De nieuwe heffingen van Trump zouden gebaseerd zijn op de heffingen die andere landen aan de VS opleggen. Maar die heffingen van andere landen zijn in werkelijkheid compleet anders dan de getoonde percentages. Hoe komt Trump dan toch tot zijn cijfers?
is datajournalist van de Volkskrant en analyseert en schrijft over het nieuws in cijfers.
Het Witte Huis zegt bij het bepalen van de belasting die handelspartners op Amerikaanse goederen heffen niet alleen van importheffingen uit te gaan, maar ook monetaire barrières en ander ‘valsspelen’ te verdisconteren. Dat zou het verschil moeten verklaren tussen het tarief dat de Europese Unie zegt te heffen op Amerikaanse goederen (gemiddeld 1 procent) en wat het volgens de VS is (39 procent).
Maar in de praktijk blijkt de berekening als volgt te werken. De EU exporteerde in 2024 voor 605,8 miljard dollar naar de VS en importeerde slechts 370,2 miljard dollar aan Amerikaanse goederen. Het verschil, de handelsbalans, is 235,6 miljard. De verhouding, de import minus de export gedeeld door de import is 39 procent, precies de heffing die Trump noemt bij de EU. De helft daarvan, naar boven afgerond, gaat nu voor Europese export naar de VS gelden: 20 procent.
De Verenigde Staten kijken voor het vaststellen van de importtarieven alleen naar de handelsbalans, het verschil tussen import en export. Trump wil meer exporteren dan importeren. Hoe schever de verhouding tussen import en export is, hoe hoger de importheffing voor een land.
Met de handelsbalans en de import zijn de percentages te herleiden waarop de nieuwe heffingen zijn gebaseerd. Een uitzondering is er voor landen waarmee de VS een handelsoverschot hebben. Dat zijn landen die meer Amerikaanse goederen importeren dan ze naar de VS exporteren. Voor deze landen, zoals Brazilië en Groot-Brittannië, geldt het minimum van 10 procent. Ook krijgen grote handelspartners Mexico en Canada geen nieuwe heffingen opgelegd, de eerder dit jaar vastgestelde 25 procent blijft staan.
Door de berekening klakkeloos op alle handelscijfers toe te passen ontstaan bijzondere effecten. Kleine economische spelers, zoals Cambodja (49 procent), Angola (32 procent) en Guyana (38 procent) krijgen te maken met een hoge heffing. Deze landen exporteren vanwege lage kosten veel meer naar de Verenigde Staten dan dat ze importeren.
Het nieuwe beleid wordt gekenmerkt door vele rare uitschieters. De hoogste heffing, 50 procent, is er voor het piepkleine Saint Pierre en Miquelon, een Frans overzees gebiedsdeel met vijfduizend inwoners. In 2024 exporteerde de archipel van acht eilandjes voor 3,4 miljoen dollar naar de Verenigde Staten volgens de US Census, en importeerde goederen ter waarde van 100 duizend dollar. Volgens de VS is dit equivalent aan een heffing van 99 procent. Daaruit volgt dat alle import vanuit deze minieme economie voortaan met 50 procent belast wordt.
Voor Australië, met een grotere import dan export vanuit de VS, geldt het ‘minimumtarief’ van 10 procent. Maar voor de Heard en MacDonaldeilanden bij Antarctica, die onder Australisch bewind vallen, is een uitzondering gemaakt, en daar is de heffing 37 procent. Geen probleem voor de inwoners, de eilanden zijn onbewoond.
De US Trade Representative, de handelsgezant, publiceerde een toelichting. Daaruit blijkt dat een wederkerig tarief niet de grondslag is, maar dat de heffingen zijn berekend met als doen de handelsbalans naar 0 te krijgen. De bijgevoegde formule doet vermoeden dat er een doorwrochte berekening ten grondslag ligt aan de tarieven, maar kan vereenvoudigd worden tot de hierboven genoemde handelsbalans gedeeld door de import.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant