In poëtische flarden beschrijft Félicia Viti een relatie tussen twee vrouwen, waarin alleen de seks goed lijkt. Tegen het einde dringt door hoe toxisch die relatie is geweest.
recenseert Franse literatuur voor de Volkskrant.
‘De eerste keer had ik L. gezien als een rijzige kont op zondagmiddag.’ Bam. Dat is lekker binnenkomen.
Met deze openingszin denderde scenarioschrijver Félicia Viti afgelopen herfst de Franse literatuur binnen. Haar debuutroman Het verticale meisje kwam uit bij het prestigieuze uitgevershuis Gallimard, werd meteen bekroond met de Prix de Sade én genomineerd voor een paar andere literaire prijzen. In het persbericht ronkt de Nederlandse uitgever dat Félicia Viti een jonge schrijver is (ze is 35, alles is relatief) en dat die prijs en die nominaties zeldzaam zijn voor een debuut. In Frankrijk, waar de dichtheid aan literaire prijzen de hoogste ter wereld is (2.000 op ruim 109 duizend nieuwe titels per jaar) valt dát ook wel weer mee.
Zeker als je dit debuut plaatst in een traditie van spraakmakende eerste romans waarin vrouwelijke schrijvers openhartig over seks schrijven. We herinneren ons het overrompelende debuut van Virginie Despentes, Baise-moi, van inmiddels dertig jaar geleden, waarmee ze als 25-jarige meteen de Prix Renaudot won. Het gaat over twee jonge vrouwen die zich schaamteloos overgeven aan harde seks en drugs. Dat boek is een kwat in je gezicht.
De Prix Sade, voor erotische literatuur, bestond toen nog niet. Die is in het leven geroepen in 2001, bij het debuut van kunsthistoricus Catherine Millet, Het seksuele leven van Catherine M. Dat is een tamelijk saaie opsomming van seksscènes met de schrijver zelf in de hoofdrol (of als lijdend voorwerp), maar kreeg wel de voornoemde prijs en werd een wereldwijd kassucces. Van recenter datum, uit 2014, is het debuut van Leïla Slimani, In de tuin van het beest. Dit gaat over een nymfomane die op zoek gaat naar steeds wredere seks. Ze haalde er de shortlist van de Prix de Flore mee.
Kortom, vrouwen en seks doen het goed in de literatuur.
Dit doet niets af aan het debuut van Félicia Viti. Het gaat over één liefde, met één sekspartner. Er ontstaat een, op z’n zachtst gezegd, stormachtige relatie tussen de twee vrouwelijke hoofdpersonen. In het eerste deel geeft Viti de lezer weinig houvast. De naamloze ik-persoon schrijft in flarden over haar relatie met L., een mager, wit meisje met groene ogen en soms een doodsverlangen. Er is een vuil appartement met een bed voor de eerste keer, er is een bepaalde lichtval, er zijn ruzies, er is seks in een steeg.
Die associatieve manier van schrijven past bij hoe vaag de relatie is en hoe L. haar wispelturigheid cultiveert. De verteller is zo verliefd dat ze het gevoel heeft dat haar hoofd niet meer goed werkt, L. heeft haar volledig in haar macht. ‘Alsof ze haar prooien met giftige dampen in slaap brengt.’ Een mooie definitie van een femme fatale.
Bij alles voelt de verteller de angst om haar te mishagen. Als L. belt dat ze in een café is en vraagt of de ik-persoon ook komt, legt ze de weg rennend af, bang dat ze te laat is. Ze vreest dat de lakens op bed te schoon zijn, of te vuil. Nooit is iets goed: ze is niet empathisch genoeg, ze glimlacht te breed naar een meisje achter de kassa of ze heeft de verkeerde kleur, ‘zachtpaars’.
Alleen de seks, die is wel goed, dan lijkt er iets van wederzijdse liefde te zijn. De verteller geniet ervan haar geliefde te laten genieten, maar het is voor haar ook een middel om de sfinxachtige L. aan zich te binden. Ze maakt het onderscheid tussen het horizontale meisje en het verticale meisje. Het horizontale meisje zegt: ‘Je maakt me zo gelukkig’, het verticale meisje trekt de ik-persoon langzaam haar gekte in.
Viti schrijft poëtisch, en ook dat past bij die schemerachtige toestand waarin de verteller lijkt te verkeren in het jaar met L. Soms gaat ze daarbij onderuit. ‘Liefde is een vaarwel dat volhardt.’ En dan iets over een grafkelder waarvan ze ons de sleutels niet geeft, die ze niet heeft. Of ‘liefde is een ontoegankelijke plaats’. Het klinkt mooi, maar wat bedoelt ze precies?
Het tweede deel is concreter, met concretere verhalen uit het verleden van de verteller, dat zich afspeelde op Corsica, waar ze ook nu weer is. Een passage over haar vader is prachtig. Hieruit blijkt ook dat Félicia Viti meer heeft om over te vertellen dan alleen een ongelukkige liefde. Pas in het derde deel ziet de ik-persoon met enige afstand hoe toxisch die relatie is geweest. De stijl is hier ook helderder, schoner, alsof de giftige dampen zijn opgetrokken en ze weer scherp kan zien. ‘Ik ben in de val gelopen van het smerige hok dat haar hoofd is.’
Félicia Viti: Het verticale meisje. Uit het Frans vertaald door Kiki Coumans. Vleugels; 98 pagina’s; € 24,50.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant