, kaarsrecht als de vakjes van een reep chocolade. Integendeel zelfs, het is een knokige bedoening, met kuilen en builen en spleetjes ertussen die precies breed genoeg zijn om met een fietsbandje in vast te raken. Her en der groeit er mos tussen. Op een heiige ochtend of een regenachtige namiddag verandert de stoffige kasseienstrook in een gemeen grijnzende rij verrotte tanden. Handig als je dan van veldrijden weet.

De kasseistrook van Famars naar Artres heeft van de Amaury Sport Organisation, de ASO, nummer 23 gekregen. Tussen startplaats Compiègne en de wielerbaan in Roubaix liggen dertig stroken, die van hoog naar laag aftellen.

Het mannenpeloton heeft zondag al 133,8 kilometer en zeven stroken in de benen als ze hun organen, ledematen en mooie fietsen gedurende 1,2 kilometer nog maar eens door elkaar laten schudden. De vrouwen komen hier niet; zij starten in Denain en rijden dan noordwaarts.

Onbeduidende strook

Het is een onbeduidende strook, er zijn erbij die veel langer zijn, omhoog of juist omlaag lopen, of waarop al veel meer historie werd geschreven. Toch houdt een gevolg van de ASO in grijze Skoda’s hier halt om er iets over te vertellen.

‘We zijn blij dat we deze secteur pavé voor het eerst sinds 2014 weer aan het parcours van Parijs-Roubaix hebben kunnen toevoegen’, zegt Thierry Gouvenou, baas van het parcours, eveneens al vele jaren parcoursbouwer van de Tour de France.

‘We staan hier op vochtige en laaggelegen grond. Dat betekent dat het hier elk jaar blank staat rond deze tijd en de strook onbegaanbaar is. Maar dankzij het werk van lokale vrijwilligers is dat probleem opgelost en kunnen we hier zondag weer fietsen.’

Gouvenou wijst naar een diepe geul van wel een meter breed en diep, die links van de strook is gegraven. Daardoor kan het regenwater, dat er nu overigens helemaal nog niet is gevallen, wegstromen. De geul lijkt wel een potentieel gevaar voor het peloton, als dat zondagmiddag na een scherpe bocht naar rechts nog met frisse benen strook nummer 23 op draait en naar links uitwaaiert.

‘Dat zal wel meevallen’, zegt Gouvenou. ‘Omdat dit de vijfde strook in 12 kilometer is, zal het peloton uit elkaar liggen. Dat is ook precies waarom de rentree ervan zo belangrijk is. Renners worden moe, het tempo gaat eruit. Zo proberen we al een schifting door te voeren.’

Chez Françoise

De laatste verkenning van de kasseien is geheel volgens traditie begonnen bij Chez Françoise, een doodeenvoudig, huiskamerachtig eetcafé in Troisvilles, vlak voor de eerste strook van Parijs-Roubaix. De ASO en de journalisten verzamelen zich er al sinds de jaren tachtig op de dinsdagochtend voor de koers.

Binnen hangt het er vol met krantenartikelen en wielermemorabilia. Destijds liep de koersdirecteur er per toeval binnen, maar hij was zo verrast door het vrolijke gezelschap van eigenaar Françoise Santerre en haar fameuze omeletten dat hij er terug bleef komen, net als zijn opvolgers.

Vanuit het café rijdt er een stoet over elke strook van het parcours, alle 55,3 kilometer, tot aan Roubaix. Via strook 23 en het Complexe Sportif Jean Degros in Denain, voor een persconferentie over de vrouwenkoers, gaat het in tien minuten door naar een van de meest gevreesde stroken van allemaal, de Troué d’Arenberg, of, minstens zo angstaanjagend, het Bos van Wallers.

‘Toegewijde man’

Het was de Pools-Franse renner Jean Stablinski, die als tiener werkte in de mijnen van Wallers, die de strook in 1968 aandroeg bij de organisatie toen men op zoek was naar nieuwe kasseien. Aan het begin van de strook staat een standbeeld voor ‘de nederige en toegewijde man’ Stablinski. De ASO legt er elk jaar op deze dinsdag bloemen.

De strook is 2,3 kilometer lang, maar ligt er zo slecht bij dat menig renner er botten heeft gebroken. De renner die er als eerste op rijdt, kan de ideale lijn kiezen. Meestal is dat door het midden, waar de kasseien nog enigszins recht liggen.

‘Schande voor het wielrennen’

Elk jaar is de strook onderwerp van discussie, als renners hun carrière er op het spel zetten. Twee jaar terug brak Dylan van Baarle, winnaar van het jaar ervoor, er zijn schouder. De Belgische ploegleider Tom Steels sprak toen van ‘een schande voor het wielrennen’ dat er nog altijd door ‘het Bos’ wordt gekoerst. Parcoursbaas Thierry Gouvenou doet er naar eigen zeggen alles aan om het veilig te houden.

Vorig jaar bracht hij vlak voor het opdraaien van het Bos van Wallers een chicane aan om de snelheid uit het peloton te krijgen. Onder anderen Mathieu van der Poel vond dat dan weer levensgevaarlijk. Dit jaar is het parcours met twee knikjes verlegd, zodat de renners er in elk geval niet met 60 kilometer per uur opdraaien. Maar daarna is het toch ieder voor zich. De koers is ontploft.

Gouvenou houdt de weervoorspellingen met argusogen in de gaten. ‘Ze voorspellen een kleine regenkans, wat wolken en wind. Als het daadwerkelijk gaat regenen, verandert dat de hele wedstrijd.’

De perfecte plek

Het zal het echtpaar Adrien (76) en Mireille Daniel (72) uit Normandië een worst wezen. Zij staan al sinds maandagochtend met hun camper bij de ingang van het Bos, samen met hun hondje Yoga, en hebben in tegenstelling tot voorgaande jaren eindelijk de perfecte plek gevonden op ‘het mooiste stuk van het parcours’. Andere jaren moesten ze achter een zee van campers aansluiten.

Na het Bos van Wallers liggen er nog achttien kasseienstroken tot Roubaix, waarvan die in Mons-en-Pévèle en de Carrefour de l’Arbre het moeilijkst zijn. Die hebben van de organisatie net als het Bos vijf sterren gekregen. Pascal Sergent (67), voorzitter van Les Amis de Paris-Roubaix en auteur van twaalf boeken over la reine des classiques, wordt om de haverklap door journalisten aangeklampt. Hij vindt het moeilijk om te kiezen welke strook zijn favoriet is.

Sergent groeide op in Roubaix en miste sinds zijn 8ste maar één editie, toen hij voor zijn werk in de Verenigde Staten zat. ‘Parijs-Roubaix is meer dan een wielerwedstrijd’, zegt hij. ‘Het is ook een ode aan het landschap van Noord-Frankrijk, aan de mijnen en de mijnwerkers, en het is onderdeel van ons cultureel erfgoed.

Muur van geluid

‘Er is maar één moment in het jaar waarop ik kippenvel krijg, en dat is als de renners de wielerbaan van Roubaix binnenrijden. De extase van het publiek, die muur van geluid. Er gaat niets boven dat moment. Nog mooier dan de kasseien.

‘En dan leven we ook nog eens in een tijd waarin de beste renners van hun generatie het hier tegen elkaar op gaan nemen. Mathieu van der Poel is le maître des pavés (de meester van de kasseien, red.), Tadej Pogacar le géant (de gigant, red.). Ze doen me denken aan de strijd tussen Roger De Vlaeminck en Eddy Merckx. Daardoor is het net alsof ik terugga naar mijn kindertijd.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next