Door de torenhoge woonkosten wordt schrijver Dan Afrifa, net als veel andere Amsterdammers, uit zijn geboortestad verdreven. In een poging zich met zijn lot te verzoenen, vraagt hij zich af wie er nog aanspraak mag maken op de stad.
‘Deze huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd met een minimale duur van 12 maanden.’ Handtekening. ‘Het is de huurder uitdrukkelijk verboden warme pannen en dergelijke direct op het aanrecht te zetten, alsmede het aanrecht als snijplank te gebruiken.’ Handtekening. ‘Huurder is verplicht om bij de gemeente waarin het gehuurde gelegen is aangifte te doen van het adres van het gehuurde als woonadres.’ Droevige handtekening.
Tijdens de kredietcrisis las ik als puber constant over dalende woningprijzen. Ik dacht dat er tegen de tijd dat ik was afgestudeerd en de economie weer hersteld was, genoeg betaalbare woningen zouden zijn. Nooit had ik verwacht dat de woningmarkt rond mijn 30ste in een totaal andere crisis zou verkeren, met torenhoge woonkosten die mij uit mijn geboortestad drijven. Hoe verzoen ik me met mijn aftocht uit Amsterdam?
Volgens stadsgeograaf Cody Hochstenbach is de huidige wooncrisis het resultaat van doelbewust beleid en politieke keuzen van de afgelopen decennia. In zijn boek Uitgewoond (2022) betoogt hij dat de nadruk op eigenwoningbezit, ten koste van de sociale huursector, heeft geleid tot stijgende huizenprijzen.
Ook de verkoop van corporatiewoningen en het aantrekken van beleggers op de woningmarkt droegen bij aan het tekort aan betaalbare woningen. Al is de trend in 2025 dat beleggers juist hun huurhuizen dumpen, vanwege strengere huurregels, zoals de Wet Betaalbare Huur die voor zo’n 300 duizend woningen de huurinkomsten heeft verlaagd.
Wat de oorzaak ook is, het aanwijzen van schuldigen neemt mijn droefheid niet weg. Ik vrees dat ik in mijn nieuwe thuis moet leren samenleven met deze emotie, zoals jonge mensen volgens Hochstenbach noodgedwongen samenwonen door de wooncrisis.
Maar eerst probeer ik de droefheid de deur te wijzen, zodat hij niet meeverhuist. Door me af te vragen of mijn gemoed rondom de verhuizing wel gegrond is. Want op welke manieren kun je eigenlijk zeggen dat je in een specifieke plaats hoort te kunnen (blijven) wonen?
Ik ben (nog even) een Amsterdammer omdat mijn ouders zich begin jaren negentig, zoals vele andere Ghanezen, in de beruchtste buurt van de Nederlandse hoofdstad vestigden. Ik groeide op in een jarenzeventigappartement van wel 100 vierkante meter groot met uitzicht op het Ajaxstadion. Groot waren ook de mensendrollen in de trappenhal en de ratten die je van acht hoog zag foerageren tussen het vuilnis aan de voet van de galerijflat.
Op mijn 12de, tijdens de grootschalige sloop en vernieuwing van de Bijlmer, verhuisden we naar een nieuwbouwbuurt iets verderop. Op mijn 26ste vloog ik uit en streek ik neer binnen de Ring A10, waar het Amsterdamse sprookje nu op mijn 30ste afloopt.
Op wat mijn laatste Amsterdamse verjaardag zou blijken, kreeg ik De stad cadeau. In dit zeer geslaagde verhaal over Amsterdam van 1980 tot vandaag beschrijft journalist Marcel van Engelen hoe veel geboren en getogen Amsterdammers de stad verlaten, omdat hun geboortegrond hun te duur onder de voeten is geworden.
Zo lag de gemiddelde woningverkoopprijs in 2024 op 617.647 euro. Van Engelen schrijft dat wonen in Amsterdam deels ontoegankelijker werd door vernieuwingsoperaties van buurten zoals de Bijlmer, waardoor de voorraad sociale huurwoningen met tienduizenden slonk.
Stadsgeograaf Hochstenbach noemt Wenen hét voorbeeld van een stad waar betaalbare volkshuisvesting heilig is gebleven. Hij noteert dat zo’n twee op de drie woningen in de Oostenrijkse hoofdstad gereguleerde huur zijn, en dankzij ruime regels komt ongeveer 80 procent van de Weense huishoudens ervoor in aanmerking. De gemiddelde wachttijd? 14 maanden. In de populairste buurt vijf jaar. Weners blijven dus relatief gemakkelijk Weners.
In Amsterdam bedraagt de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning – met een maandelijkse huur tot 900,07 euro – meer dan dertien jaar. Alleenstaanden mogen maximaal 49.699 euro per jaar verdienen en partners samen 54.847 euro om in aanmerking te komen. In de middenhuur (tot 1.184,82 euro per maand) liggen de inkomensgrenzen op 67.366 en 89.821 euro.
Alles daarboven valt in de vrije sector; in Amsterdam betalen nieuwe vrije huurders gemiddeld 2.191 euro per maand. En net zoals op de koopmarkt is overbieden (op de huurprijs dus!) geen uitzondering meer.
Opkomen voor geboren en getogen Amsterdammers impliceert een soort geboorterecht, dat ons wordt ontzegd als we niet in de stad kunnen blijven. Dit wordt in beperkte mate ondersteund door de Huisvestingsverordening van Amsterdam, waarin de gemeentelijke regels voor de gereguleerde huur staan. Zo krijgen jongeren tot 28 jaar voorrang op jongerenwoningen als ze zes jaar aaneengesloten in de stad wonen. Wie zes jaar in één stadsdeel woont, kan voorrang krijgen op nieuwbouw binnen dat stadsdeel.
Met engelengeduld kom je dus een eind, maar met een zak goud kom je sneller aan een Amsterdamse huissleutel. Natuurlijk valt er veel voor te zeggen dat geld niet zou moeten bepalen of je kunt blijven wonen op de plek waar je familie, vrienden en verleden zijn.
Maar om me te verzoenen met mijn aftocht – die al in veelvoud is ondertekend – speel ik even de advocaat van de duivel: is het niet eerlijk dat ook ik, als geboren Amsterdammer, (meer) mijn financiële best moet doen voor deze gewilde stad? Ik heb immers niets hoeven doen om mezelf Amsterdammer te mogen noemen.
Anders dan mijn ouders’ generatie, die hier kwam en een gemeenschap opbouwde toen de stad nog bezaaid lag met hondenpoep, gebruikte naalden en de immigratiepolitie. Zij hebben ‘het recht om te blijven’ meer verdiend dan ik. Bovendien binden hun Ghanese winkeltjes, kerken en netwerken hen sterk aan hun lokale gemeenschap en woonomgeving.
Ik, die in Nederland ben opgegroeid, ben breder georiënteerd en meer betrokken bij het land en de maatschappij als geheel. En hoewel veel Amsterdammers zich dat vast moeilijk kunnen voorstellen, red ik me daardoor waarschijnlijk ook prima in andere (stedelijke) gemeenten.
Zo kom ik op de volgende manier om aanspraak op de stad te baseren. Naast een diepe worteling in de stadsgrond gaat het om een levensstijl die toegesneden is op het stadsmilieu. In de verslaggeving over het Amsterdamse leven gaat het de laatste jaren geregeld over een soort stadsmens dat je op de terrasjes herkent aan de plantaardige cappuccino’s en natuurwijnen die niet naar de maag stromen, maar rechtstreeks naar de identiteit.
Dit zijn dé grootverbruikers van de grootstedelijke geneugten, met een innerlijk kompas dat afgestemd is op de hipste uitgaansgelegenheden en restaurants. Ik daarentegen ga nog als een dagjesmens via Google Maps op zoek naar leuke horeca. Als ik al de deur uitga, want de fear of missing out is bang voor míj. Zo zat ik met oud en nieuw thuis op de bank De stad te lezen, terwijl elders het 750ste bestaansjaar van Amsterdam werd ingeluid.
Maar tot een jaar geleden bezondigde ook ik me aan het stadse hedonisme. ’s Ochtends ging ik vaak niet werken, maar ging ik naar een van de vele Amsterdamse filmhuizen. Aansluitend ging ik ergens havercappu’s drinken en op mijn laptop ‘aan de slag’. Ten slotte ging ik zitten lezen langs het IJ achter het Centraal Station.
In mijn hoofd leefde ik een Amsterdamse variant van een citaat uit de roman Gloed van de Hongaarse schrijver Sandor Marai: ‘Ik was arm, maar ik was niet alleen, want ik had een vriend. En Wenen was ook als een vriend.’
In feite leek mijn leven meer op dat van Leo, de hoofdpersoon uit De laatste zomer in de stad: de klassieke stadsroman van de Italiaan Gianfranco Calligarich. Leo is bijna 30, armlastig en doodongelukkig, maar weigert te werken en blijft lanterfanten in het prachtig tot leven geroepen Rome van de jaren zeventig.
Mijn soortgelijke heilloze bestaan dreef me uiteindelijk naar de katholieke kerken van de Amsterdamse binnenstad. Ik woonde doordeweekse missen bij, beleed mijn zonden en kwam tot de ontdekking dat ik gewoon als een Rotterdammer mijn mouwen moest opstropen.
Inmiddels heb ik een baan in een stad genaamd Utrecht. Als forens is Amsterdam voor een deel van de week slechts mijn slaapstad. En op mijn vrije dagen schrijf ik liever thuis aan mijn bureau dan in prikkelrijke koffiezaakjes.
Dit minder bohemienne leven vereist geen Amsterdam als vast decor. Net als miljoenen andere Nederlanders heb ik straks genoeg aan af en toe een dagje Amsterdam. Misschien doet het dus minder pijn dat ik mijn plek afsta aan iemand die zich hopelijk meer tegoed doet aan de stad?
Maar mijn droefheid wil helemaal niet wijken voor de ethische of morele juistheid van mijn verhuizing. Ten einde raad ga ik te rade bij ervaringsdeskundige Lotfi El Hamidi. Vorig jaar nam deze journalist in NRC ook afscheid van zijn geboortestad, en hij troostte zichzelf met deze gedachte: ‘Je kunt de Rotterdammer wel uit Rotterdam halen, maar Rotterdam nooit uit de Rotterdammer’.
Voor mij werkt dit helaas niet. Ik geloof dat je de Amsterdammer uit Amsterdam kunt halen én Amsterdam uit de Amsterdammer. Om Amsterdammer te blijven, moet je blijven en meegroeien – anders word je een inwoner van het verleden.
Op den duur vervalt je aanspraak op de stad en wordt het nostalgie. Zoals wanneer oud-Amsterdammers die al decennia in de groeikernen rondom de stad wonen, zoals Almere en Purmerend, jammeren over het vergane ‘echte’ Amsterdam met zijn ‘echte’ Amsterdammers.
Het enige echte Amsterdam is de stad van nu, die altijd verandert. Een stad die broeit, bonkt en bruist. Stilstand en verwondering zijn voor kinderen die de wereld nog leren kennen en ouderen die hun wereld niet meer herkennen. Amsterdam staat midden in het leven, kijkt vooruit en kan daardoor niet steeds achterom kijken naar wie afvalt.
Misschien moet ik Amsterdam dat niet al te kwalijk nemen, want de stad heeft het tij mee, en voor je het weet is dat anders. Nu al lees ik dat de techindustrie uit Amsterdam vertrekt, omdat ons fiscale klimaat haar belemmert om internationaal techtalent rijkelijk te belonen.
Mijn slotsom: (stads)liefde gaat soms meer om loslaten dan vasthouden. Ik heb te accepteren dat ik niet meer in Amsterdam geboren, getogen én gebleven ben. Troost vind ik in het besef dat ik in deze wooncrisis überhaupt passende woonruimte heb gevonden. In een plaats waar het gemeenschapsgevoel misschien wel meer omvat dan het juk van dezelfde woningverhuurder dragen, waar mensen elkaar op straat groeten en buren hopelijk meer voor elkaar betekenen dan geluidsoverlast.
Op een van mijn laatste Amsterdamse zaterdagen spreek ik af met twee vriendinnen. Eerder deden we dat afwisselend bij elkaar thuis en door hun wooncarrières gingen we de laatste jaren kriskras door de stad. Vandaag wilden we ontbijten bij een hippe bakkerij in de binnenstad, maar de drukte aldaar drijft ons naar een klassieker eetcafé. Daar lurken we aan (havermelk)koffies en doen we een updates-dump; ieder stort snel alle ontwikkelingen in diens leven uit, waarna we tijdens het eten doorpraten over de meest prangende zaken.
‘Baan opgezegd. Vanavond een eerste date. Zo een bezichtiging in Zuid.’ Check. ‘Vast contract getekend. Straks de verkering officieel maken. Mag blijven wonen waar ik woon in het centrum.’ Check. En dan ben ik: ‘Nieuwe baan. Verloofd. Binnenkort verhuizen.’
‘Wat? Waarom? Waarheen?’
Even houd ik me in, om ze niet te overvallen met onze aanstaande fysieke en nog grotere spirituele verwijdering. Maar als ik het dan toch vertel, reageren ze zelfs bedroefder dan ik verwachtte: ‘Nee, Amstelveen?!’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant