Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Wilfred Masselink (66) leek bij een slechtnieuwsgesprek in een absurde film te zijn beland.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Dit is het meest bizarre slechtnieuwsgesprek dat ik ooit heb meegemaakt. En ik heb bij de spoorwegpolitie echt vaak slechtnieuwsgesprekken gevoerd, over mensen die voor de trein zijn gesprongen.
‘Er was een ongeval gebeurd tussen een auto en een trein op een spoorwegovergang in de Bommelerwaard. Mijn collega René en ik reden er samen naartoe, een andere eenheid was al onderweg.
‘Ter plaatse vermoedde ik meteen: dit is geen ongeluk. De spoorbomen waren dicht, maar onbeschadigd. Door de klap met de trein stond die auto zo’n 70 meter verderop dwars op het spoor. De hele voorkant lag eraf. De bestuurder was al naar een mortuarium gebracht. Het ging om een alleenstaande veertiger.
‘Ik zag dat de handrem van de auto was aangetrokken, ook een aanwijzing dat dit geen ongeluk was. We moesten dit onderzoeken. Onze collega’s gingen naar de lijkschouw, René en ik kregen de huissleutels en zouden bij het slachtoffer thuis kijken of er een afscheidsbrief lag, zoals we die wel vaker vonden.
‘We reden naar Den Bosch en belden aan bij een flat. Niemand deed open, dus lieten we onszelf met een sleutel binnen. We schrokken: in de gang hing een kinderjasje en een foto van een gezin van kleur. We waren in de verkeerde woning. Een buurvrouw vertelde dat het appartement was onderverhuurd.
‘Waar woonde hij dan wel? Bij zijn ouders in de buurt van Tiel? We gingen eerst naar het gemeentehuis om de gezinssamenstelling te onderzoeken. Zo kwamen we erachter dat het slachtoffer een broer had die, een vreselijk toeval, als treinmachinist werkte. We vertelden hem telefonisch het slechte nieuws. Hij zou ook naar zijn ouders komen.
‘Die ouders woonden in een vrijstaand huis met een oprijlaan waarop een man stond te harken. Toen hij ons zag begon hij met de hark te dreigen en schreeuwde: ‘Wegwezen! Ik wil geen politie op mijn erf!’ ‘We moeten u iets vertellen’, probeerde ik. ‘Niks mee te maken!’, schreeuwde hij terug. Pas toen René riep dat zijn zoon was overleden, gebaarde hij: kom binnen.
‘In de woonkamer zat zijn echtgenote. Nadat we het slechte nieuws hadden verteld, barstte die man in tranen uit en babbelde zijn vrouw, heel bizar, over koetjes en kalfjes; ze bleek dement. Toen vader was gekalmeerd liep hij naar een telefoon, belde iemand, kon van het huilen niet meer praten en gaf de hoorn aan René. Die kreeg een zus van het slachtoffer aan de lijn. René vroeg of ze ook naar haar ouders wilde komen. ‘Dacht het niet’, zei ze, net zo spottend als ik het nu zeg. ‘Ik woon in Canada.’
‘Omdat die ouders streng gereformeerd waren, belde ik hun kerkgenootschap. Al snel kwamen twee mannen in zwarte pakken met hoge hoeden, alsof we terugreisden in de tijd. Die ouderlingen namen de zorg over, waarna René en ik een paar straten verder reden, waar het slachtoffer bij een hospita bleek te wonen. We belden aan en hoorden gestommel, maar niemand deed open.
‘Met een van de sleutels openden we de voordeur. Binnen stormde een witte pitbull op me af. Die hond deed gelukkig niks, maar je schrikt je rot. Meteen daarna zei René, die iets rook: ‘Dit is niet goed’, en rende twee trappen op. Daarboven zaten twee jongemannen toppen te knippen in een hennepplantage. Een heterdaad. Ik hoorde René zeggen: ‘Jullie zijn aangehouden.’
‘Kort daarna kwam de hospita thuis. We vertelden dat haar huurder was overleden, vroegen of we in zijn kamer mochten kijken of er een afscheidsbrief lag – die lag er niet – en deelden mee dat ze was aangehouden wegens de illegale hennepplantage in haar huis.
‘Toen ontstond er een gekkenhuis: collega’s haalden de arrestanten op, leden van het politieteam Bommelerwaard voerden al die hennepplanten en groeilampen af, elektriciteitsmonteurs kwamen controleren of er illegaal stroom was afgetapt.
‘Wij hadden nog vragen aan die hospita, die ondertussen naar de regionale tv keek, op zoek naar nieuws over het treinongeluk van haar huurder. Plotseling stak een elektricien zijn hoofd om de hoek en zei: ‘We zijn klaar. De rekening is...’ iets van 3.000 euro, herinner ik me. ‘Kunt u dat nu betalen? Nee? Oké, dan geen stroom meer.’ Prompt gingen alle lampen uit en de tv op zwart. Het werd pikdonker en doodstil. Die hele dag leek alsof we in een absurde film waren beland.
‘Nadat alle wietplanten door politiecollega’s waren afgevoerd, vroeg die hospita: ‘Kunnen jullie die hennep niet door de vingers zien?’ ‘Nee, sorry mevrouw’, antwoordden wij, ‘dat kan echt niet.’
‘Er kwam nog gedoe van: waren we bij die heterdaad wel rechtmatig binnengetreden? Ja, bleek later. Want we forceerden niets, niemand hield ons tegen en we onderzochten een doodsoorzaak. Dit verhaal werd in de opleiding een studiecasus over legitiem binnentreden. Sindsdien weet ik: als politie moet je echt op alles voorbereid zijn. Je kunt het zo gek niet bedenken, of wij maken het mee.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant