is wetenschapsjournalist en columnist van de Volkskrant.
‘Demonstreren tegen fascisme is naïef’, staat er boven een artikel in De Kanttekening. Aan het woord is schrijver Bas Heijne, die onlangs drie beroemde essays tegen nationalisme van een inleiding voorzag. Hij is kritisch over de neiging van links om steeds maar weer de barricaden op te klimmen, lees ik. Zo ziet hij radicaal-rechts de boodschap van bewegingen als Extinction Rebellion en Black Lives Matter verdraaien.
‘De reactie van rechts is vaak heftiger, beter georganiseerd én effectiever. Rechts weet progressieve bewegingen te framen als extremistisch en ondermijnt daarmee hun boodschap.’ Volgens Heijne moet het allemaal strategischer. ‘In plaats van demonstreren, moeten we ons richten op organiseren.’
Dat laatste is natuurlijk een uitermate puik idee, maar ik twijfel over de tegenstelling die Heijne creëert tussen de straat opgaan en je organiseren. Je doet, zo lijkt hij te zeggen, het een of het ander. Waartoe je je organiseert, als het niet is om samen te gaan protesteren, vertelt hij er in het artikel niet bij.
Hij zegt wel veel over wat goede manieren zijn om na te denken in donkere tijden: hoe belangrijk het is om de menselijkheid van anderen te blijven zien (zeker waar) en om je eigen opvattingen kritisch te blijven onderzoeken (klopt). Maar als de fascisten definitief te macht grijpen, lijkt de kans me klein dat we ons de ellende uit kunnen overpeinzen.
Over de auteur
Asha ten Broeke is wetenschapsjournalist en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
‘Het vraagt om een voortdurende inspanning om (…) verantwoordelijkheid te nemen voor de mensheid en de planeet’, zegt Heijne, en ook daarin heeft hij gelijk. Maar de vraag is: waar gaan we die inspanning leveren? Thuis op de bank? Of op die barricaden waar we van Heijne dus niet op moeten?
Ik vrees dat velen geneigd zullen zijn tot het eerste. Het neoliberale kapitalisme heeft mensen van elkaar geïsoleerd. ‘There is no such thing as society’, zei Margaret Thatcher ooit, en daarna maakten zij en andere neoliberalen dat waar door ons van gemeenschappen om te vormen tot huishoudens, en van burgers tot consumenten. Als we ons willen organiseren, dan heeft het weinig zin als we in ons eentje de goede boeken lezen, de juiste gedachten hebben en het daarbij laten. We zullen ons burgerschap terug moeten claimen. Samen, want zonder gemeenschap geen verzet.
De straat is bij uitstek de plek om dat te doen. Het is waar dat rechtse droeftoeters zich een slag in de rondte framen na een A12-blokkade of een grote demonstratie tegen racisme en fascisme, maar je protesteert niet alleen voor de beeldvorming. Je bent daar ook om gelijkgestemden te ontmoeten. Om even niet alleen te zijn met je zorgen. Om je te realiseren dat er naast alle haat ook minstens evenveel liefde is in de wereld. Om de mensen die er niet bij zijn te laten zien dat er een strijd is waarbij ze zich kunnen aansluiten. Om ideeën uit te wisselen. Plannen te smeden. Te groeien in je activisme. Je moed te trainen. Zoals de revolutionaire socialist Rosa Luxemburg zei: ‘Wie niet in beweging komt, merkt zijn eigen ketenen niet op.’
We organiseren ons terwijl we een mars lopen, terwijl we na een blokkade naar huis reizen, terwijl we wachten tot onze vrienden vrijkomen uit een politiecel. Je organiseren en actievoeren vormen een voortdurende wisselwerking. Mariama Kaba zegt in haar boek Let this radicalize you: ‘Wat ik tijdens deze vele jaren aan organiseren heb geleerd, is dat het belangrijkste wat je kunt doen om de wereld te veranderen is: handelen. In actie komen is een daad van hoop. Ervaring en betekenis komen voort uit iets doen.’
In het boek How we win vertelt George Lakey over hoe in 1963 het idee voor de March on Washington for Jobs and Freedom ontstond (hij was erbij). De organisatoren waren op zoek naar een verbintenis tussen twee bewegingen – de burgerrechten- en de arbeidersbeweging – die nogal wantrouwig tegenover elkaar stonden. Ze hadden een conferentie kunnen houden en ideeën kunnen uitwisselen, schrijft Lakey, en het risico kunnen nemen dat sprekers elkaar uit argwaan zouden beconcurreren en aftroeven. Maar als mensen elkaar tegenkomen in de voorbereidingen op een grote demonstratie, als ze zij aan zij lopen, dan ontstaat er verbinding.
‘Unity is built around the walk, not the talk’, stelt Lakey. Eenheid creëer je lopend, niet pratend. Op de barricades kom je samen. Verzet ontstaat op straat.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns