Home

Het stadse lawaai wordt vogels soms te veel, leerde Amsterdams onderzoek, maar er is een oplossing

Door zelfgemaakte neprupsen in bomen te hangen, testten Amsterdamse onderzoekers hoe stadsherrie het gedrag van vogels beïnvloedt. ‘Het plaatsen van dichte begroeiing kan al aanzienlijk schelen in het geluid.’

is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.

Een gure wind, voorbijrazend autoverkeer en laagvliegende Boeings tekenen de sfeer op deze waterkoude morgen nabij de Amsterdamse Zuidas. Tussen de betonnen en glazen tempels van advocatuur en private equity, is onderzoeker Juan Antonio Hernández Agüero (33) op zoek naar een boom. Waar stond die ook alweer? Ah ja, hier: tussen wat andere boompjes langs een ventweg vinden we een kleine zomereik. ‘Zijn’ eikenboompje, waar de onderzoeker van het Instituut voor Milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit iets boven ooghoogte een thermometertje heeft opgehangen.

Het is een van de 38 bomen in Amsterdam waarmee de Spanjaard, samen met student Bas Krijnen, een apart project deed: het duo onderzocht de relatie tussen geluid en biodiversiteit in de stad. In de bomen, verspreid over heel Amsterdam, hingen zij niet alleen thermometers om de zeer plaatselijke temperatuurverschillen te meten, maar ook zelfgemaakte rupsen.

Met kinderklei boetseerden de onderzoekers 114 ‘rupsen’ met ijzerdraadjes en gele, blauwe en bruine ‘lijfjes’ van enkele centimeters lang. Hoe onvoorstelbaar ook: vogels trapten daar in en pikten met hun snavels in de nepbeestjes. De afdrukken daarvan lieten zich eenvoudig aflezen. Elke maand inspecteerde het duo het aantal ‘aanvallen’ op de rupsen.

‘Vogels zijn niet achterlijk, maar ze proberen toch vaak even of dit te eten is’, zegt Hernández Agüero. Verrassend weetje, waar het onderzoek helemaal niet over ging: de bruine rupsen werden vaker aangepikt dan de gele en groene. De onderzoeker: ‘Waarschijnlijk omdat geel een kleur van gevaar is en groen in de zomer tussen alle bladgroei minder goed te zien is.’

Temperatuur, geluid en kunstlicht

Hoe meer beten, hoe hoger de biodiversiteit, zo was de gedachte. In totaal legde het duo bijna vijfhonderd beten vast, verspreid over zeven maanden. Die gegevens koppelden de onderzoekers aan de gemeten temperatuur ter plekke, aan de hoeveelheid kunstlicht in de buurt en de mate van geluid, afkomstig van satellietgegevens en modellen die de gemeente Amsterdam beschikbaar had over geluid en lichtvervuiling. En zo konden de wetenschappers conclusies trekken over de samenhang daartussen. Over de invloed van geluid en kunstlicht op stadsvogels, bijvoorbeeld. Maar ook het effect van de aanwezigheid van water en de menselijke dichtheid in de buurt waren deel van het onderzoek.

Van die factoren bleek geluid de belangrijkste indicator voor biodiversiteit in de stad. ‘Dieren schrikken van ons geluid’, is de eenvoudige gedachte vooraf. Waar veel geluid van trams, treinen en auto’s is, registreerden de onderzoekers ook minder aanvallen op rupsen, en dus zitten er vermoedelijk ook minder vogels in dat gebied. Dat heeft gevolgen, bijvoorbeeld voor natuurlijke plaagdierbestrijding in de directe nabijheid van wegen of spoorlijnen. Die is daar lager dan elders, omdat vogels die lawaaizones liever mijden en daar dus minder of geen insecten verorberen.

Er bestaat een oplossing voor, zegt Hernández Agüero: geluidswallen. Bedoelt hij dat de hele stad moet worden volgebouwd met schermen zoals die om bewoning langs snelwegen staan? Nee, het kan subtieler. ‘Ook het plaatsen van dichte begroeiing kan al aanzienlijk schelen in het geluid’, aldus de ecoloog. Met als bijkomend voordeel dat zulke groene schermen de aanblik vriendelijker maken voor stadsmensen, extra schuil- en nestruimte bieden voor stadsdieren en een bijdrage leveren tegen zogeheten ‘hitte-eilanden’ in de stad.

Het soort licht maakt uit

Ook interessant: de invloed van kunstlicht op het dierenleven. In stadsdelen waar grote kantoorpanden de hele avond en nacht met kunstlicht worden verlicht, pikten vogels minder neprupsen aan dan op donkerder plekken in de stad. Al schommelden de metingen wel met de maanden: in april vonden op de verlichte plekken meer rupsenaanvallen plaats dan in mei, vermoedelijk omdat in april de dagen wat langer worden opgerekt door kunstlicht dan een maand later. Algemener gesteld: menselijke invloeden verhogen de vogelactiviteit tijdens koude en donkere perioden, maar hebben een negatief effect tijdens warmere en lichtere perioden.

Ook het soort licht heeft invloed op het dierenleven, zegt Hernández Agüero: ‘In Amsterdam schijnt veel ledlicht. Dat is fel, kil licht dat veel insecten aantrekt. Die worden daardoor ook vaker aangevallen, waardoor de insectenstand daar sterker afneemt. In het geval van plagen is dat winst, in alle andere gevallen een verlies van biodiversiteit. Een eenvoudige oplossing daarvoor zou het gebruik van andersoortig kunstlicht kunnen zijn. Zo bestaat er ook een soort amberkleurig ledlicht. Dat trekt minder insecten aan en dus worden ze minder aangevallen.’

Voor vervolgonderzoek kijkt het Instituut voor Milieuvraagstukken naar de vraag of het mijden van drukke plekken door vogels maakt dat insectenplagen daar vaker voorkomen.

Steden als laboratorium

Uiteraard zou Hernández Agüero zijn wetenschappelijke blik graag verruimen, liefst naar geheel Europa. Overal lijken steden immers een steeds belangrijker rol te spelen voor zowel mens als dier.

Rond die dynamiek valt veel te onderzoeken, weet hij: ‘In warmere delen van de stad krijgen bomen eerder bladeren dan elders. Daar hebben insecten dus langer gelegenheid om zich te voeden en dat heeft weer gevolgen voor insectenetende vogels. Ik zou graag onderzoeken welke soorten bomen en vogels daar de grootste rol in spelen.’ Dat laatste heeft hij in Amsterdam niet gedaan: bij het tellen van vogelbeten op de kunstrupsen ging het hem enkel om de aantallen, niet om de vogelsoorten.

Ook van belang is de vraag of insectenplagen, zoals van de eikenprocessierups of schadelijke kevers, meer voorkomen op plekken waar geluid en menselijke activiteit de oorzaak zijn van minder vogels die de insecten eten. ‘Steden zijn nu een soort laboratorium waar we zien hoe de biodiversiteit zich de komende dertig of veertig jaar zal ontwikkelen’, verklaart Hernández Agüero zijn belangstelling. ‘In het noordelijk deel van de wereld althans, waar dieren onder meer profiteren van de wat hogere temperaturen dan buiten de stad. In de tropen speelt dat effect niet: daar wordt het eerder te heet in steden. Maar in dit deel van de wereld wordt de stad steeds belangrijker voor biodiversiteit. Dat maakt dit onderzoek zo fascinerend.’

Verkeerslawaai overstemt alarmroep

Dat geluiden in de stad invloed hebben op vogels, is vaker onderzocht en bewezen. In 2016 publiceerden Amerikaanse onderzoekers in het tijdschrift Biology Letters de resultaten van een proef die zij deden met kardinalen, zangvogels die in de Verenigde Staten voorkomen. Om elkaar te waarschuwen voor roofdieren, produceren kardinalen specifieke geluidjes. De onderzoekers lieten opnamen van die geluiden horen aan kardinalen in rustige gebieden en aan soortgenoten in de buurt van snelwegen. De eerste groep reageerde alert op de alarmroepjes, de vogels langs de snelwegen reageerden niet. Het verkeerslawaai overstemde de alarmroepjes dus, volgens de onderzoekers de reden waarom ze langs snelwegen in aantallen afnamen.

In 2020 verscheen een grootschalig Amerikaans onderzoek naar het broedgedrag van vogels onder invloed van licht en geluid. Uit gegevens van ruim 58 duizend nesten van 142 soorten bleek dat vogels zich bij het leggen van eieren mede laten leiden door de lengte van de dagen. Door lichtvervuiling kunnen de vogels de indruk krijgen dat de dagen langer zijn en gaan ze eerder in het jaar eieren leggen. Vooral in open gebieden kan dat een risico zijn, omdat bij het uitkomen van de eitjes mogelijk nog niet voldoende voedsel beschikbaar is voor de jongen.

Lawaai bleek nadelig voor vogels, vooral voor soorten die in bossen leven en relatief lage tonen produceren. Die kunnen de roep van soortgenoten minder goed horen bij ander lawaai. Daardoor ontstaan minder paartjes en dus is er minder voortplanting van de soort.

Complex is deze materie ook. Zo is lawaai slecht voor het broedsucces van huismussen, maar door lichtvervuiling stijgt dat succes juist weer.

Alles over wetenschap vindt u hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next