Koos Verstegen is 100 jaar. Hoe kijkt deze vitale tuinier terug op de eeuw die achter hem ligt?
Koos Verstegen gaat kwiek zijn bezoek voor, door zijn woning en in de tuin, die hij nog zelf onderhoudt. De 100-jarige woont al zijn hele leven in het Brabantse dorp Langenboom, dat hij in de loop der jaren ingrijpend heeft zien veranderen.
U bent de derde 100-jarige uit Langenboom in deze interviewserie, wat maakt dit dorp zo bijzonder dat relatief veel inwoners zo oud worden?
‘Puur geluk. Iets anders kan ik niet bedenken. We hebben hier nu 2.200 inwoners, een vrouw is al 101 jaar, dus ik ben geeneens de oudste. Zonder de steun van mijn kinderen was het mij nooit gelukt om zo oud te worden. Mijn buurvrouw houdt een oogje in het zeil door elke avond te kijken of mijn lamp wel brandt. Dat geeft een veilig gevoel.’
Hoe heeft u het dorpsleven zien veranderen?
‘In mijn jeugd was bijna iedereen in Langenboom boer. Er waren tientallen gemengde bedrijfjes met levende have en landbouw. Wij hadden zes à zeven koeien, een stel kippen, een paar varkens en twee werkpaarden. Ik heb als jongen heel wat kilometers over het land achter de werkpaarden gelopen, bij het binnenhalen van de oogst, zoals tarwe en aardappelen. Zij zijn later vervangen door tractors.
‘Nu zijn er nog maar twee boeren over. Ze hebben in de loop der jaren stukje bij beetje alle grond van de kleine boeren gekocht. Na de oorlog vertrokken veel boerenzonen uit Langenboom naar Australië en Canada, omdat er niet voor iedereen werk was. Emigreren was niks voor mij, en ook niet voor mijn vrouw Riek – we waren erg gehecht aan ons dorp en zijn hier altijd blijven wonen.
‘In mijn jeugd waren er drie bakkers, een slager, een kruidenier en drie cafés – daar is niets meer van over. Voor mijn boodschappen moet ik met mijn auto het dorp uit. Ik rij alleen nog op wegen waar je maximaal 60 kilometer mag rijden. Bijna alles buiten de deur doe ik met de auto, omdat langere afstanden lopen niet meer gaat. Zo rij ik ook naar mijn zoon die 500 meter verderop woont. Gisteren heb ik met de auto hier schuin tegenover een patatje gehaald.’
Hoe ziet uw dagelijks leven eruit?
‘Al tien jaar ben ik mijn vrouw kwijt. Ik kan mij goed vermaken. Ik doe bijna alles zelf: de boodschappen, koken, de was en het onderhoud van mijn tuin en moestuin. Binnenkort ga ik weer zaaien: boontjes, erwtjes, spinazie, allerlei soorten kool en bloemen. Ik ben elk jaar vroeg met oogsten, omdat ik niet kan wachten met zaaien. Zaterdag heb ik de kronkelhazelaar in mijn achtertuin gesnoeid. Alleen het deel waar ik niet bij kan, het bovenste stuk, moet ik nog doen – daar heb ik een trap voor nodig.’
U klimt nog een trap op?
(Verbaasd:) ‘Ja, waarom niet? Mijn kinderen willen mij overal bij helpen, maar wat ik nog zelf kan, doe ik zelf. Tuinieren is mijn hobby en geeft ontspanning. Ik begin wel te merken dat het wat vermoeiender begint te worden. Ik heb nog veel meer bezigheden, zoals mijn kaartclub op dinsdag, koersballen op woensdag in het buurthuis – dat is geweldig gezellig. Koersballen lijkt op bowlen, maar met een bal die niet rond is. Ik ben de oudste speler, de jongste is 79 jaar. Op zondag ga ik naar de kerk hiertegenover. En als er thuiswedstrijden zijn, ben ik zondagmiddag te vinden bij onze voetbalclub SES, Steeds Eendrachtig Samenwerken. Op mijn 17de werd ik lid, ik was de jongste. Het eerste jaar werden we meteen kampioen van de streek, van twaalf à veertien dorpen.
‘We speelden niet op gras, maar op een stuk heide dat de gemeente ons had toegewezen, met overal keien. Een trainer en een coach hadden we niet, we speelden alleen wedstrijden, in een zwarte sportbroek en een witte blouse. En altijd op zondag, want de overige zes dagen van de week werd er gewerkt. Als we een uitwedstrijd hadden, gingen we er met zijn allen op de fiets naartoe, soms wel 25 kilometer verderop, en we kleedden ons om in het plaatselijke café. Het was de pastoor die de voetbalclub in 1937 had opgericht.’
Had de pastoor veel invloed in het dorp?
‘Hij bemoeide zich overal mee en had geen tegenspraak. Dat was gewoon zo. Hij ging families langs als hij vond dat het tijd werd dat er weer een kind werd geboren. De gezinnen waren groot in die tijd. Ik ben de jongste van negen kinderen. In ons dorp was een boer die uit drie huwelijken 24 kinderen had – zijn eerste twee vrouwen overleden. En er was een gezin met een drieling, drie tweelingen en vier losse kinderen en toen na de geboorte van de jongste het even rustig bleef, presteerde de pastoor het om te komen informeren wanneer de volgende kwam. Daar werd ook wel om gelachen hoor.
‘Een vrouw bleef na de bevalling negen dagen op bed liggen, dat was de regel. De eerste zondag daarna moest ze in de kerk op de achterste rij zitten en werd dan op een gegeven moment door de priester naar voren gehaald – dat heet ‘de kerkgang’. De priester zegende haar en daarna werd ze weer als rein beschouwd. De katholieke kerk zag een zwangere en bevallen vrouw dus als onrein. Mijn eigen vrouw heeft deze kerkgang ook nog drie keer gemaakt. Negen dagen na de bevalling gingen moeders weer volop aan het werk in het huishouden, waarin alles met de hand werd gedaan.
‘Ik heb niet eens zolang geleden ontdekt dat na mij nog een meisje is geboren, Truusje, dat na vier weken is overleden. Ik zag het staan in het trouwboekje van mijn ouders, dat ik in handen kreeg. Dat had ik nooit eerder geweten, er is niet over gesproken, ook niet door mijn vijftien jaar oudere zus, die het bewust moet hebben meegemaakt. Er werd weinig gepraat in die tijd, veel bleef geheim.’
Hoe was de oorlogstijd voor u?
‘Ik heb er niet veel van gemerkt. Alleen de eerste vier dagen na de inval van de Duitsers, toen in deze omgeving veel werd gevochten en dorpelingen elders werden ondergebracht. We moesten onze levende have achterlaten. Na de capitulatie keerden we terug. Ik herinner mij de bezettingsjaren vooral als een saaie tijd, omdat niets mocht, er geen festiviteiten waren en je je maar moest zien te vermaken. Voetballen was het enige wat mocht.
‘Een veel moeilijker periode dan de oorlog vond ik de coronatijd een paar jaar geleden. Ik begreep niet goed wat er aan de hand was. Er werden veel woorden gebruikt die ik niet kende, zoals lockdown, covid en pandemie. Ik houd van aanspraak, heb veel sociale contacten en vaak bezoek – ineens mocht dat niet meer. Mijn hele sociale leven viel weg. Ik mocht nergens heen, zelfs geen boodschappen doen. Dat miste ik. Ik was van slag en voelde mij opgesloten.’
Wilde u boer worden, net als uw vader?
‘Als kind had je zelf niet veel te vertellen, je luisterde naar je vader. En mijn vader wilde dat zijn zoons boer werden. Eén broer wilde timmerman worden, dat vond mijn vader verschrikkelijk, want dat beroep had minder aanzien. Mijn broer heeft het toch doorgezet. Ik wilde wel boer worden en mocht naar de hogere landbouwschool, drie dagen in de week. Mijn vader is niet zo oud geworden, hij was vroeg versleten. Na zijn dood ben ik in 1954 getrouwd met Riek, ze trok bij ons in op de boerderij, waar we nog vijftien jaar met onze moeder samenleefden en het bedrijf voortzetten.’
Hoe was dat, als getrouwd stel met uw moeder in huis?
‘Ze bleef de baas spelen. Dat was soms moeilijk voor mijn vrouw – ik stond altijd aan Rieks kant. Mijn moeder ging niet met haar tijd mee, ik als jongste in ons gezin wel. Zodra onze kinderen tieners waren, gingen ze naar een instuif voor jongeren. Dat vond ze maar niks; ‘Moet dat nou?’, zei ze. Nee, het moet niet, maar het is wel leuk voor ze. Ze ging altijd in het zwart gekleed, mijn vrouw probeerde haar ertoe te bewegen ook andere, lichtere kleuren te dragen, dat is maar deels gelukt – het bleef donker. Door deze periode heb ik mij altijd voorgenomen nóóit bij mijn kinderen in te trekken.
‘Ik ben niet altijd boer gebleven. Bij een ongeluk begin jaren zestig met de tractor werden drie pezen van mijn rechterhand doorgesneden, waardoor ik aan kracht verloor. Ik moest stoppen met het bedrijf en kon gelukkig aan de slag in de winkel van de Boerenbond, veevoer en bestrijdingsmiddelen verkopen – zo bleef ik betrokken bij het boerenleven. Ik heb het nooit erg gevonden dat ik niet meer kon boeren. Het was een tijd van grote veranderingen, een gemengd bedrijf houden werd moeilijk, je moest kiezen voor akkerbouw of vee, voor alleen koeien, varkens of kippen en dat in grotere aantallen. Ik was net begonnen met vernieuwen, had een tractor gekocht, maar wist niet of ik het zou redden.’
Wat was de mooiste periode in uw leven?
‘Ik kan niet iets kiezen. Variatie in het leven is mooi. Goede en slechte tijden. Waar ik nu het meest van geniet, is uit eten gaan met mijn kinderen en iets ondernemen met mijn acht kleinkinderen; binnenkort ga ik met ze bowlen. De laatste keer werd ik vierde.’
geboren: 13 februari 1925 in Langenboom
woont: zelfstandig, in Langenboom
familie: 3 kinderen, 8 kleinkinderen, 10 achterkleinkinderen
beroep: boer
weduwnaar sinds 2015
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant