is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
Er bestaat in het wielrennen geen mooiere koers dan Parijs-Roubaix. De Ronde van Vlaanderen is een goede tweede, maar Parijs-Roubaix is ongeëvenaard, stelt hoogst zelden teleur, kent bijna altijd gedenkwaardige momenten van vreugde en tragiek. Course de merde, noemde Bernard Hinault de wedstrijd ooit, de enige keer dat ‘strontkoers’ een eretitel was – er was geen klassieker die Hinault liever wilde winnen.
Voor mij is er in het wielrennen één prestatie voorwaarde voor onsterfelijkheid: Parijs-Roubaix winnen. Jonas Vingegaard kan vijf keer de Tour op zijn naam schrijven, zonder Parijs-Roubaix op zijn erelijst blijft hij een twijfelgevalletje. Tadej Pogacar weet dat als geen ander.
Pas sinds hij twee jaar geleden Parijs-Roubaix won is Mathieu van der Poel bovengekomen op mijn wieler-Olympus. Ik begrijp de hartstocht waarmee Wout van Aert jaagt op de zege op de wielerbaan van Roubaix: er is maar één koers die zijn palmares in een stralend perspectief kan zetten, die de waarde van al zijn andere overwinningen verdubbelt. Voor een geslaagde carrière móét hij een keer Parijs-Roubaix winnen.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Op de beroemde, prijswinnende foto van fotograaf Klaas Jan van der Weij kijk je in de lege ogen van Greg LeMond. Hij zit in een douchehokje in het wielerstadion van Roubaix. Het is het voorjaar van 1992, LeMonds ploeggenoot Gilbert Duclos-Lassalle heeft zojuist Parijs-Roubaix gewonnen en een lange doorsneecarrière in één dag veranderd in een glansrijke loopbaan.
LeMond is negende geworden en kijkt het beest uitgeput in de bek: niet alleen la reine des classiques is voorbij, het is zijn leven als wielrenner dat erop zit. Hij zal nog twee seizoenen blijven koersen, maar de gang naar vergetelheid is ingezet en hij weet het.
Het is een foto die zijn kracht ontleent aan Parijs-Roubaix, de koers langs de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog die elke gebeurtenis in een dreigend daglicht zet, die de tijd moeiteloos een eeuw kan terugdraaien – vooral als het regent en modder de coureurs heeft gemummificeerd.
De symboliek ligt er in Parijs-Roubaix zo dik bovenop dat je je als verslaggever moet hoeden voor overdrijving. Parijs-Roubaix is een korte samenvatting van het leven. Je fietst, je valt en staat weer op – of niet.
Elke coureur weet: la Pascale is de koers van de wonderlijke terugkeer. Er is altijd hoop. Het is de enige wedstrijd waarin een achterblijver van wie je dacht dat hij al was afgestapt of zelfs allang was overleden zich opeens weer vol goede moed kan melden in de kopgroep. Dat is het raadsel van de kasseien die zich voor de gelukkige kunnen openen als een snelweg.
Nooit houden wielerfans het weerbericht zo nauwgezet in de gaten als voor de Hel van het Noorden. Wordt het een natte hel of een stoffige? Beide hellen zijn geen pretje, maar de natte hel belooft rampen. Op de kasseien van de natte hel riskeert de coureur zijn leven of in elk geval een blessure waarmee hij minstens voor drie maanden onder de wol verdwijnt.
In alle berichten over een natte hel proef je sadistische hoop. De natte hel vergroot de kans op afschuwelijke valpartijen – je mag er niet naar verlangen, maar de huivering is lekker.
De zondag van Parijs-Roubaix is de enige dag in het jaar waarop wielrenners Romeinse gladiatoren worden die in Compiègne de keizer groeten. Van de tien deelnemers weten er negen dat ze zullen sneuvelen. Maar in Roubaix wacht de eeuwige roem. Josef Fischer, in 1896 de eerste winnaar, is het levende bewijs.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns