In The Studio wordt een cynische blik op Hollywood afgewisseld met pure filmliefde. Daarmee past het in een lange Hollywoodtraditie van film-over-film, die laveert tussen droom en teleurstelling. Een deep dive in het genre van de Hollywoodsatire, van Mullholland Drive tot BoJack Horseman.
is tv-recensent voor de Volkskrant en schrijft over film.
Voor nieuwbakken studiobaas Matt (Seth Rogen) is film het belangrijkste wat er is. Hij is sinds kort een invloedrijke speler in Hollywood, nu hij als baas mag bepalen welke films wel en niet worden gemaakt. Dat gaat in Apple TV+-serie The Studio met vallen en opstaan, maar: Matt staat in ieder geval aan de creatieve top.
Maar als hij in de zesde aflevering met een date meegaat naar een artsendiner, blijkt hoe ver zijn magische Hollywoodwerkelijkheid afstaat van de realiteit. Zijn tafelgenoten, die daadwerkelijk levens redden, nemen hem en zijn werk nauwelijks serieus. Zelf gaan ze hooguit nog naar de bioscoop voor grote ‘eventfilms’, zoals ‘Barbenheimer’ (filmhits Barbie en Oppenheimer). Van een door Matt geprezen regisseur als Ari Aster (Hereditary) hebben ze nog nooit gehoord.
Wat het extra pijnlijk maakt is dat Matt zichzelf juist ziet als grote voorvechter van de Amerikaanse cinema. Maar als hij tijdens datzelfde diner opbiecht wat op dat moment de grootste films van zijn studio zijn, moet hij beschaamd toegeven dat hij vooral druk is met een apocalyptische komedie over zombies die diarree hebben én een zwaar commerciële film over Kool-Aid Man, de mascotte van het gelijknamige frisdrankmerk.
Tja, je kunt nog zo lopen te pronken met je kennis van klassiekers als Goodfellas en Chinatown, maar in het Hollywood van nu komt een studiobaas met echte filmliefde nergens. Ook in The Studio draait alles vooral om de vraag: waarmee kunnen we zo snel mogelijk zo veel mogelijk geld binnen harken? De vraag of iets kunst is, is dan al gauw bijzaak.
Hoe grotesk de satire in The Studio ook lijkt: het staat allemaal niet heel ver af van de werkelijkheid. De tiendelige serie werd ontwikkeld door hoofdrolspeler Rogen en vaste kompaan Evan Goldberg, die als regisseurs en schrijvers al jaren actief zijn in Hollywood, bijvoorbeeld voor films als Superbad, This is the End en Pineapple Express.
Het zijn dus mensen die weten waarover ze het hebben, wanneer ze dat malle Hollywood en alle schertsfiguren voor en achter de schermen op de hak nemen. De liefde voor film is daarbij een constante, maar botst voortdurend met de realiteit.
Zoals Rogen zei in een interview: ‘Het is geschreven vanuit het perspectief van mensen wier dromen zijn uitgekomen door die industrie, maar die industrie is óók fucking frustrerend en ergerlijk. Je ziet mensen voortdurend keuzes maken die haaks staan op hun liefde voor film.’
Het maakt The Studio een van de doeltreffendste Hollywoodsatires in jaren, waarmee Rogen en Goldberg zich in lange traditie van filmmakers voegen die hun krankzinnigste, geestigste en vernederendste ervaringen in Hollywood hebben gebruikt voor bijtende satire. Van David Lynch en Robert Altman tot de gebroeders Coen: allemaal verwerkten ze hun Hollywoodgrieven in een film.
Daarmee zou je kunnen zeggen dat Hollywood graag naar zichzelf kijkt (wat bepaald geen leugen is), maar het beeld dat opdoemt uit de beste Hollywoodsatire, is zelden vleiend. Wat we vooral zien in geslaagde Hollywoodsatire, is dat films vaker ondanks dan dankzij het systeem een succes worden.
Uit films als The Player, Mulholland Drive en Sunset Boulevard doemt toch vooral het beeld op van Hollywood als een geldbelust, commercieel gedrocht dat het slechtste in mensen naar boven haalt. Hollywoodsatire is in de beste gevallen grappig, extravagant en scherp, maar minstens zo vaak bitter, cynisch en duister.
Veel Hollywoodsatire heeft een afrekenend karakter, zonder daarmee de aantrekkingskracht van Hollywood teniet te doen. Hollywood is ten slotte óók al honderd jaar een plek die blijft lokken, waar elke onbekende kan uitgroeien tot wereldberoemde ster, en waar elk origineel idee in theorie beloond kan worden met een glansrijke carrière.
Dat zien we al in een van de eerste voorbeelden van een Hollywoodsatire: de stille film Show People uit 1928, waarin een vader zijn dochter naar Hollywood brengt omdat hij ervan overtuigd is dat zij een glansrijke carrière voor zich heeft als actrice. ‘Voor al die honderden mensen met hoop bestaat er een gouden plek op de kaart, genaamd Hollywood’, lezen we op het eerste titelkaartje.
Aan die droom is honderd jaar later nauwelijks iets veranderd, want nog altijd trekken aspirant-sterren massaal naar Los Angeles in de hoop op een doorbraak. Dat zo’n reis vaker eindigt in malaise dan succes, is een zorg voor later.
Juist dat inherente spanningsveld tussen Hollywood als droomfabriek en Hollywood als industrie vol ingebouwde teleurstelling, maakt dat satirische films over de Amerikaanse filmscene al een eeuw lang blijven opduiken. Wat voor beeld schetst de beste Hollywoodsatire van de afgelopen eeuw nu precies van die magische, ongrijpbare industrie?
Een van de eerste dingen die studiobaas Matt verkondigt in The Studio is dat hij ‘échte films’ wil maken. Matt is een onvervalste filmnerd, en voelt veel meer voor de klassiekers van weleer dan alle franchisetroep. Hij wil films maken over echte mensen en echte onderwerpen.
Hollywood en de worsteling met ‘authenticiteit’, dat zagen we eerder terug in satirische films als Sullivan’s Travels (1941) en Barton Fink (1991). Want ja, als je films maakt voor de ‘gewone man’, moet je je als maker dan ook niet heel erg inleven in die gewone man? Dat laatste is in ieder geval wat de depressieve komedieregisseur John L. Sullivan denkt in Sullivan’s Travels. Deze Sullivan maakt populaire films (met titels als Ants in Your Plants), maar zoekt wanhopig naar meer diepgang.
De filmstudio wil meer succesvolle komedies voor de gewone man, maar Sullivan heeft andere plannen: hij gaat undercover als ‘gewoon mens’, omdat hij zelf wil ervaren hoe het is om te leven onder erbarmelijke omstandigheden, zodat hij daar een film over kan maken. Die zoektocht naar authenticiteit loopt mis, waarna Sullivan leert dat ‘echtheid’ in Hollywood misschien toch niet het toverwoord is.
Een recentere tegenhanger van zo’n doorgeslagen zoektocht naar authenticiteit in Hollywood zien we in Barton Fink (1991). De gebroeders Coen schreven hun film in drie weken tijd, nadat ze vastliepen in het schrijven van hun script voor Miller’s Crossing.
New Yorkse toneelschrijver Barton (John Turturro) heeft in de jaren veertig een veelgeprezen toneelstuk geschreven, en belandt vervolgens in de klauwen van Hollywood om een simpele worstelfilm te maken. Om zich zo goed mogelijk te kunnen inleven, gaat Barton in een smoezelig hotel wonen, omdat hij wil ervaren hoe het is om te leven als ‘de gewone man’ die zijn film uiteindelijk moet gaan zien.
Die gewone man vindt hij in buurman Charlie (John Goodman), een lobbes die Bartons blik op de werkelijkheid moet gaan vormen. Maar wanneer Barton vastloopt in het schrijfproces, vervagen de grenzen tussen fictie en werkelijkheid steeds meer. Zie hier Hollywood als parasiet van de zogenaamde authenticiteit: in de zoektocht naar films voor de gewone man, belandt de schrijver zelf in een hel, waarna hij door een samenloop van omstandigheden uiteindelijk de simpelste film denkbaar moet maken. Project ‘echte films maken’ mislukt.
In de climax van Barton Fink confronteert Charlie Barton met zijn komst naar het hotel, na een grote geweldsuitbarsting waarin Charlie minder gezellig blijkt dan gedacht: ‘Je denkt dat ik je leven tot een hel heb gemaakt? Kijk maar goed rond in deze puinhoop: je bent niet meer dan een toerist met een typemachine! Maar ik? Ik leef hier!’
Dat Hollywoodsatire nog een stuk duisterder kan, zien we het beste in Billy Wilders Sunset Boulevard en Mulholland Drive van David Lynch. Beide films komen duidelijk voort uit melancholische onvrede over de industrie. In het nachtmerrielabyrint van Lynch zien we dat terug in het tragische verhaal van een jonge actrice (Naomi Watts), die nauwelijks een eerlijke kans krijgt, en langzaam wordt vermalen door het systeem.
De industrie is daarbij een ondoorgrondelijk systeem waarin schimmige figuren achter de schermen zonder duidelijke aanleiding actrices naar voren schuiven die de ster moeten worden. ‘This is the girl’, hoort een regisseur bijvoorbeeld voortdurend, waardoor hij niet kan kiezen voor echt talent. Hollywood, wil Lynch maar laten zien, is een plek waar merites en talent veel minder belangrijk zijn dan status, connecties en onderbuik. En als die industrie zich tegen je keert, zul je langzaam worden vermalen tot er alleen nog een nachtmerrieachtige wereld overblijft.
Geen wonder dat Sunset Boulevard gold als een van de lievelingsfilms van Lynch, want in deze spookachtige Hollywoodsatire van Billy Wilder – over het gedoemde lot van een mislukte schrijver en een vergeten Hollywoodactrice uit het stille filmtijdperk – zien we ook hoe de industrie alles kapot kan maken. Wat Lynch en Wilder laten zien, is hoe hoe kansloos zo’n individu vaak is tegen de ondoorgrondelijke machinaties van het Hollywoodsysteem. Het ene moment ben je een ster, een maand later kan je een paria zijn, die alleen nog mag ronddwalen door de spookkamers van het verleden.
Dat satire in de industrie zelf lang niet altijd wordt gewaardeerd, bleek wel uit de woorden van filmbaas Louis B. Mayer over Wilder na Sunset Boulevard: ‘Je hebt je eigen nest bevuild. Je zou dit land uitgezet moeten worden, jij godvergeten buitenlandse klootzak!’
‘Ik ben groot, het zijn de films die klein zijn geworden!’, roept Norma Desmond tijdens haar eerste kennismaking met geflopte schrijver Joe Gillis in Sunset Boulevard. Waarna we in de film vooral zien dat de industrie na de overgang naar geluidsfilms helemaal niet meer op haar zit te wachten, en haar langzaam vergeet. Zoals we later horen: ‘Hé, jij bent Norma Desmond, jij was ooit iemand!’
Naast de meer verbitterde satire van Mulholland Drive en Sunset Boulevard, bestaat er ook de meer speels-sinistere Hollywoodsatire. Neem bijvoorbeeld de briljante zwarte komedie The Player van Robert Altman, over Griffin Mill (Tim Robbins), een arrogante studiobaas die jaarlijks twaalf scripts mag goedkeuren uit een totaal van vijftigduizend inzendingen. De zaken worden bemoeilijkt als hij concurrentie krijgt van een jonge schrijver en dreigbrieven ontvangt van een rancuneuze afzender. Mill doet er vervolgens alles om zijn status en macht in Hollywood te redden, tot moord aan toe.
Altman speelt daarbij voortdurend met de ego-industrie en de creatieve armoede aan de Hollywoodtop en laat talloze sterren opdraven voor een kort gastoptreden. De cameo van bekende filmsterren is sowieso vaak gemeengoed in Hollywoodsatire: in Sunset Boulevard zien we Buster Keaton, in The Player zien we grote sterren als Bruce Willis en Julia Roberts, en ook The Studio barst van de korte gastoptredens van Hollywoodadel, zoals Martin Scorsese en Ron Howard.
Ook noemenswaardig in deze categorie: de heerlijke misdaadkomedie Get Shorty, over een woekeraar (John Travolta) die geld moet innen bij een regisseur met schulden (Gene Hackman) en eenmaal in Hollywood ontdekt dat hij een passie heeft voor film. De manier waarop Hollywood werkt, blijkt daarbij helemaal niet zoveel te verschillen van de maffiawereld.
Studiobaas Mill krijgt een koekje van eigen deeg wanneer een aspirant-schrijver hem impliciet confronteert met zijn misdaden. Maar ja, met wat gezonde chantage valt er in Hollywood altijd wat te regelen; een goed verhaal is nu eenmaal een goede film.
Damien Chazelles Babylon flopte in de bioscopen, en werd wisselend ontvangen door critici. Onterecht, want geen film was de afgelopen jaren een van de betere satires op het veranderende tijdperk én de blijvende aantrekkingskracht van Hollywood. Babylon speelt zich eind jaren twintig van de vorige eeuw af, als de industrie aan de vooravond staat van de overgang van de stille film naar de geluidsfilm. Daarbij refereert Chazelle gretig naar onovertroffen musicalklassieker Singin’ in the Rain, een Hollywoodsatire uit het feelgoodhoekje.
Zelfs diegenen die uit Hollywood worden verjaagd, zullen altijd gevoelig blijven voor de magische aantrekkingskracht. Als een toevallig doorgebroken filmsterretje (Margot Robbie) aan aspirant-Hollywoodproducent Manny (Diego Calva) vraagt waarom hij zó graag in de industrie wil werken, reageert hij: ‘Ik wil deel uitmaken van iets groters. Iets belangrijks, iets dat blijft.’
Aan het eind van de film zit diezelfde Manny huilend in een bioscoopzaal, terwijl de hele geschiedenis (en toekomst) van de cinema aan hem voorbijtrekt. Chazelle heeft in de drie uur daarvoor alles laten zien wat satirische voorlopers ook deden: het vermalen van het individu, het slopen van authenticiteit, de criminele instincten van de industrie en de egotripperij van alle sterren, maar sluit toch af met een diepgevoeld pleidooi voor de magie van cinema.
De beste Hollywoodsatire is in dat opzicht toch vaak een diep cynische liefdesbrief, richting een industrie waar veel makers nooit helemaal met en zonder kunnen: Hollywood zal voor hen altijd de giftige geliefde blijven om steeds naar terug te keren.
Ook in The Studio gaat dat op, als de personages in een zeldzaam moment van oprechtheid ‘Movies! Movies! Movies!’ schreeuwen, hun armen in de lucht. Uiteindelijk is dat bijna altijd de les van Hollywoodsatire: hoezeer het ook laat zien dat de industrie vaak iets giftigs, lachwekkends, bitters of verwerpelijks is, blijft niets zo aanlokkelijk als die ene plek op de kaart waar al die honderden mensen met hoop jaarlijks op blijven afkomen.
Een gevallen acteur (Brad Pitt) komt verhaal halen bij een roddeljournalist (Jean Smart), nu zij in een column heeft beweerd dat zijn tijd voorbij is. In een zeldzaam moment van eerlijkheid zegt zij vervolgens: ‘Er zullen nog honderden mensen zijn zoals jij, en honderden mensen zoals ik. Op een bepaald moment zal iedereen die nu in de industrie werkt dood zijn. Maar die films blijven voor altijd bestaan. Je hebt een cadeau gekregen, wees dankbaar. Je bent nu klaar, maar je blijft voor altijd onder engelen en geesten.’
1. BoJack Horseman: briljante serie over een alcoholistische, narcistische paard-acteur, waarin ‘Hollywoo’ voortdurend de slechtste instincten aanboort in de sterren.
2. Bowfinger: Steve Martin is een geflopte Hollywoodproducent die een film wil maken over ‘regen-aliens’. Wanneer zijn gedroomde filmster (Eddie Murphy) niet wil meewerken, besluit hij hem stiekem te filmen.
3. Dream Productions: speelse spin-off-serie van de Inside Out-films, waarin de dromen van puber Riley worden gefabriceerd als ware ze afkomstig zijn uit een volwaardige Hollywoodstudio.
4. State and Main: een filmproductie ontwricht de boel in een gemoedelijk Amerikaans dorpje, want de hoofdrolspeler blijkt een pedofiel, de regisseur heeft lak aan alle lokale mores, en de schrijver kampt met een writer’s block.
5. Barry: een depressieve huurmoordenaar belandt in deze zwart-komische serie toevallig in een acteerklasje en blijkt zowaar enige aanleg te hebben, vooral wanneer hij zijn trauma’s verwerkt in zijn spel.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant